De EU heeft in de 50 jaar dat ze bestaat sociale wetgeving uitgewerkt rond thema’s zoals gelijke kansen voor mannen en vrouwen, verbod van discriminatie, veiligheid en gezondheid op het werk, informatie en consultatie van werknemers, behoud van rechten bij overgang van ondernemingen, bepaalde aspecten van EU sociale dialoog, bescherming van bepaalde categorieën atypische arbeid en mobiliteit tussen EU lidstaten.
Waarden zoals mensenrechten, sociale rechtvaardigheid en solidariteit zijn verankerd in de Europese verdragen en in basisteksten zoals de Lissabon strategie en de Europese sociale agenda’s. Ook definieerde de Europese Raad in maart 2002 de bouwstenen van het Europees sociaal model: economische efficiëntie, een hoog niveau van sociale bescherming, levenslang leren en sociale dialoog.
Tussen 2004 en aanvang 2008 werden echter weinig nieuwe wetgevende initiatieven op sociaal gebied aangenomen. Je kan stellen dat sinds de grote uitbreiding naar 27 lidstaten het wetgevende sociale beleid zo goed als stil ligt. De samenwerkingsinitiatieven tussen de EU en de EU-lidstaten via de open coördinatiemethode op het gebied van de werkgelegenheidsstrategie, sociale zekerheid en armoedebestrijding en sociale insluiting zijn te schuchter en vaak te vrijblijvend om de wetgevende leemte op te vullen. Daarenboven werden ze de laatste tijd te zeer verengd tot een werkgelegenheids- en een activeringsverhaal: een daadwerkelijk sociaal beleid hoort breder te gaan. Daar komt nog de gapende wonde van de Bolkesteinrichtlijn bij die, dankzij het Europees Parlement wel flink werd bijgestuurd, maar die nog steeds een wrang gevoel van onzekerheid nalaat: sociale diensten wachten nog altijd op een juridische verankering en op een bescherming tegen de marktwerking.
Nochtans verschilt de EU benadering rond sociaal beleid fundamenteel van het “laissez-faire” model. Het EU uitgangspunt is dat werkgelegenheidsbeleid, vorming, sociale zekerheid, sociale insluiting, arbeidsrechten en sociale dialoog in de eerste plaats een investering zijn en niet louter een kost. Verder streeft de EU een evenwichtige ontwikkeling na van elkaar onderling versterkende doelstellingen inzake economie, werkgelegenheid, sociaal beleid en milieu en dit zowel in de EU als daarbuiten.
Toch zien we dat niet iedere EU-beslissing het juiste sociaal-economische evenwicht reflecteert. Beleid is en blijft politiek en dat geldt ook op EU-vlak. Belangrijk is dat de motor van het EU sociaal beleid nu op kruissnelheid gebracht wordt. Want de maatschappelijke uitdagingen zijn groot: een financiële crisis die is uitgemond in een Europese economische recessie, 72 miljoen EUinwoners die onder de armoededrempel leven, een toenemende kloof tussen rijk en arm, onzekerheid over bestaande banen, de vergrijzingsproblematiek, de klimaatverandering als grootste marktfaling ooit …
De Europese Raad onderlijnde onlangs het grote belang van sociale bescherming in tijden van crisis ondermeer met het oog op het behoud van koopkracht, sociale inschakeling en sociale cohesie. Het is vijf voor twaalf om daar nu sociale wetsvoorstellen tegenover te stellen- en laten we niet vergeten te onderlijnen dat we hiervoor nood hebben aan de verdere ratificatie van het Verdrag van Lissabon.
Het is nu hoog tijd voor uitvoeringsmaatregelen die geen enge kijk op sociaal beleid etaleren, maar die een einde stellen aan de huidige sociale verstarring. Een sociaal relancebeleid dat de Europese Unie optilt tot een daadwerkelijke sociaal rechtvaardige, solidaire en duurzame regio.
In dit memorandum schuiven we, vanuit een ACW-invalshoek, de voor ons meest stringente bouwstenen voor die Europese sociale relance naar voren.
De ACW-voorstellen omvatten niet de hele waaier van Europese besluitvorming. Dit is een bewuste keuze om enerzijds niet aan daadkracht te moeten inboeten en anderzijds om een duidelijke ACW-visie op de Europese Unie te kunnen brengen.
De sociale EU-wetgeving ligt al te lange tijd stil. Daarnaast laten de tussentijdse evaluaties van de Lissabonstrategie zien dat er méér en een sterker sociaal beleid nodig is.
