ACW-memorandum Bouwstenen voor een Europese sociale relance

De EU heeft in de 50 jaar dat ze bestaat sociale wetgeving uitgewerkt rond thema’s zoals gelijke kansen voor mannen en vrouwen, verbod van discriminatie, veiligheid en gezondheid op het werk, informatie en consultatie van werknemers, behoud van rechten bij overgang van ondernemingen, bepaalde aspecten van EU sociale dialoog, bescherming van bepaalde categorieën atypische arbeid en mobiliteit tussen EU lidstaten.

Waarden zoals mensenrechten, sociale rechtvaardigheid en solidariteit zijn verankerd in de Europese verdragen en in basisteksten zoals de Lissabon strategie en de Europese sociale agenda’s. Ook definieerde de Europese Raad in maart 2002 de bouwstenen van het Europees sociaal model: economische efficiëntie, een hoog niveau van sociale bescherming, levenslang leren en sociale dialoog.

Tussen 2004 en aanvang 2008 werden echter weinig nieuwe wetgevende initiatieven op sociaal gebied aangenomen. Je kan stellen dat sinds de grote uitbreiding naar 27 lidstaten het wetgevende sociale beleid zo goed als stil ligt. De samenwerkingsinitiatieven tussen de EU en de EU-lidstaten via de open coördinatiemethode op het gebied van de werkgelegenheidsstrategie, sociale zekerheid en armoedebestrijding en sociale insluiting zijn te schuchter en vaak te vrijblijvend om de wetgevende leemte op te vullen. Daarenboven werden ze de laatste tijd te zeer verengd tot een werkgelegenheids- en een activeringsverhaal: een daadwerkelijk sociaal beleid hoort breder te gaan. Daar komt nog de gapende wonde van de Bolkesteinrichtlijn bij die, dankzij het Europees Parlement wel flink werd bijgestuurd, maar die nog steeds een wrang gevoel van onzekerheid nalaat: sociale diensten wachten nog altijd op een juridische verankering en op een bescherming tegen de marktwerking.

Nochtans verschilt de EU benadering rond sociaal beleid fundamenteel van het “laissez-faire” model. Het EU uitgangspunt is dat werkgelegenheidsbeleid, vorming, sociale zekerheid, sociale insluiting, arbeidsrechten en sociale dialoog in de eerste plaats een investering zijn en niet louter een kost. Verder streeft de EU een evenwichtige ontwikkeling na van elkaar onderling versterkende doelstellingen inzake economie, werkgelegenheid, sociaal beleid en milieu en dit zowel in de EU als daarbuiten.

Toch zien we dat niet iedere EU-beslissing het juiste sociaal-economische evenwicht reflecteert. Beleid is en blijft politiek en dat geldt ook op EU-vlak. Belangrijk is dat de motor van het EU sociaal beleid nu op kruissnelheid gebracht wordt. Want de maatschappelijke uitdagingen zijn groot: een financiële crisis die is uitgemond in een Europese economische recessie, 72 miljoen EUinwoners die onder de armoededrempel leven, een toenemende kloof tussen rijk en arm, onzekerheid over bestaande banen, de vergrijzingsproblematiek, de klimaatverandering als grootste marktfaling ooit …

De Europese Raad onderlijnde onlangs het grote belang van sociale bescherming in tijden van crisis ondermeer met het oog op het behoud van koopkracht, sociale inschakeling en sociale cohesie. Het is vijf voor twaalf om daar nu sociale wetsvoorstellen tegenover te stellen- en laten we niet vergeten te onderlijnen dat we hiervoor nood hebben aan de verdere ratificatie van het Verdrag van Lissabon.

Het is nu hoog tijd voor uitvoeringsmaatregelen die geen enge kijk op sociaal beleid etaleren, maar die een einde stellen aan de huidige sociale verstarring. Een sociaal relancebeleid dat de Europese Unie optilt tot een daadwerkelijke sociaal rechtvaardige, solidaire en duurzame regio.

In dit memorandum schuiven we, vanuit een ACW-invalshoek, de voor ons meest stringente bouwstenen voor die Europese sociale relance naar voren.

De ACW-voorstellen omvatten niet de hele waaier van Europese besluitvorming. Dit is een bewuste keuze om enerzijds niet aan daadkracht te moeten inboeten en anderzijds om een duidelijke ACW-visie op de Europese Unie te kunnen brengen.

BOUWSTEEN 1: VORM GEVEN AAN EEN BREED SOCIAAL BELEIDSKADER

Uitgangspunt

De sociale EU-wetgeving ligt al te lange tijd stil. Daarnaast laten de tussentijdse evaluaties van de Lissabonstrategie zien dat er méér en een sterker sociaal beleid nodig is.

ACW-voorstellen

  1. Verduurzaam de Lissabonstrategie in 2010 (nieuwe strategie 2011-2020). 
    • Geef opnieuw meer aandacht aan de sociale dimensie: zorg voor een instandhouding en een verbetering van het Europese sociale welvaartsmodel en geef aandacht aan zekerheid i.p.v. enkel aan flexibiliteit.
    • Neem “waardig werk” op in de volgende herziening van de Lissabonstrategie voor wat het interne beleid betreft.
    • Zorg ervoor dat het EU-klimaatbeleid doorwerking krijgt in de Lissabonstrategie, bv. via de creatie van groene jobs en de aanpak van energiearmoede. Het Europees Parlement, ook al is zijn rol in de opmaak van deze nieuwe strategie klein, moet waken over de effectieve coherentie tussen deze evenwaardige beleidsopties: economische groei binnen een dwingend sociaal kader. 
  2. Pak in de nieuwe werkgelegenheidsstrategie de precaire situatie van tijdelijke en halftijdse jobs aan.
  3. Roep een halt toe aan de commercialisering van de zorg:

    • het huidige EU-voorstel voor patiëntenrechten beantwoordt niet aan de noden van de sector: ze ontwikkelt geen gezondheidsbeleid op EU-niveau, noch biedt ze de noodzakelijke juridische zekerheid. Integendeel, ze behoudt en verbreedt de dubbele procedure van terugbetaling bij grensoverschrijdende zorgen. Dit maakt de situatie voor de patiënt en de SZ-instelling nog complexer. Daarenboven zijn de voorgestelde maatregelen relevant voor slechts 10 % van de EU-bevolking,nl. de best geïnformeerden en de meest welgestelden;
    • breng gezondheidszorg onder in het noodzakelijke EU-kader van sociale diensten
  4. Ontwikkel verder een EU-coördinatiebeleid van de sociale zekerheidsstelsels, ter bescherming van het Europese sociale model. Er is nood aan een stringentere samenwerking tussen de lidstaten op het vlak van gezondheidszorg, pensioenen, bejaardenzorg en sociale integratie.
  5. Hersolidariseer de ziekteverzekeringen via een uitbreiding van het sociale zekerheidsveld op EU-niveau. Momenteel is de toevlucht tot bijkomende verzekeringen nl. noodzakelijk geworden om de toegang tot gezondheidszorg financieel aanvaardbaar te houden.
  6. Zorg voor een wettelijke verankering van de sociale diensten zodat deze diensten niet (meer) aan de EUconcurrentieregels onderworpen worden.
  7. Creëer een wetgevend kader voor sociale economie- projecten zodat ze buiten de Europese staatssteunregleme ntering vallen.
  8. Vind een sociaal evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid in de organisatie van arbeid. Hierbij moet men vermijden dat ‘werkzekerheid' niet vervangen wordt door een ‘zekerheid van arbeidsbeschikbaarheid'. Flexicurity mag niet leiden tot een versoepeling van ontslagprocedures en tot het aannemen van meer precaire arbeidsvormen.