Momenteel leven 72 miljoen mensen in de EU onder/op de armoedegrens, 36 miljoen leven dicht tegen de armoedegrens. De werkloosheid binnen de EU bedraagt 7,5 %; vooral jongeren, ouderen en vrouwen worden getroffen. Werk hebben is daarenboven geen garantie om aan armoede te ontsnappen: Europa telt 6 % “werkende armen”. Bij de bestaande banen zijn 12 % van de banen onzeker (40 % Spanje, 22 % Frankrijk) dit vooral door kortetermijncontracten en tijdelijk werk. De kloof tussen opbrengsten van ondernemingen enerzijds en het inkomen van werknemers anderzijds, neemt almaar toe. Midden- en lage inkomens komen onder druk te staan door stijgende kosten van levensonderhoud.
Tegen deze ontluisterende achtergrond is er de doelstelling van de Lissabonstrategie die armoede in 2010 in de EU wil uitroeien. De EU erkent formeel dat deze doelstelling niet zal gehaald worden.
Armoede en sociale uitsluiting worden volgens het ACW niet uitgeroeid door louter inzetbaarheid op de arbeidsmarkt tot het uiteindelijke doel van sociale insluiting te maken. Beleid op het gebied van de sociale insluiting moet in de eerste plaats de grondrechten van alle mensen waarborgen, nl. een waardig leven leiden en aan de maatschappij deelnemen.
De huidige samenstelling van de Europese begroting is gedateerd. De hervorming ervan die tegen 2013 geïnstalleerd wordt moet de nood aan financiële middelen voor sociale herverdeling invullen. Om aan die noden te voldoen, is ook een verhoging van het totale EU-budget via eigen middelen nodig: momenteel bedraagt het EU budget slechts ongeveer 1 % van het EU BNP.
Van een echt EU fiscaliteitsbeleid is nauwelijks sprake. Toch worden we geconfronteerd met een actualiteit, denken we maar aan de huidige financiële situatie, waar zulk een gemeenschappelijk beleid grote voordelen zou inhouden. Een Europese fiscaliteit is namelijk wenselijk wanneer de kosten en baten voor de hele gemeenschap gelden, wanneer er een duidelijk schaalvoordeel is en wanneer het een situatie betreft waar er voldoende homogeniteit is in de preferenties van mensen. Daarbij komt dat hoe mobieler de belastingbasis is, hoe beter het is om de belasting op hoger niveau te organiseren.
De rol van het Europees Parlement in het EU-onderwijsbeleid is te beperkt. Daarnaast worden de Lissabondoelen rond levenslang leren en vroegtijdige schoolverlaters niet gehaald.
Hoofddoelstelling van de nieuwe EU-voorstellen is bijkomende rekrutering en een betere allocatie van werknemers. Een op rechten gebaseerde aanpak ontbreekt. ACW benadrukt dat een migrant beschouwd moet worden als een ‘houder van mensenrechten', niet als een ‘economische eenheid'. Die op mensenrechten gebaseerde aanpak vinden we terug in de fundamentele waarden van het EU-verdrag, maar zien we niet uitgewerkt in de huidige Europese voorstellen. Daadwerkelijk EU-gedefinieerde, geharmoniseerde regels over toelating, het toekennen van een niet-ambigue ‘zekere' legale status en stevige rechten voor derdelanders zouden significant bijdragen tot het versterken van het pad van reguliere migratie, regulier verblijf en reguliere jobs. Het zou een effectieve vorm van een preventief en open beleid inhouden.
Nog steeds heeft 80 % van de wereldbevolking geen toegang tot sociale bescherming, ook al is het een fundamenteel recht, opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De helft van de mondiale actieve bevolking verdient minder dan 1,5 dollar per dag, moet meer dan tien uur per dag in mensonterende omstandigheden werken en geniet geen sociale zekerheid of sociale bescherming. Daartegenover staat dat Europa zich geëngageerd heeft binnen het kader van de Verenigde Naties om collectief 0,7 % van het BNI te besteden aan hulp om extreme armoede uit de wereld te helpen tegen 2015. Meer nog, Europa heeft een afspraak gemaakt om tegen 2010 reeds 0,56 % te behalen, EU en lidstaten samen.
Het Europese klimaatpakket met zijn kwantitatieve doelstellingen (20-20-20) heeft nood aan duurzame uitvoeringsmaatregelen. Deze uitvoeringsmaatregelen moeten de CO2-reductie en het verhogen van het aandeel hernieuwbare energie daadwerkelijk realiseren, financieren en controleren.
Ieder jaar schrijft de Europese Commissie rapporten over de landen die lid willen worden van de Unie. Vooraleer een land lid kan worden, moet het immers aan een aantal criteria voldoen (vastgelegd in 1993, in Kopenhagen). De Commissie evalueert of het land in kwestie wel voldoende rekening houdt met deze Europese eisen en criteria. Op 8 november kwam het voortgangsrapport van o.a. Turkije uit. De Commissie neemt in dit rapport een voorzichtige, tussentijdse houding aan. Tussentijds want op de EUtop van 15 december wil men een duidelijke stelling voor de toekomst innemen.
Turkije heeft de voorbije jaren veel stappen in de goede richting gezet. Net als bij de Oost-Europese landen volstond dat om de onderhandelingen te openen (alles moet niet vanaf de eerste dag perfect in orde zijn). Vorig jaar in oktober werd, na een positief advies van de Commissie, het startschot gegeven voor de onderhandelingen. Sinds 12 juni 2006 wordt er effectief onderhandeld.
Het Commissierapport van 8 november is kritischer dan de vorige rapporten.
De Commissie waardeert dat Turkije zich aansluit bij het Europees buitenlands beleid (b.v. inzake het Midden-Oosten) en dat er enkele domeinen zijn waar Turkije heel vlot de Europese regels overneemt (b.v. onderwijs).
Maar globaal genomen, wordt Turkije sterk bekritiseerd omwille van diverse redenen:
De Commissie erkent wel dat er in deze domeinen vooruitgang wordt gemaakt, maar het verloopt allemaal wat te traag. Turkije heeft de voorbije weken enkele signalen gegeven dat het wil tegemoet komen aan de Europese eisen. Zo wordt gepraat over een afschaffing of toch minstens een nieuwe formulering van het fameuze artikel 301 uit de strafwet. Het is echter vooral een ander dossier dat maakt dat Turkije mogelijk afstevent op een ‘treincrash’ (het nieuwe modewoord in dit dossier, naast ‘de Orient Express’).
De situatie is tamelijk paradoxaal: Turkije wil bij een club, waarvan het één van de leden eigenlijk niet wil erkennen, nl. Cyprus. Nog sterker: het Turkse leger bezet sinds 1974 een deel van Cyprus. De Cyprusproblematiek is echter uiterst complex en de VN werkt al lang aan voorstellen om het eiland te herenigingen. Een ultiem voorstel werd in 2004 op papier gezet en met de steun van de EU én Turkije aan de Cyprioten voorgelegd in een referendum. De Turks-Cyprioten ondersteunden het plan, maar de Grieks-Cyprioten hebben het afgewezen.
Toch stond Turkije de voorbije jaren onder grote druk om de bestaande vrijhandelsovereenkomst (de Ankara-overeenkomst) met de oude EU-lidstaten uit te breiden naar de nieuwe lidstaten, met inbegrip van (Grieks)Cyprus. Turkije heeft vorig jaar deze stap op papier gezet, maar houdt in de praktijk nog altijd de zee- en luchthaven gesloten voor Cypriotische schepen en vliegtuigen. Al vele maanden wordt druk uitgeoefend op Turkije om Cyprus te behandelen als een ‘normale’ lidstaat.
Turkije argumenteert echter dat het gedeelte van Cyprus dat het zelf bezet houdt, ernstig gediscrimineerd wordt. Handelsrelaties met Turks-Cyprus zijn inderdaad niet genormaliseerd en de Grieks-Cyprioten proberen ook te vermijden dat er ernstige Europese hulpprogramma’s worden opgezet ten voordele van het (arme) Turks-Cypriotische deel.
Het Finse EU-voorzitterschap heeft de voorbije weken getracht om de beide dossiers aan elkaar te koppelen: het isolement van Turks-Cyprus zou worden opgeheven en in ruil zou Turkije Cypriotische schepen en vliegtuigen moeten accepteren.
De gesprekken zijn uiteindelijk afgebroken. De druk op Turkije is intussen bijzonder groot geworden. Het leidt geen twijfel dat Turkije op relatief korte termijn zal moeten aanvaarden dat havens en luchthavens worden geopend voor Cypriotische schepen en vliegtuigen. De vraag is of Turkije iets in de plaats zal krijgen.
De kwestie ligt vooral gevoelig omdat de Turkse opinie dit echt als een symbooldossier beschouwt. Met verkiezingen in het vooruitzicht, willen de Turkse leiders liever geen toegevingen doen als daar geen overwinning in een ander dossier voor in de plaats komt (b.v. de opheffing van het isolement van Turks-Cyprus).