    • zorg ook voor zekerheid binnen flexibelere vormen van arbeidsorganisatie;
    • het bestaande beschermingssysteem moet behouden en uitgebreid worden: de werkgelegenheidsbescherm ing moet uitgroeien tot een zekerheid tot werkgelegenheid;
    • plaats in het ‘flexicurity-debat' de kwaliteit van jobs centraal met inbegrip een veralgemening van stabiele contracten van onbepaalde duur en de voorziening van sociale vergoedingen die het geheel van contracten en jobs omvatten. 
  9. Werk een versterkte coördinatiemethode uit die de lidstaten verbindt in hun engagementen.
  10. Installeer een EU-programma voor sociale huisvesting met bijhorende rechtszekerheid, kwantitatieve doelstellingen en middelen.
  11. Erken de toegang tot kwaliteitsvolle diensten via EU-wetgeving als een recht. Deze moet o.a. standaardtarieven, microkredieten, gratis onderwijs en gezondheidszorg inhouden voor kwetsbare groepen
  12. Versterk de Europese Sociale Dialoog via: 
    • de oprichting van een permanente Europese sociale partnerstructuur die de geïnstitutionaliseerde dialoog, de sociale dialoog en onderhandelingen ontwikkelt en verzekert en dit met alle Europese sociale partners op interprofessioneel en op sectoraal niveau;
    • de organisatie van een sociale partnersconsultatie voor EU-beslissingen rond economisch beleid, de Eurogroep en het politiek-economisch comité;
    • de organisatie van een systematische consultatie van de sociale partners rond de werking van het werkgelegenheidscomité.

 

BOUWSTEEN 2:  SOCIALE INSLUITING: MENSEN UIT DE ARMOEDE HALEN ALS LEIDMOTIEF

Uitgangspunt

Momenteel leven 72 miljoen mensen in de EU onder/op de armoedegrens, 36 miljoen leven dicht tegen de armoedegrens. De werkloosheid binnen de EU bedraagt 7,5 %; vooral jongeren, ouderen en vrouwen worden getroffen. Werk hebben is daarenboven geen garantie om aan armoede te ontsnappen: Europa telt 6 % “werkende armen”. Bij de bestaande banen zijn 12 % van de banen onzeker (40 % Spanje, 22 % Frankrijk) dit vooral door kortetermijncontracten en tijdelijk werk. De kloof tussen opbrengsten van ondernemingen enerzijds en het inkomen van werknemers anderzijds, neemt almaar toe. Midden- en lage inkomens komen onder druk te staan door stijgende kosten van levensonderhoud. 
Tegen deze ontluisterende achtergrond is er de doelstelling van de Lissabonstrategie die armoede in 2010 in de EU wil uitroeien. De EU erkent formeel dat deze doelstelling niet zal gehaald worden.

Armoede en sociale uitsluiting worden volgens het ACW niet uitgeroeid door louter inzetbaarheid op de arbeidsmarkt tot het uiteindelijke doel van sociale insluiting te maken. Beleid op het gebied van de sociale insluiting moet in de eerste plaats de grondrechten van alle mensen waarborgen, nl. een waardig leven leiden en aan de maatschappij deelnemen.

ACW-voorstellen

  1. Werk een EU-doelstelling voor minimumlonen uit met een minimum garantie op een loon van 60 % van het respectievelijke gemiddelde loon. Deze doelstelling moet aangevuld worden met een pakket ondersteunende sociale inclusie-maatregelen.
  2. Zorg een verhoging van het niveau van de sociale bijstand boven de armoedegrens en voer via deze maatregel een minimuminkomen op EU-niveau door. De armoedegrens komt overeen met de Europese armoededrempel (=60% van het mediaan inkomen).
  3. Stel een minimum pensioen in, dat overeenkomt met het minimuminkomen en gekoppeld is aan de welvaartsvastheid; dit om te voorkomen dat de vergrijzing niet leidt tot een demografische kloof in de samenleving.
  4. Herdefinieer het activeringsbeleid op EU-niveau via een op rechten gebaseerde aanpak: nu zorgen te restrictieve regels vanuit de lidstaten voor laagwaardige banen. Een hoogwaardig EU arbeidsmarktbeleid moet “goed werk” en de bevordering van opwaartse sociale mobiliteit als uitvalsbasis hebben.
  5. Ontwikkel in het Europese sociale insluitingsbeleid ook specifieke arbeidsmarktmaatregelen voor kwetsbare groepen:

    • steun voor persoonlijke ontwikkeling;
    • een op de persoon afgestemd traject;
    • baanbehoud bevorderen. Vertaal deze maatregelen ook budgettair in de EU-fondsprogramma's. 
  6. Ontwikkel in de structuurfondsen initiatieven van het type “programma van communautaire initiatieven” die in de programmatie van 2007-2013 geschrapt zijn. Dit programma laat toe aan verenigingen initiatieven rond hersocialisering van de sociaal zwakkeren te nemen en zo bij te dragen aan armoedebestrijding.

BOUWSTEEN 3:  EEN BUDGETHERVORMING MET SOCIALE HERVERDELING ALS LEIDRAAD

Uitgangspunt

De huidige samenstelling van de Europese begroting is gedateerd. De hervorming ervan die tegen 2013 geïnstalleerd wordt moet de nood aan financiële middelen voor sociale herverdeling invullen. Om aan die noden te voldoen, is ook een verhoging van het totale EU-budget via eigen middelen nodig: momenteel bedraagt het EU budget slechts ongeveer 1 % van het EU BNP.

ACW-voorstellen

  1. Koppel de budgethervorming aan beleidsprogramma's om de coherentie van het Europese project te verhogen.
  2. Hanteer publieke sociale goederen en diensten als prioriteiten voor een budget dat sociale herverdeling nastreeft.
  3. Pas het EU-budget aan aan de actuele noden: verschuif het accent van landbouw naar sociale herverdeling.
  4. Zorg voor voldoende middelen voor het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling ter ondersteuning van de Lissabondoelstellingen.
  5. Versoepel de aanvraagcriteria voor het Europees Globaliseringsfonds, met name: 

    • de mogelijkheid om ook opleiding voor werknemers in tijdelijke (economische) werkloosheid te cofinancieren;
    • houdt m.b.t. de wachttijden rekening met de wachttermijnen in de Wet Renault (toepasbaar bij collectief ontslag). Het Europees Globaliseringsfonds houdt immers alleen rekening met ondernemingen waar het collectief ontslag reeds is ingegaan, niet met ondernemingen waar ontslagen werden aangekondigd.
  6. Zorg voor meer eigen middelen in de EU-begroting zodat het algemeen belang als leidmotief geldt bij budgetonderhandelingen.
  7. Maak het Europese Parlement medeonderhandelaar in alle begrotingsbesprekingen.
  8. Geef een nieuw objectief aan de landbouwgelden: een opwaardering voor de duurzame lokale economie.

 

BOUWSTEEN 4:  GAAN VOOR EEN SOCIALE EN DUURZAME FISCALITEIT

Uitgangspunt:

Van een echt EU fiscaliteitsbeleid is nauwelijks sprake. Toch worden we geconfronteerd met een actualiteit, denken we maar aan de huidige financiële situatie, waar zulk een gemeenschappelijk beleid grote voordelen zou inhouden. Een Europese fiscaliteit is namelijk wenselijk wanneer de kosten en baten voor de hele gemeenschap gelden, wanneer er een duidelijk schaalvoordeel is en wanneer het een situatie betreft waar er voldoende homogeniteit is in de preferenties van mensen. Daarbij komt dat hoe mobieler de belastingbasis is, hoe beter het is om de belasting op hoger niveau te organiseren.