In december moeten de lidstaten en hun staats- en regeringsleiders conclusies trekken uit het kritische rapport van de Commissie. De Commissie zelf suggereert voorlopig niets. Het dossier kan in december verschillende kanten uit: mogelijk worden de onderhandelingen met Turkije opgeschort, mogelijk krijgt Turkije nog even de tijd om op enkele kritieken te antwoorden, mogelijk worden bepaalde delen van het onderhandelingsproces tijdelijk stopgezet.
Het compleet en onherroepelijk afbreken van de onderhandelingen lijkt geen optie. Turkije heeft in elk geval een aantal bondgenoten: Groot-Brittannië, Italië, maar ook België verdedigen de gematigde aanpak en verzetten zich tegen het afbreken van de onderhandelingen.
Duitsland is enigszins verdeeld, Oostenrijk wil Turkije liever niet en landen als Nederland en Frankrijk zijn ook erg sceptisch. Wie het hele verhaal van op wat afstand bekijkt, ziet al snel dat er iets merkwaardigs aan de hand is. Vele Europese politici, hebben zich de voorbije jaren uitgesproken tegen de toetreding van Turkije: Chirac, Merkel, Oostenrijkse en Nederlandse regeringsleiders.
Uit haast alle opiniepeilingen sinds het begin van de jaren ‘90 blijkt dat de groep ‘tegenstanders’ groter is dan de groep die voor Turkije in de EU pleit. Sommige lidstaten zullen er economisch misschien bij winnen als Turkije lid wordt van de Unie, maar er zullen ook verliezers zijn: er zal immers veel financiële steun naar Turkije gaan en iemand moet betalen. Alle lidstaten zullen in een grotere unie bovendien aan macht verliezen.
Anders gezegd, als men de tegenstand bekijkt, dan zou men niet verwachten dat er nog zoveel goodwill ten aanzien van Turkije is. Het kritische commissierapport zou de tegenstanders zodanig veel munitie moeten geven dat de onderhandelingen misschien wel onherroepelijk worden afgebroken.
En toch gebeurt dat niet. Het proces lijkt nooit echt stil te vallen. Dat is al vele jaren aan de gang: telkens opnieuw worden er stappen gezet. Het ging vaak om kleine stappen, maar ze wezen in dezelfde richting: Turkije kreeg in 1999 officieel erkenning als kandidaat- lidstaat, het land werd intussen herhaaldelijk uitgenodigd om deel te nemen aan semi-formele raadszittingen, Turkije is geregeld aanwezig op de afsluitende lunch van de Europese Raad en vertegenwoordigers van de Turkse Regering en het Parlement maakten volwaardig deel uit van de Conventie die nadacht over Europa’s toekomst.
Commissievoorzitter Barroso had het recent in een toespraak over “de kost van geen- Turkije”. Dit illustreert 2 zaken, ten eerste, dat aan het onderhandelen met Turkije een (economische, maar vooral politieke) kostprijs hangt.
Maar, ten tweede, wil Barroso zeggen dat de kostprijs nog veel hoger zou zijn als we de onderhandelingen nu zouden stopzetten: het zou de stabiliteit in Turkije ondermijnen, misschien een invloed hebben op onze energietoevoer en het diplomatieke incident zou niet te overzien zijn, met alle economische gevolgen vandien.
Men zit gevangen in een dynamiek die onomkeerbaar wordt. En dan kan je je maar beter focussen op de voordelen en de zinvolheid die uit deze dynamiek kan gehaald worden, in plaats van je voor te bereiden op een treincrash.
Ontwerpstandpunt ACW
Het vrije verkeer van personen is een van de fundamentele vrijheden die gegarandeerd worden door de Gemeenschapswetgeving en omvat het recht om in andere lidstaten te leven en te werken. Lang voor de toetreding van de nieuwe lidstaten in 2004 bestond de bekommernis dat de arbeidsmigratie vanuit het Oosten naar het Westen van de Europese Unie te groot zou worden en dat overgangsmaatregelen noodzakelijk waren om de Westerse arbeidsmarkten te beschermen.
Op 1 mei 2004 zijn tien nieuwe landen toegetreden tot de Europese Unie. Het ging om Malta, Cyprus, Polen, Hongarije, Slowakije, Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen en Slovenië. Gezien de reeds bestaande vrijstelling voor onderdanen van de landen binnen de Europees Economische Ruimte zouden logischerwijze ook de onderdanen van deze nieuwe lidstaten moeten vrijgesteld zijn van de verplichting tot het bekomen van arbeidskaarten en vergunningen.
Het bestaande systeem is evenwel gebaseerd op de overgangsbepalingen in het toetredingsverdrag van de Tsjechische republiek, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Slovenië en Slowakije met de Europese Unie.