ACW-voorstellen

  1. Stel een einde aan de unanimiteitsregel voor fiscale beslissingen Een hervorming van het fiscaal beleid staat of valt met het opheffen van de unanimiteitsregel voor fiscale beslissingen. De meest gehanteerde EU-beslissingsmethode, de medebeslissingsprocedure moet ingesteld worden voor fiscale materies.
  2. Ontwikkel een gemeenschappelijk economisch en monetair beleid om structurele hervormingen op EU-niveau mogelijk te maken die economische crisissen kunnen aanpakken: 

    • de gecoördineerde samenwerking van de Eurozone-lidstaten moet uitgewerkt worden tot een structureel economisch en financieel beleid. Daarenboven moeten de andere lidstaten hier progressief bij betrokken worden;
    • de Europese Centrale Bank moet nauw betrokken worden bij dit structurele en financiële EU-beleid via een daadwerkelijke permanente sociale dialoog met alle Europese autoriteiten, inclusief de sociale partners;
    • naast een stabilisatie van de prijzen moet de Europese Centrale Bank zich ook een financiële stabilisatie en de supervisie over het macro-economisch beleid tot doel stellen.
  3. Voorzie een veilige regulering van de financiële markten mede via een Europese Tobintaks.
  4. Ontwikkel een rechtvaardige fiscaliteit via een belasting op kapitaal 

    • Hef de Europese belastingen volgens de principes van progressiviteit (m.a.w. meer betalen naarmate men meer begoed is of naarmate men meer vervuilt), waarbij belastingen verschuiven van arbeid naar kapitaal (een Europese vermogensbelasting), en waarbij belastingen op milieuverontreiniging en luxeconsumptie worden geheven. Cashflow moet als belastbare basis gehanteerd worden.
    • Voer een Europees beleid dat belasting op kapitaal aanpakt en belasting op arbeid vermindert, doch op die manier dat de totale inkomsten van de overheid behouden blijven of zelfs vermeerderen, en op die manier dat de belastingsdruk op de lagere lonen vermindert. 
  5. Introduceer een harmonisering van de vennootschapsbelastingen Introduceer een Europese harmonisering van de vennootschapsbelastingen via de installatie van een gemeenschappelijke basis en een minimum belastingtarief geldend voor de gehele EU, waar de lidstaten hun eigen tarief aan kunnen toevoegen.
  6. Breid de spaarrichtlijn uit naar alle vormen van spaarinkomsten: 

    • de Europese Spaarrichtlijn moet op korte termijn worden uitgebreid naar alle vormen van spaarinkomsten. Dit betekent dat ook risicovolle beleggingen (aandelen, fondsen die hoofdzakelijk in aandelen beleggen, levensverzekeringen in de vorm van een beleggingsfonds) in de informatie-uitwisseling moeten worden opgenomen;
    • vervang de Europese Spaarrichtlijn op termijn naar een belasting op kapitaal waarin ook risicovolle beleggingen vervat zitten. 
  7. Verduurzaam het Europese fiscaliteitsbeleid: 

    • maak duurzaam energieverbruik betaalbaar
    • promoot de marktinname van hernieuwbare energie
    • verbied milieu-onvriendelijke subsidies
    • voer een debat over een EU-wijde fiscale milieuhervorming 

 

BOUWSTEEN 5:  VERSTERK DE SOCIALE DIMENSIE VAN ONDERWIJS

Uitgangspunt

De rol van het Europees Parlement in het EU-onderwijsbeleid is te beperkt. Daarnaast worden de Lissabondoelen rond levenslang leren en vroegtijdige schoolverlaters niet gehaald.

ACW-voorstellen

  1. Maak de maatschappij eigenaar van de Lissabonstrategie Wij pleiten voor een sterkere rol voor het Europese Parlement en de lokale parlementen. Deze democratisering in het besluitvormingsproces moet in de opvolger van de Lissabonstrategie vastgelegd worden.
  2. Nood aan een breder beleid dan enkel indicatoren Het grote gevaar van benchmarking is dat de koploper te veel gekopieerd wordt zonder zelf naar alternatieven te zoeken. Daarom vragen we bij dit statistisch materiaal een grondige duiding en interpretatie. Daarnaast moeten statistische analyses steeds teruggeplaatst worden naar specifieke contextgegevens.
  3. Werk een ambitieus Europees beleid voor het leerplichtonderwijs uit
  4. Laat kwaliteitsstandaarden niet dicteren door de noden van de arbeidsmarkt: geef meer aandacht aan gediversifieerde leerwegen
  5. Stimuleer werknemers tot levenslang leren: er is nood aan meer uitwisseling van studiekeuzebegeleidingsprocessen
  6. Werk aan de sociale dimensie van onderwijs via een zo vroeg mogelijke start en een integrale aanpak: een cruciale rol voor kleuteronderwijs en preventie en remediëring van leerachterstanden

 

BOUWSTEEN 6:  GELIJKE BEHANDELING EN NON DISCRIMINATIE ALS HOEKSTENEN VOOR EEN GEMEENSCHAPPELIJK MIGRATIEBELEID

Uitgangspunt

Hoofddoelstelling van de nieuwe EU-voorstellen is bijkomende rekrutering en een betere allocatie van werknemers. Een op rechten gebaseerde aanpak ontbreekt. ACW benadrukt dat een migrant beschouwd moet worden als een ‘houder van mensenrechten', niet als een ‘economische eenheid'. Die op mensenrechten gebaseerde aanpak vinden we terug in de fundamentele waarden van het EU-verdrag, maar zien we niet uitgewerkt in de huidige Europese voorstellen. Daadwerkelijk EU-gedefinieerde, geharmoniseerde regels over toelating, het toekennen van een niet-ambigue ‘zekere' legale status en stevige rechten voor derdelanders zouden significant bijdragen tot het versterken van het pad van reguliere migratie, regulier verblijf en reguliere jobs. Het zou een effectieve vorm van een preventief en open beleid inhouden.

ACW-voorstellen

  1. Werk een kansenbeleid via een inclusief integratiebeleid uit voor de aanwezige migranten:

    • Europa moet aangeven welke maatregelen de lidstaten moeten uitvaardigen om de sociale integratie van de migranten te bewerkstelligen. In die optiek moet verder werk gemaakt worden van de uitsluiting van discriminatie, meer mogelijkheden tot beroepsopleiding, renovatie van vervallen stadswijken;
    • ook opleidingskansen zijn fundamenteel. Het Europees onderwijsbeleid moet méér aandacht besteden aan het wegwerken van discriminatie tegenover bepaalde migranten en etnische minderheden;
    • de toegang voor migranten tot gezondheidszorg en sociale diensten moet geoptimaliseerd worden. 
  2. Versterk de werkstandaarden voor iedereen De EU moet een meer proactief migratiebeleid ontwikkelen dat sterke integratie-inspanningen combineert met het respecteren en versterken van werkstandaarden door werkgevers en publieke autoriteiten. Dit moet aan nieuwe en oude migrantengroepen en etnische minderheden gelijke rechten en kansen in de samenleving bieden. Dit in combinatie door en met een verbetering van de sociale cohesie.
  3. Geef langdurig verblijvende derdelanders de status van EU-burger en de daarbij horende sociale en politieke rechten.
  4. Bied ook legale migratiekanalen voor medium en laaggekwalificeerde arbeid en hanteer dus geen sectorale benadering van migratie. In het wetgevende programma van de EU er quasi geen initiatief te vinden is dat legale migratiekanalen aanbiedt voor medium of laaggekwalificeerde arbeid. Zonder zulke legale kanalen zullen sancties voor werkgevers die illegale migranten tewerkstellen grotendeels ineffectief blijven. Ze zullen echter ook leiden tot een verdere onderdrukking en exploitatie van de irreguliere migrantwerknemer.
  5. Los de invulling van knelpuntberoepen niet op via een soepel systeem van economische migratie;
  6. Voorkom brain drain via een ontwikkelingsbeleid gebaseerd op partnerschap;

 

BOUWSTEEN 7:  ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: DE MILLENNIUMDOELEN WAARMAKEN!