Aan de lidstaten werd de mogelijkheid gegeven om in een driedelige overgangsfase die zich uitstrekt over zeven jaar, en waarvan de eerste fase op 1 mei 2006 eindigt, maatregelen te nemen om de eigen arbeidsmarkt af te schermen van werknemers die afkomstig zijn uit de nieuwe EUlidstaten.
De eerste twee jaar na de toetreding van de nieuwe lidstaten wordt de toegang tot de arbeidsmarkt van de huidige lidstaten geregeld door nationale wetgevingen en het beleid van die lidstaten en door bilaterale overeenkomsten die eventueel met de nieuwe lidstaten zijn gesloten.
De meerderheid van de EU-lidstaten, waaronder België, heeft er voor gekozen om de grenzen niet open te stellen voor werknemers uit acht van de nieuwe lidstaten, met name Polen, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije en Slovenië. Voor de onderdanen van Malta en Cyprus geldt reeds het volledig vrij verkeer van werknemers.
België nam een restrictieve houding aan en behield haar regelgeving inzake arbeidskaarten en arbeidsvergunningen ten aanzien van de werknemers uit de acht nieuwe lidstaten. Deze regeling geldt dus tijdens een overgangsperiode van 2 jaar. De grenzen blijven met andere woorden gesloten tot 1 mei 2006. Binnen deze regeling zijn zowel de Belgische als de buitenlandse bedrijven verplicht de buitenlandse werknemers in België te laten werken aan de Belgische loon- en arbeidsvoorwaarden.
Na een evaluatie kan de overgangsperiode verlengd worden met 3 jaar (tot 1 mei 2009). Bij ernstige verstoring van de arbeidsmarkt kan een lidstaat deze periode nogmaals met 2 jaar verlengen (tot 1 mei 2011). In totaal kan België dus zijn huidige reglementering inzake buitenlandse werknemers verder toepassen gedurende een periode van nog maximaal 5 jaar.
De beperking van het vrij verkeer van werknemers heeft zwartwerk doen groeien en heeft ook aangezet een aantal constructies op te zetten met een schijn van legaliteit, die niet in het belang zijn van de Belgische werknemers. De overheid heeft geen zicht op het aantal buitenlandse arbeidskrachten en ondernemingen dat in België actief is. De inspectie heeft niet de mogelijkheden om op een effectieve manier te controleren of de Belgische arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden worden gerespecteerd.
Het ACW is van oordeel dat de Belgische arbeidsmarkt niet gediend is met een verdere afsluiting voor werknemers uit Oost-Europa. Het ACW is vragende partij om de Belgische arbeidsmarkt vanaf 1 mei 2006 open te stellen, maar koppelt dit aan een aantal strikte voorwaarden:
Op 1 mei 2004 breidde de Europese Unie voor de vijfde keer uit. De toetreding van Estland, Let-land, Litouwen, Polen, Tsjechië, Slovakije, Hongarije, Slovenië, Malta en Cyprus, was meteen ook de grootste uitbereiding aller tijden. Samenwerken met 25 in plaats van 15 lidstaten is echter geen sinecure. Grondige hervormingen drongen zich op, anders dreigde de EU onwerkbaar te worden. De Europese Grondwet moest een antwoord worden op deze uitdaging. ‘Hoe kunnen we de Euro-pese besluitvorming versterken, de vroegere Europese verdragen bundelen en vereenvoudigen en de burgers meer bij de EU betrekken?’ waren dan ook de hoofdvragen bij het opstellen van de grondwet.
De Europese Grondwet is op 29 oktober 2004 in Rome ondertekend door de regeringsleiders en staatshoofden van alle EU-lidstaten. De ceremoniële ondertekening van de Europese Grondwet was de eerste stap op weg naar de inwerkingtreding. Nu zijn de parlementen uit alle lidstaten aan zet. Zij moeten de ratificatie hebben afgerond binnen een tijdsbestek van twee jaar, voor november 2006.
In ten minste acht landen gaat een referendum deze parlementaire goedkeuring vooraf. Frank-rijk, Ierland en Denemarken kennen een bindend referendum. De Franse, Ierse en Deense par-lementen zijn verplicht de uitkomst van de volksraadpleging te respecteren. Ook zes andere lidstaten organiseren referenda (met voorbehoud voor Tsjechië). Deze referenda zijn raadplegend van aard. Dit wil zeggen dat het parlement eventueel kan besluiten om de Eu-ropese Grondwet te aanvaarden, zelfs bij een negatieve uitslag van het referendum.