Uitgangspunt

Nog steeds heeft 80 % van de wereldbevolking geen toegang tot sociale bescherming, ook al is het een fundamenteel recht, opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De helft van de mondiale actieve bevolking verdient minder dan 1,5 dollar per dag, moet meer dan tien uur per dag in mensonterende omstandigheden werken en geniet geen sociale zekerheid of sociale bescherming. Daartegenover staat dat Europa zich geëngageerd heeft binnen het kader van de Verenigde Naties om collectief 0,7 % van het BNI te besteden aan hulp om extreme armoede uit de wereld te helpen tegen 2015. Meer nog, Europa heeft een afspraak gemaakt om tegen 2010 reeds 0,56 % te behalen, EU en lidstaten samen.

ACW-voorstellen

  1. Vrijwaar ontwikkelingssamenwerking als onafhankelijk beleidsdomein en gebruik het niet ten dienste van een ruimere buitenlandse agenda: 

    • voorkom een instrumentalisering van de ontwikkelingsgelden voor het migratiebeleid van de EU (terugstuur politiek) en voor het EU-veiligheidsbeleid. 
  2. Werk dringend verder aan een terreinvertaling van de Millenniumdoelen:

    • er is nood aan een daadwerkelijk coherent Europees beleid om ontwikkelingsdoelen te realiseren: momenteel wordt vooruitgang belemmerd door een gebrek aan coherentie van de Europese politiek op vlak van sociale zaken, ontwikkelingsbeleid en handel;
    • speciale aandacht moet uitgaan naar fragiele staten: zij blijven het meest achter inzake de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen.
  3. Versterk het democratisch eigenaarschap: maak het Europese Parlement medebeslisser in planning en fondsen en betrek de civiele maatschappij 

    • maak de “middenveldconsultaties” integraal onderdeel van het beleidsproces zoals in de Verklaring van Parijs en Accra was vastgelegd. Objectief moet de totstandkoming van een degelijke CSO zijn die in staat is haar kritische rol t.a.v. van lokale overheden op te nemen. 
  4. Behoud een gericht beleid voor ontwikkelingshulp en fondsen: 

    • Verkies een detectie van prioriteiten in plaats van een toekenning van algemene begrotingssteun;
    • Behoud de specifieke ontwikkelingshulp voor sociale sectoren (gezondheidszorg en onderwijs) via een herinstallering van de 20 % benchmark. 
  5. Installeer een rechtvaardig klimaatbeleid in ontwikkelingslanden: 

    • gebruik een apart budget voor klimaatbeleid in ontwikkelingslanden: hanteer geen dubbele portefeuilles ten nadele van armoedebeleid;
    • installeer stringente sociale en milieucriteria voor klimaatprojecten en biobrandstoffen.
  6. Waardig werk moet integraal deel uitmaken van het intern en extern beleid van de EU: 

    • het moet opgenomen worden in de volgende herziening van de Lissabonstrategie voor wat het interne beleid betreft. Op vlak van extern beleid is er nood aan beleidscoherentie. Zowel inzake de (bilaterale en regionale) buitenlandse betrekkingen, de handelsbetrekkingen als inzake ontwikkelingssamenwerking moet er meer aandacht komen voor waardig werk en sociale bescherming;
    • de beleidsopties die terzake opgenomen werden in de “Renewed Social Agenda” moeten zo snel mogelijk vertaald worden naar operationele beleidsplannen die ook van voldoende budgetten voorzien worden;
    • de EU moet er in haar onderhandelingen expliciet op toezien dat de omstandigheden waaraan buitenlandse bedrijven onderworpen zijn, voldoen aan de criteria van waardig werk. 
  7. Geef sociale bescherming een centrale plaats in het ontwikkelingsbeleid van de EU en haar lidstaten:

    • er moet dringend werk gemaakt worden van een minimum pakket van sociale beschermingsmaatregelen – door de Internationale Arbeidsorganisatie omschreven als de “Global Social Floor”. Dat pakket omvat toegang tot gezondheidszorg, uitkeringen voor kinderen en gezinnen, werkloosheidsuitkeringen evenals pensioenen en uitkeringen voor mindervaliden. Dat pakket moet wereldwijd gegarandeerd worden, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, daarbij aansluitend op de millenniumdoelstelling om tegen 2015 de armoede te halveren. 
  8. Koppel een schuldkwijtschelding niet langer aan economische condities.
  9. Installeer goedkope en betrouwbare banktransfers naar ontwikkelingslanden.

 

BOUWSTEEN 8:  KLIMAATVERANDERING IS DE GROOTSTE MARKTFALING OOIT

Uitgangspunt

Het Europese klimaatpakket met zijn kwantitatieve doelstellingen (20-20-20) heeft nood aan duurzame uitvoeringsmaatregelen. Deze uitvoeringsmaatregelen moeten de CO2-reductie en het verhogen van het aandeel hernieuwbare energie daadwerkelijk realiseren, financieren en controleren.

ACW-voorstellen

  1. Werk ook aan een sociaal klimaatbeleid: erken klimaatverandering als een nieuw sociaal risico en bied hierop ook een antwoord: de creatie van groene jobs, een Europese programmatie voor huisisolatie, een EU-aanpak voor energiearmoede, een supplementair klimaatbudget voor klimaatverandering, … .
  2. Installeer een strengere controle over de liberalisering van de energiemarkt: 

    • werk aan een betere uitwisseling van het potentieel van hernieuwbare energie: start met de aanleg van gelijke stroomnetwerken waarop ook hernieuwbare energieparken op aangesloten worden en neem deze op in de trans-Europese netwerken;
    • installeer een Europese regulator die de energienetwerken controleert;
    • maak sociale openbare dienstverplichtingen afdwingbaar:
      • leg het leveren van energiediensten als openbare dienstverplichting op aan de energieleveranciers en hanteer daarbij een kwantitatieve doelstelling;
      • maak energiebesparing compatibel met de vrije markt: leg percentages energiebesparing op aan energieleveranciers;
    • zie strenger toe op de prijsvorming van energie: energieprijzen moeten in overeenstemming zijn met de reële kosten:
      • laat als EU een prijsregulering toe aan de lidstaten wanneer er onvoldoende marktwerking is;
      • stel paal en perk aan het historische voordeel van grote marktspelers: recupereer de winsten van grote energiespelers voor samenleving en maak zo energiefacturen meer betaalbaar. 
  3. Kies voor een verstandig EU klimaatbeleid en zet maximaal in op energieonafhankelijkheid: 

    • streef daarom binnen het Europese klimaatpakket naar zoveel mogelijk binnenlandse maatregelen;
    • hou de schone technologieprojecten in het buitenland zo beperkt mogelijk en werk hiervoor strikte duurzaamheidscriteria uit. Het welzijn van de lokale bevolking moet het uitgangspunt vormen.
  4. Werk aan een sociale verdeling van de middelen voor emissiehandel: 

    • pleit voor de uitbreiding van het Europese emissiehandelssysteem van de industrie naar een internationaal niveau;
    • bestem de opbrengsten van de emissiehandel volledig voor klimaatmaatregelen: ondersteunende klimaatmaatregelen (adaptatie en mitigatie) in ontwikkelingslanden, intra-Europese maatregelen ten voordele van hernieuwbare energie en maatregelen ter bestrijding van de energiearmoede (duurzame woonaanpassingen, betaalbaarheid energie en afgeleide producten). 
  5. Zorg voor een duurzame en rechtvaardige uitwerking van het biobrandstoffenbeleid: 