De Fransen hebben zich op zondag 29 mei 2005 uitgesproken over de Europese Grondwet. Bij een hoge opkomst van 70,5 procent stemde bijna 56 procent van de Fransen tegen. Op 1 juni 2006 hebben ook de Nederlanders de Europese grondwet afgewezen. Volgens het Ne-derlandse persbureau ANP stemde 61,6 procent tegen de Europese Grondwet. Het referendum in Nederland is enkel raadgevend maar de Tweede Kamer zou het resultaat wel respecteren indien meer dan 30 procent van de kiezers zou opdagen. Die 30 procent werd makkelijk gehaald. Een uur voor de sluiting van de stembureau’s was al meer dan de helft van de kiezers komen stemmen.
Na de afwijzing van het verdrag in Frankrijk en Nederland klonk het alom dat de goedkeurings-procedures moesten doorgaan. Alle lidstaten van de EU moesten zich kunnen uitspreken. Pas na 2 jaar (op 1 november 2006) zou er een balans opgemaakt worden. Indien zes lidstaten het ver-drag niet goedkeurden, zou de grondwet definitief begraven worden. Als het er minder dan zes waren, zouden de Europese staatshoofden en regeringsleiders een oplossing zoeken. Dat waren ze overeengekomen in een politieke “verklaring 30” die bij het grondwettelijk verdrag gevoegd is.
Maar de sfeer is de jongste dagen helemaal omgeslaan. De Britse minister van Buitenlandse zaken Jack Straw heeft ondertussen in het Britse Parlement aangekondigd dat er voorlopig in Groot-Brittannië geen referendum komt over de Europese grondwet. De wet die dit mogelijk moet maken, zal niet worden ingediend. Straw sluit evenwel niet uit dat er later een referendum wordt georganiseerd. De Britse politici zijn er zich van be-wust dat een referendum in hun land zou leiden tot alweer een “neen”. De Britse regering wil die afkeuring vermijden en zoekt naar een andere manier om de grondwet te redden. Ook Tsjechië stelt het referendum over de grondwet voor onbepaalde tijd uit.
Uit peilingen blijkt nu dat er een domino-effect aan de gang is in de publieke opinies ten voordele van “neen”. Zelfs in Luxemburg is er nu grote onzekerheid. De ja-stemmers halen ook daar niet meer de helft. Bij de christen-democratische EVP werd gepleit voor een onderbreking van het goedkeuringsproces. Onder andere Jean-Luc Dehaene pleit ervoor dat de Europese staatshoofden en regeringsleiders op de Top van 16 en 17 juni een “opschorting” afspreken van de goedkeurings-procedures, voor een welbepaalde periode. Dat moet het mogelijk maken dat er een oplossing voor de crisis gevonden wordt.
Het Belgische parlement heeft de Europese Grondwet goedgekeurd. In juni 2004 kondigde premier Guy Verhofstadt nog aan dat hij de goedkeuring graag via een nationaal referendum wilde laten verlopen. Na een uiterst moeizame parlementaire discussie over de wenselijkheid van een referen-dum, bleek hier in januari 2005 een nipte meerderheid tegen. De Belgische senaat stemde op 28 april 2005 over het wetsontwerp waarmee de Belgische regering de Europese Grondwet goedkeurt. Het wetsvoorstel kreeg een ruime meerderheid: 54 senatoren stemden voor (socialisten, liberalen, christendemocraten en groenen); negen senatoren stemden tegen (Vlaams Belang en FN); en er was één onthouding. De Kamer van Volksvertegenwoordigers keurde op 19 mei 2005 de Europese grondwet goed. Het debat dat aan de stemming vooraf ging, werd niet met bijzonder veel geestdrift gevoerd. Bij voor-baat stond immers vast dat een overgrote meerderheid voor zou stemmen. Van de 137 aanwezige Kamerleden stemden 118 voor, 18 tegen (de fractie Vlaams Belang), en er was één onthouding. Met een ‘ja’ van de Belgische Senaat en Kamer van Volksvertegenwoordigers is de goedkeurings-procedure nog niet voltooid.
Om in werking te treden, moet de Europese Grondwet nog een fiat krijgen van de volgende organen:
Momenteel hebben dus slechts twee van de negen institutionele organen hun akkoord gegeven. Gezien de grote politieke meerderheid voor de Europese Grondwet, lijkt de goedkeuring door de overige organen overigens een formaliteit.
Het ACW is en blijft grote voorstander van verdere Europese éénmaking én van de Europese Grondwet. Hoe klein de vooruitgang die de grondwet teweegbrengt ook is, het is een vooruitgang, en wel om volgende redenen:
Het Europees parlement krijgt op een flink aantal terreinen medebeslissingsrecht. Nu kan het EP vaak niet meer dan een advies uitbrengen. Met de grondwet mag het meebeslissen over bijvoor-beeld de landbouwbegroting, de grootste kostenpost van de EU. Ook de nationale parlementen worden meer betrokken.