    • hanteer afdoende duurzaamheidscriteria die de impact op water, bodem en biodiversiteit bewaken alsook sociale criteria zoals voedsel(grondstoffen)beschikbaarheid, voedselprijzen, volksgezondheid …
    • overweeg de 10 %-doelstelling te verlaten als blijkt dat de tweede generatie biobrandstoffen niet het verhoopte rendement geeft. 
  6. Werk aan een vergroening van transport: 

    • installeer een Europese kilometerheffing voor transport ter vervanging van het bestaande Eurovignette;
    • stel duidelijke beperkingen in op de uitbreiding van het autosnelwegennet;
    • investeer sterk in alternatieven op het wegverkeer zoals spoor- en binnenscheepvaartverkeer;
    • verstreng systematisch de Europese CO2-normen voor personenwagens;
    • verplicht de installatie van een roetfilter voor vrachtwagens op EU-niveau.
  7. Duurzaam productbeleid: kies voor een eenduidige en transparante benadering:

    • zorg via labeling voor prijsdifferentiatie naargelang de energieconsumptie en bewerkstellig zo competitie voor energie-efficiëntie. Daarnaast dient gezorgd voor bijkomende informatie over de stand-by en de uitschakelaar;
    • ‘Witgoed' (koelkasten, wasmachines ...) en ‘bruingoed' (tv, digitale boxen, bureau-apparatuur …) behoeven een gelijkaardige en duidelijke labeling met betrekking tot hun energieverbruik; zorg daarom voor één uniform EU-label;
    • verbied de verkoop van energie- onzuinige producten;
    • promoot het Europese ecolabel als de referentie voor duurzame producten zodat dit gemeengoed wordt voor de Europese consument.

Toetreding van Turkije: stand van zaken

Ieder jaar schrijft de Europese Commissie rapporten over de landen die lid willen worden van de Unie. Vooraleer een land lid kan worden, moet het immers aan een aantal criteria voldoen (vastgelegd in 1993, in Kopenhagen). De Commissie evalueert of het land in kwestie wel voldoende rekening houdt met deze Europese eisen en criteria. Op 8 november kwam het voortgangsrapport van o.a. Turkije uit. De Commissie neemt in dit rapport een voorzichtige, tussentijdse houding aan. Tussentijds want op de EUtop van 15 december wil men een duidelijke stelling voor de toekomst innemen.

Het pad van Turkije sinds de start van de toetredingsonderhandelingen

Turkije heeft de voorbije jaren veel stappen in de goede richting gezet. Net als bij de Oost-Europese landen volstond dat om de onderhandelingen te openen (alles moet niet vanaf de eerste dag perfect in orde zijn). Vorig jaar in oktober werd, na een positief advies van de Commissie, het startschot gegeven voor de onderhandelingen. Sinds 12 juni 2006 wordt er effectief onderhandeld.

Het Commissierapport van 8 november is kritischer dan de vorige rapporten.

De Commissie waardeert dat Turkije zich aansluit bij het Europees buitenlands beleid (b.v. inzake het Midden-Oosten) en dat er enkele domeinen zijn waar Turkije heel vlot de Europese regels overneemt (b.v. onderwijs). 

Maar globaal genomen, wordt Turkije sterk bekritiseerd omwille van diverse redenen:

  • de rol van het leger in de maatschappij is nog steeds te groot;
  • de vrije meningsuiting is onvoldoende beschermd. Vooral artikel 301 van de Turkse strafwet is een doorn in het Europese oog. Dit artikel voorziet in straffen bij belediging van de Turkse staat. Het artikel is geregeld gebruikt om Turken voor de rechter te dagen die de Armeense genocide ter sprake brengen (o.m. Nobelprijswinnaar Pamuk);
  • mensenrechten in het algemeen en vooral rechten van gevangenen, etnische en religieuze minderheden, vrouwen en vakbonden worden nog te systematisch geschonden.

De Commissie erkent wel dat er in deze domeinen vooruitgang wordt gemaakt, maar het verloopt allemaal wat te traag. Turkije heeft de voorbije weken enkele signalen gegeven dat het wil tegemoet komen aan de Europese eisen. Zo wordt gepraat over een afschaffing of toch minstens een nieuwe formulering van het fameuze artikel 301 uit de strafwet. Het is echter vooral een ander dossier dat maakt dat Turkije mogelijk afstevent op een ‘treincrash’ (het nieuwe modewoord in dit dossier, naast ‘de Orient Express’).

Het centrale knelpunt: de case ‘Cyprus’

De situatie is tamelijk paradoxaal: Turkije wil bij een club, waarvan het één van de leden eigenlijk niet wil erkennen, nl. Cyprus. Nog sterker: het Turkse leger bezet sinds 1974 een deel van Cyprus. De Cyprusproblematiek is echter uiterst complex en de VN werkt al lang aan voorstellen om het eiland te herenigingen. Een ultiem voorstel werd in 2004 op papier gezet en met de steun van de EU én Turkije aan de Cyprioten voorgelegd in een referendum. De Turks-Cyprioten ondersteunden het plan, maar de Grieks-Cyprioten hebben het afgewezen.

Toch stond Turkije de voorbije jaren onder grote druk om de bestaande vrijhandelsovereenkomst (de Ankara-overeenkomst) met de oude EU-lidstaten uit te breiden naar de nieuwe lidstaten, met inbegrip van (Grieks)Cyprus. Turkije heeft vorig jaar deze stap op papier gezet, maar houdt in de praktijk nog altijd de zee- en luchthaven gesloten voor Cypriotische schepen en vliegtuigen. Al vele maanden wordt druk uitgeoefend op Turkije om Cyprus te behandelen als een ‘normale’ lidstaat.

Turkije argumenteert echter dat het gedeelte van Cyprus dat het zelf bezet houdt, ernstig gediscrimineerd wordt. Handelsrelaties met Turks-Cyprus zijn inderdaad niet genormaliseerd en de Grieks-Cyprioten proberen ook te vermijden dat er ernstige Europese hulpprogramma’s worden opgezet ten voordele van het (arme) Turks-Cypriotische deel. 

Het Finse EU-voorzitterschap heeft de voorbije weken getracht om de beide dossiers aan elkaar te koppelen: het isolement van Turks-Cyprus zou worden opgeheven en in ruil zou Turkije Cypriotische schepen en vliegtuigen moeten accepteren.

De gesprekken zijn uiteindelijk afgebroken. De druk op Turkije is intussen bijzonder groot geworden. Het leidt geen twijfel dat Turkije op relatief korte termijn zal moeten aanvaarden dat havens en luchthavens worden geopend voor Cypriotische schepen en vliegtuigen. De vraag is of Turkije iets in de plaats zal krijgen.

De kwestie ligt vooral gevoelig omdat de Turkse opinie dit echt als een symbooldossier beschouwt. Met verkiezingen in het vooruitzicht, willen de Turkse leiders liever geen toegevingen doen als daar geen overwinning in een ander dossier voor in de plaats komt (b.v. de opheffing van het isolement van Turks-Cyprus). 

Wat brengt de nabije toekomst?

In december moeten de lidstaten en hun staats- en regeringsleiders conclusies trekken uit het kritische rapport van de Commissie. De Commissie zelf suggereert voorlopig niets. Het dossier kan in december verschillende kanten uit: mogelijk worden de onderhandelingen met Turkije opgeschort, mogelijk krijgt Turkije nog even de tijd om op enkele kritieken te antwoorden, mogelijk worden bepaalde delen van het onderhandelingsproces tijdelijk stopgezet.