Aanzienlijk meer besluiten kunnen genomen worden met ‘gekwalificeerde meerderheid’. Dit is bijvoorbeeld het geval op gebied van justitie en politie. Er hoeft dus niet meer eindeloos onderhandeld te worden totdat iedereen het helemaal eens is over een slap compromis. In een Unie met nu 25 lidstaten is dat erg moeilijk. Ook wordt de Europese Commissie kleiner en daarmee slagvaardiger. Op dit moment hebben sommige commissarissen een erg kleine portefeuille. In het nieuwe toerbeurtsysteem komen alle landen even vaak aan bod.
De grondwet introduceert de Europese minister van Buitenlandse Zaken, waarmee de EU een dui-delijker gezicht krijgt voor de buitenwereld. De lidstaten zullen met elkaar moeten overleggen voordat ze elk met een eigen standpunt komen. De EU-lidstaten die lid zijn van de VN- 2 veiligheidsraad moeten onderling overleggen en de andere lidstaten op e hoogte houden. De Euro-pese minister van Buitenlandse Zaken kan daar het standpunt van de EU verwoorden. Ook worden in de grondwet afspraken gemaakt over meer samenwerking op het gebied van defen-sie, waardoor Europa als het nodig is militaire operaties kan uitvoeren of snel vredestroepen kan sturen.
Volgens de grondwet moet Europa zich richten op ‘volledige werkgelegenheid en sociale vooruit-gang’. Ook moet de unie sociale rechtvaardigheid en gelijkheid tussen man en vrouw bevorderen. De belangrijke rol van overleg tussen werkgevers en vakbonden ligt vast in de Europese grondwet. Op het terrein van sociale zekerheid is een ‘noodrem’ ingevoerd. Als België vindt dat een Europees besluit onze sociale zekerheid in gevaar brengt, kan België op de beslissing terugsturen. We hou-den dus het laatste woord over ons sociale zekerheidsstelsel.
De EU is meer dan een economische club: het is een waardengemeenschap waar vrede, vrijheid en democratie voorop staan. De grondwet bevat een Handvest van grondrechten waarin die waarden en de rechten van de burgers zijn vastgelegd. Het is meer dan een stuk papier: Europese instellin-gen zijn verplicht zich eraan te houden, en burgers kunnen makkelijker naar de rechter stappen als ze menen dat een instelling hun rechten schendt.
Om de kloof tussen de burger en Brussel minder groot te maken, komt er het Europees burgeriniti-atief: een miljoen Europeanen kunnen de Commissie verzoeken een wet te maken. De Commissie is verplicht het verzoek te bespreken. In de grondwet staat daarenboven dat burgers een klacht kunnen indienen bij de Europese Om-budsman voor de Europese Unie. Een belangrijk deel van de vergaderingen van Europese ministers wordt openbaar: alle vergaderin-gen die over wetten gaan. Media, volksvertegenwoordigers en burgers kunnen dus makkelijker in de gaten houden wat hun regeringen met elkaar afspreken. Ook representatieve organisaties en het maatschappelijk middenveld worden actiever betrokken bij de Europese besluitvorming.
Terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit roepen om een gezamenlijke aanpak binnen Eu-ropa. Besluiten daarover worden volgens de grondwet met een meerderheid van stemmen geno-men, en kunnen dus niet door een veto worden geblokkeerd. De grondwet maakt het onder meer mogelijk dat er een Europees Openbaar Ministerie komt, dat internationale misdaad effectiever kan aanpakken.
Met de grondwet kan er een Europees asielstelsel komen. Daarmee zou voorkomen moeten worden dat asielzoekers binnen Europa doorreizen naar het land met de aantrekkelijkste regels.
Afgelopen zaterdag vond in Rome het begin van de Intergouvernementele Conferentie plaats, die de komende maanden zal werken aan een nieuwe Europese Grondwet. Het worden hele belangrijke werkzaamheden, want de Grondwet moet de Europese Unie hervormen met het oog op de uitbreiding naar 25 Lid-Staten.
Het belang van deze oefening werd afgelopen zaterdag ook in de verf gezet door twee betogingen, namelijk die van de vakbonden en die van de antiglobalisten. De eersten pleitten voor een meer sociaal Europa, de tweede groep wou een “ander” Europa.
Het ACW, de koepel van christelijke werknemersorganisaties, het ACV, de christelijke vakbond, en het MOC, de Mouvement Ouvrier Chrétien, willen genuanceerd reageren bij de aanvang van de Intergouvernementele Conferentie.
Er zijn in het Ontwerp van Europese Grondwet, zoals die door de Europese Conventie is goedgekeurd, te weinig sociale accenten gelegd, zodat grote (sociale) vooruitgang achterwege blijft. ACW, ACV en MOC betreuren dit ten zeerste. Vooral rond drie punten wensen ACW, ACV en MOC bijsturingen tijdens de Intergouvernementele Conferentie.
Het ACW, ACV en MOC betreuren dat de Europese Conventie er niet in geslaagd is een doorbraak te doen inzake het nemen van Europese beslissingen op onder andere het sociaal en fiscaal vlak en in het kader van het buitenlands beleid, met gekwalificeerde meerderheid. Evenmin worden de mogelijkheden tot medebeslissing van het Europees Parlement vergroot. Wanneer de Intergouvernementele Conferentie er niet in slaagt om op deze domeinen doorbraken te forceren, dan zal het zeer moeilijk zijn om op bepaalde aspecten van het sociaal beleid en op het vlak van het fiscaal beleid nog vooruitgang te boeken in Europa. Want overeenstemming bereiken met 25 landen betekent dat er zo goed als niets meer zal mogelijk zijn.
En het feit dat wordt bepaald dat de Europese Raad unaniem een wet kan goedkeuren waardoor in de toekomst die beslissingen met gekwalificeerde meerderheid kunnen genomen worden, is slechts een doekje voor het bloeden, omdat de grendel van de unanimiteit niet weg is !
Ook de zogenaamde open coördinatiemethode, die het nationaal beleid coördineert aan de hand van een aantal afgesproken Europese doelstellingen en die een politiek instrument is, baart het ACW, ACV en MOC zorgen, ook staan wij positief tegenover dit instrument op zich. In de sociale politiek wordt hierdoor mogelijk dat de Europese Commissie, bij het nemen van een initiatief, de keuze kan maken tussen ofwel een wetgevend initiatief, ofwel een toevlucht in een open coördinatiemethode. Hierdoor lopen we het risico dat de Commissie in de toekomst veeleer een beroep zal doen op de “zachtere” methode eerder dan op dwingende Europese wetgeving. Het ACW, ACV en MOC vragen dat de open coördinatiemethode in sociale aangelegenheden enkel zou kunnen worden aangewend wanneer de Unie met unanimiteit beslissingen moet nemen (bv. inzake sociale zekerheid en pensioenen), of wanneer de Unie geen rechtsgrondslag heeft in bepaalde sociale domeinen (bv. strijd tegen sociale uitsluiting).
Tenslotte willen ACW, ACV en MOC een pleidooi houden voor de schrapping van de “uitgesloten domeinen” in de sociale politiek. We betreuren het dat de domeinen die totnogtoe waren uitgesloten van Europese wetgeving of initiatieven (beloning, recht van vereniging, stakingsrecht en recht van uitsluiting), uitgesloten blijven van die Europese wetgeving of initiatieven. Het mogelijk maken van dergelijke initiatieven rond bijvoorbeeld “beloning” kan de druk op grote bedrijven om hun investeringen te verplaatsen naar andere landen binnen de Europese Unie, verkleinen. Wij zijn van oordeel dat moet worden getracht deze beperking alsnog te schrappen tijdens de komende Intergouvernementele Conferentie.
Pas indien rond deze punten een oplossing komt tijdens de komende IGC zal van echte sociale vooruitgang kunnen gesproken worden. Want deze elementen komen dan bij drie andere aspecten van de Europese Grondwetstekst die het ACW, ACV en MOC positief beoordelen.
Positief is op de eerste plaats de opname van het Handvest van de Grondrechten in de Grondwet, met bindende rechtskracht. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat het Europees Hof van Justitie het beleid van de Europese Unie toetst aan deze rechten. Onder deze rechten bevinden zich heel wat sociale rechten, zoals het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie, rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en –voorwaarden, of het recht op sociale zekerheidsvoorzieningen of gezondheidszorg. ACW, ACV en MOC zijn ook verheugd dat het ontwerp van Europese Grondwet de rol van de sociale partners in vedette stelt, en het brede middenveld een rol geeft bij het totstandkomen van het Europese beleid.
Tenslotte voldoen ook de waarden en doelstellingen van de Europese Unie aan de verwachtingen van het ACW, ACV en MOC. Vooral de doelstelling dat Europa zich zal inzetten voor een sociale markteconomie (…), gericht op volledige tewerkstelling en sociale vooruitgang, kan onze uitdrukkelijke goedkeuring wegdragen.