Het compleet en onherroepelijk afbreken van de onderhandelingen lijkt geen optie. Turkije heeft in elk geval een aantal bondgenoten: Groot-Brittannië, Italië, maar ook België verdedigen de gematigde aanpak en verzetten zich tegen het afbreken van de onderhandelingen.

Duitsland is enigszins verdeeld, Oostenrijk wil Turkije liever niet en landen als Nederland en Frankrijk zijn ook erg sceptisch. Wie het hele verhaal van op wat afstand bekijkt, ziet al snel dat er iets merkwaardigs aan de hand is. Vele Europese politici, hebben zich de voorbije jaren uitgesproken tegen de toetreding van Turkije: Chirac, Merkel, Oostenrijkse en Nederlandse regeringsleiders.

Uit haast alle opiniepeilingen sinds het begin van de jaren ‘90 blijkt dat de groep ‘tegenstanders’ groter is dan de groep die voor Turkije in de EU pleit. Sommige lidstaten zullen er economisch misschien bij winnen als Turkije lid wordt van de Unie, maar er zullen ook verliezers zijn: er zal immers veel financiële steun naar Turkije gaan en iemand moet betalen. Alle lidstaten zullen in een grotere unie bovendien aan macht verliezen.

Anders gezegd, als men de tegenstand bekijkt, dan zou men niet verwachten dat er nog zoveel goodwill ten aanzien van Turkije is. Het kritische commissierapport zou de tegenstanders zodanig veel munitie moeten geven dat de onderhandelingen misschien wel onherroepelijk worden afgebroken.

En toch gebeurt dat niet. Het proces lijkt nooit echt stil te vallen. Dat is al vele jaren aan de gang: telkens opnieuw worden er stappen gezet. Het ging vaak om kleine stappen, maar ze wezen in dezelfde richting: Turkije kreeg in 1999 officieel erkenning als kandidaat- lidstaat, het land werd intussen herhaaldelijk uitgenodigd om deel te nemen aan semi-formele raadszittingen, Turkije is geregeld aanwezig op de afsluitende lunch van de Europese Raad en vertegenwoordigers van de Turkse Regering en het Parlement maakten volwaardig deel uit van de Conventie die nadacht over Europa’s toekomst.

Commissievoorzitter Barroso had het recent in een toespraak over “de kost van geen- Turkije”. Dit illustreert 2 zaken, ten eerste, dat aan het onderhandelen met Turkije een (economische, maar vooral politieke) kostprijs hangt.

Maar, ten tweede, wil Barroso zeggen dat de kostprijs nog veel hoger zou zijn als we de onderhandelingen nu zouden stopzetten: het zou de stabiliteit in Turkije ondermijnen, misschien een invloed hebben op onze energietoevoer en het diplomatieke incident zou niet te overzien zijn, met alle economische gevolgen vandien.

Men zit gevangen in een dynamiek die onomkeerbaar wordt. En dan kan je je maar beter focussen op de voordelen en de zinvolheid die uit deze dynamiek kan gehaald worden, in plaats van je voor te bereiden op een treincrash. 

 

Arbeidsmigratie vanuit Oost- en Centraal Europa

Ontwerpstandpunt ACW

Inleiding

Het vrije verkeer van personen is een van de fundamentele vrijheden die gegarandeerd worden door de Gemeenschapswetgeving en omvat het recht om in andere lidstaten te leven en te werken. Lang voor de toetreding van de nieuwe lidstaten in 2004 bestond de bekommernis dat de arbeidsmigratie vanuit het Oosten naar het Westen van de Europese Unie te groot zou worden en dat overgangsmaatregelen noodzakelijk waren om de Westerse arbeidsmarkten te beschermen.

Op 1 mei 2004 zijn tien nieuwe landen toegetreden tot de Europese Unie. Het ging om Malta, Cyprus, Polen, Hongarije, Slowakije, Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen en Slovenië. Gezien de reeds bestaande vrijstelling voor onderdanen van de landen binnen de Europees Economische Ruimte zouden logischerwijze ook de onderdanen van deze nieuwe lidstaten moeten vrijgesteld zijn van de verplichting tot het bekomen van arbeidskaarten en vergunningen.

Het bestaande systeem is evenwel gebaseerd op de overgangsbepalingen in het toetredingsverdrag van de Tsjechische republiek, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Slovenië en Slowakije met de Europese Unie. 

Overgangsregelingen

Aan de lidstaten werd de mogelijkheid gegeven om in een driedelige overgangsfase die zich uitstrekt over zeven jaar, en waarvan de eerste fase op 1 mei 2006 eindigt, maatregelen te nemen om de eigen arbeidsmarkt af te schermen van werknemers die afkomstig zijn uit de nieuwe EUlidstaten.

De eerste twee jaar na de toetreding van de nieuwe lidstaten wordt de toegang tot de arbeidsmarkt van de huidige lidstaten geregeld door nationale wetgevingen en het beleid van die lidstaten en door bilaterale overeenkomsten die eventueel met de nieuwe lidstaten zijn gesloten.

De meerderheid van de EU-lidstaten, waaronder België, heeft er voor gekozen om de grenzen niet open te stellen voor werknemers uit acht van de nieuwe lidstaten, met name Polen, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije en Slovenië. Voor de onderdanen van Malta en Cyprus geldt reeds het volledig vrij verkeer van werknemers.

België nam een restrictieve houding aan en behield haar regelgeving inzake arbeidskaarten en arbeidsvergunningen ten aanzien van de werknemers uit de acht nieuwe lidstaten. Deze regeling geldt dus tijdens een overgangsperiode van 2 jaar. De grenzen blijven met andere woorden gesloten tot 1 mei 2006. Binnen deze regeling zijn zowel de Belgische als de buitenlandse bedrijven verplicht de buitenlandse werknemers in België te laten werken aan de Belgische loon- en arbeidsvoorwaarden. 

Na een evaluatie kan de overgangsperiode verlengd worden met 3 jaar (tot 1 mei 2009). Bij ernstige verstoring van de arbeidsmarkt kan een lidstaat deze periode nogmaals met 2 jaar verlengen (tot 1 mei 2011). In totaal kan België dus zijn huidige reglementering inzake buitenlandse werknemers verder toepassen gedurende een periode van nog maximaal 5 jaar.

Problemen met de overgangsregeling

  1. Vanaf 1 mei 2004 is het vrij verkeer van diensten volledig van toepassing voor alle nieuw toegetreden lidstaten, zodat voor zuivere dienstverleningscontracten geen arbeidsvergunning of arbeidskaart meer nodig is voor onderdanen van deze lidstaten. De regeling is gebaseerd op de detacheringsrichtlijn 96/71 van de EU. Dat er wel vrij verkeer is van diensten, en niet van werknemers stelt een probleem. Een Tsjech kan hier dus, in het kader van het vrij verkeer van diensten, door middel van detachering ‘tijdelijk’ diensten komen leveren. De Tsjech wordt dan in zijn eigen land aangeworven en voor een bepaalde periode naar België gezonden om hier diensten uit te voeren voor zijn werkgever uit het land van oorsprong. De begrippen ‘tijdelijk‘ en ‘diensten leveren’ zijn echter zeer rekbaar. De juridische mogelijkheden die het vrij verkeer van diensten biedt, ondergraven de protectionistische maatregelen die België nam volledig.
  2. De mogelijkheid werd gecreëerd om werknemers uit de nieuwe EU-lidstaten in te zetten voor knelpuntvacatures. In de toetredingsakten werd een voorrangsclausule opgenomen, die maakt dat bij gebrek aan geschikte kandidaten uit eigen land of de klassieke EU en ER lidstaten, men voorrang moet verlenen aan de kandidaten uit de acht nieuwe lidstaten. Maar Belgische ondernemingen uit sectoren met knelpuntberoepen moeten door dit vrij verkeer van werknemers een arbeidsvergunning aanvragen om een kracht uit één van deze nieuwe lidstaten te kunnen aanwerven. Dit is een moeilijke procedure. Een aantal bedrijven kiezen dan ook voor alternatieve, makkelijkere wegen die niet legaal zijn.
  3. Ook zelfstandigen uit de nieuwe lidstaten kunnen zonder veel problemen bij ons aan de slag. Het onderscheid maken tussen echte en schijnzelfstandigen afkomstig uit de nieuwe lidstaten, is vaak moeilijk.
  4. Uit een recent rapport van de EU blijkt dat in de landen die hun arbeidsmarkt twee jaar geleden al openstelden, de nieuwe werknemers vooral aan de slag gingen in de niches op de arbeidsmarkt, terwijl de landen die de toegang tot de arbeidsmarkt gesloten hielden vooral een toename van het grijs- en zwartwerk zagen.

Conclusie

De beperking van het vrij verkeer van werknemers heeft zwartwerk doen groeien en heeft ook aangezet een aantal constructies op te zetten met een schijn van legaliteit, die niet in het belang zijn van de Belgische werknemers. De overheid heeft geen zicht op het aantal buitenlandse arbeidskrachten en ondernemingen dat in België actief is. De inspectie heeft niet de mogelijkheden om op een effectieve manier te controleren of de Belgische arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden worden gerespecteerd. 

Het ACW is van oordeel dat de Belgische arbeidsmarkt niet gediend is met een verdere afsluiting voor werknemers uit Oost-Europa. Het ACW is vragende partij om de Belgische arbeidsmarkt vanaf 1 mei 2006 open te stellen, maar koppelt dit aan een aantal strikte voorwaarden:

  • de Belgische en de Vlaamse regelgeving en inspectie-apparaat moet dringend worden versterkt, zodat een sluitende controle mogelijk wordt tegen zwartwerk, schijnzelfstandigheid en andere misbruiken; 
  • er een nauwkeurige registratie nodig is van de tewerkstellingsplaats van de buitenlandse arbeidskrachten;
  • er moet een betere Europese afstemming komen tussen de controlediensten van de verschillende lidstaten;
  • bedrijven die met buitenlandse dienstverleners werken, moeten mede aansprakelijk worden voor inbreuken op sociale rechten en fiscaliteit;
  • er moet worden toegezien dat een behoorlijke huisvesting wordt aangeboden aan de nieuwe werknemers.

Verdere timing

  • De Belgische regering heeft ondertussen aan de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid gevraagd een studie uit te voeren over de impact op de Belgische arbeidsmarkt van de vrije toegang van werknemers van de nieuwe EU-lidstaten. De regering vraagt dat de Hoge Raad haar conclusies presenteert tegen half februari.
  • Bovendien moet er rekening gehouden worden met het rapport dat de Europese Commissie dienaangaande in de loop van de maand januari heeft bekend gemaakt (zie punt 4 hierboven).
  • De sociale partners zullen worden gevraagd om tegen half maart hun advies aan de regering over te maken.
  • Het ACV bereidt een standpunt voor tegen eind februari.

 

 

De Europese Grondwet: stand van zaken

Op 1 mei 2004 breidde de Europese Unie voor de vijfde keer uit. De toetreding van Estland, Let-land, Litouwen, Polen, Tsjechië, Slovakije, Hongarije, Slovenië, Malta en Cyprus, was meteen ook de grootste uitbereiding aller tijden. Samenwerken met 25 in plaats van 15 lidstaten is echter geen sinecure. Grondige hervormingen drongen zich op, anders dreigde de EU onwerkbaar te worden. De Europese Grondwet moest een antwoord worden op deze uitdaging. ‘Hoe kunnen we de Euro-pese besluitvorming versterken, de vroegere Europese verdragen bundelen en vereenvoudigen en de burgers meer bij de EU betrekken?’ waren dan ook de hoofdvragen bij het opstellen van de grondwet.

De Ratificatieprocedure

De Europese Grondwet is op 29 oktober 2004 in Rome ondertekend door de regeringsleiders en staatshoofden van alle EU-lidstaten. De ceremoniële ondertekening van de Europese Grondwet was de eerste stap op weg naar de inwerkingtreding. Nu zijn de parlementen uit alle lidstaten aan zet. Zij moeten de ratificatie hebben afgerond binnen een tijdsbestek van twee jaar, voor november 2006.

In ten minste acht landen gaat een referendum deze parlementaire goedkeuring vooraf. Frank-rijk, Ierland en Denemarken kennen een bindend referendum. De Franse, Ierse en Deense par-lementen zijn verplicht de uitkomst van de volksraadpleging te respecteren. Ook zes andere lidstaten organiseren referenda (met voorbehoud voor Tsjechië). Deze referenda zijn raadplegend van aard. Dit wil zeggen dat het parlement eventueel kan besluiten om de Eu-ropese Grondwet te aanvaarden, zelfs bij een negatieve uitslag van het referendum. 

De Fransen hebben zich op zondag 29 mei 2005 uitgesproken over de Europese Grondwet. Bij een hoge opkomst van 70,5 procent stemde bijna 56 procent van de Fransen tegen. Op 1 juni 2006 hebben ook de Nederlanders de Europese grondwet afgewezen. Volgens het Ne-derlandse persbureau ANP stemde 61,6 procent tegen de Europese Grondwet. Het referendum in Nederland is enkel raadgevend maar de Tweede Kamer zou het resultaat wel respecteren indien meer dan 30 procent van de kiezers zou opdagen. Die 30 procent werd makkelijk gehaald. Een uur voor de sluiting van de stembureau’s was al meer dan de helft van de kiezers komen stemmen.

Na de afwijzing van het verdrag in Frankrijk en Nederland klonk het alom dat de goedkeurings-procedures moesten doorgaan. Alle lidstaten van de EU moesten zich kunnen uitspreken. Pas na 2 jaar (op 1 november 2006) zou er een balans opgemaakt worden. Indien zes lidstaten het ver-drag niet goedkeurden, zou de grondwet definitief begraven worden. Als het er minder dan zes waren, zouden de Europese staatshoofden en regeringsleiders een oplossing zoeken. Dat waren ze overeengekomen in een politieke “verklaring 30” die bij het grondwettelijk verdrag gevoegd is.

Maar de sfeer is de jongste dagen helemaal omgeslaan. De Britse minister van Buitenlandse zaken Jack Straw heeft ondertussen in het Britse Parlement aangekondigd dat er voorlopig in Groot-Brittannië geen referendum komt over de Europese grondwet. De wet die dit mogelijk moet maken, zal niet worden ingediend. Straw sluit evenwel niet uit dat er later een referendum wordt georganiseerd. De Britse politici zijn er zich van be-wust dat een referendum in hun land zou leiden tot alweer een “neen”. De Britse regering wil die afkeuring vermijden en zoekt naar een andere manier om de grondwet te redden. Ook Tsjechië stelt het referendum over de grondwet voor onbepaalde tijd uit.

Uit peilingen blijkt nu dat er een domino-effect aan de gang is in de publieke opinies ten voordele van “neen”. Zelfs in Luxemburg is er nu grote onzekerheid. De ja-stemmers halen ook daar niet meer de helft. Bij de christen-democratische EVP werd gepleit voor een onderbreking van het goedkeuringsproces. Onder andere Jean-Luc Dehaene pleit ervoor dat de Europese staatshoofden en regeringsleiders op de Top van 16 en 17 juni een “opschorting” afspreken van de goedkeurings-procedures, voor een welbepaalde periode. Dat moet het mogelijk maken dat er een oplossing voor de crisis gevonden wordt.

Het Belgische parlement heeft de Europese Grondwet goedgekeurd. In juni 2004 kondigde premier Guy Verhofstadt nog aan dat hij de goedkeuring graag via een nationaal referendum wilde laten verlopen. Na een uiterst moeizame parlementaire discussie over de wenselijkheid van een referen-dum, bleek hier in januari 2005 een nipte meerderheid tegen. De Belgische senaat stemde op 28 april 2005 over het wetsontwerp waarmee de Belgische regering de Europese Grondwet goedkeurt. Het wetsvoorstel kreeg een ruime meerderheid: 54 senatoren stemden voor (socialisten, liberalen, christendemocraten en groenen); negen senatoren stemden tegen (Vlaams Belang en FN); en er was één onthouding. De Kamer van Volksvertegenwoordigers keurde op 19 mei 2005 de Europese grondwet goed. Het debat dat aan de stemming vooraf ging, werd niet met bijzonder veel geestdrift gevoerd. Bij voor-baat stond immers vast dat een overgrote meerderheid voor zou stemmen. Van de 137 aanwezige Kamerleden stemden 118 voor, 18 tegen (de fractie Vlaams Belang), en er was één onthouding. Met een ‘ja’ van de Belgische Senaat en Kamer van Volksvertegenwoordigers is de goedkeurings-procedure nog niet voltooid.

Om in werking te treden, moet de Europese Grondwet nog een fiat krijgen van de volgende organen:

  • het Vlaams Parlement
  • het Waals Parlement
  • het Brussels Parlement
  • de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) in Brussel
  • de Franse Gemeenschapscommissie (Cocof) in Brussel
  • het parlement van de Franse gemeenschap
  • het parlement van de Duitstalige gemeenschap

Momenteel hebben dus slechts twee van de negen institutionele organen hun akkoord gegeven. Gezien de grote politieke meerderheid voor de Europese Grondwet, lijkt de goedkeuring door de overige organen overigens een formaliteit.

ACW en de Europese grondwet

Het ACW is en blijft grote voorstander van verdere Europese éénmaking én van de Europese Grondwet. Hoe klein de vooruitgang die de grondwet teweegbrengt ook is, het is een vooruitgang, en wel om volgende redenen:

Meer democratie

Het Europees parlement krijgt op een flink aantal terreinen medebeslissingsrecht. Nu kan het EP vaak niet meer dan een advies uitbrengen. Met de grondwet mag het meebeslissen over bijvoor-beeld de landbouwbegroting, de grootste kostenpost van de EU. Ook de nationale parlementen worden meer betrokken.

Slagvaardiger bestuur

Aanzienlijk meer besluiten kunnen genomen worden met ‘gekwalificeerde meerderheid’. Dit is bijvoorbeeld het geval op gebied van justitie en politie. Er hoeft dus niet meer eindeloos onderhandeld te worden totdat iedereen het helemaal eens is over een slap compromis. In een Unie met nu 25 lidstaten is dat erg moeilijk. Ook wordt de Europese Commissie kleiner en daarmee slagvaardiger. Op dit moment hebben sommige commissarissen een erg kleine portefeuille. In het nieuwe toerbeurtsysteem komen alle landen even vaak aan bod.

Grotere rol in de wereldpolitiek

De grondwet introduceert de Europese minister van Buitenlandse Zaken, waarmee de EU een dui-delijker gezicht krijgt voor de buitenwereld. De lidstaten zullen met elkaar moeten overleggen voordat ze elk met een eigen standpunt komen. De EU-lidstaten die lid zijn van de VN- 2 veiligheidsraad moeten onderling overleggen en de andere lidstaten op e hoogte houden. De Euro-pese minister van Buitenlandse Zaken kan daar het standpunt van de EU verwoorden. Ook worden in de grondwet afspraken gemaakt over meer samenwerking op het gebied van defen-sie, waardoor Europa als het nodig is militaire operaties kan uitvoeren of snel vredestroepen kan sturen.

Een socialer Europa

Volgens de grondwet moet Europa zich richten op ‘volledige werkgelegenheid en sociale vooruit-gang’. Ook moet de unie sociale rechtvaardigheid en gelijkheid tussen man en vrouw bevorderen. De belangrijke rol van overleg tussen werkgevers en vakbonden ligt vast in de Europese grondwet. Op het terrein van sociale zekerheid is een ‘noodrem’ ingevoerd. Als België vindt dat een Europees besluit onze sociale zekerheid in gevaar brengt, kan België op de beslissing terugsturen. We hou-den dus het laatste woord over ons sociale zekerheidsstelsel. 

Burgerrechten in de grondwet

De EU is meer dan een economische club: het is een waardengemeenschap waar vrede, vrijheid en democratie voorop staan. De grondwet bevat een Handvest van grondrechten waarin die waarden en de rechten van de burgers zijn vastgelegd. Het is meer dan een stuk papier: Europese instellin-gen zijn verplicht zich eraan te houden, en burgers kunnen makkelijker naar de rechter stappen als ze menen dat een instelling hun rechten schendt.

Meer invloed voor de burger

Om de kloof tussen de burger en Brussel minder groot te maken, komt er het Europees burgeriniti-atief: een miljoen Europeanen kunnen de Commissie verzoeken een wet te maken. De Commissie is verplicht het verzoek te bespreken. In de grondwet staat daarenboven dat burgers een klacht kunnen indienen bij de Europese Om-budsman voor de Europese Unie. Een belangrijk deel van de vergaderingen van Europese ministers wordt openbaar: alle vergaderin-gen die over wetten gaan. Media, volksvertegenwoordigers en burgers kunnen dus makkelijker in de gaten houden wat hun regeringen met elkaar afspreken. Ook representatieve organisaties en het maatschappelijk middenveld worden actiever betrokken bij de Europese besluitvorming.

Betere terreur- en misdaadbestrijding

Terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit roepen om een gezamenlijke aanpak binnen Eu-ropa. Besluiten daarover worden volgens de grondwet met een meerderheid van stemmen geno-men, en kunnen dus niet door een veto worden geblokkeerd. De grondwet maakt het onder meer mogelijk dat er een Europees Openbaar Ministerie komt, dat internationale misdaad effectiever kan aanpakken.

Een beter asiel – en migratiebeleid

Met de grondwet kan er een Europees asielstelsel komen. Daarmee zou voorkomen moeten worden dat asielzoekers binnen Europa doorreizen naar het land met de aantrekkelijkste regels. 


Ontwerp van Europese Grondwet: ja, maar …

ACW, ACV en MOC formuleren enkele “sociale bedenkingen” bij het ontwerp van Europese Grondwet

Afgelopen zaterdag vond in Rome het begin van de Intergouvernementele Conferentie plaats, die de komende maanden zal werken aan een nieuwe Europese Grondwet. Het worden hele belangrijke werkzaamheden, want de Grondwet moet de Europese Unie hervormen met het oog op de uitbreiding naar 25 Lid-Staten.

Het belang van deze oefening werd afgelopen zaterdag ook in de verf gezet door twee betogingen, namelijk die van de vakbonden en die van de antiglobalisten. De eersten pleitten voor een meer sociaal Europa, de tweede groep wou een “ander” Europa.

Het ACW, de koepel van christelijke werknemersorganisaties, het ACV, de christelijke vakbond, en het MOC, de Mouvement Ouvrier Chrétien, willen genuanceerd reageren bij de aanvang van de Intergouvernementele Conferentie.

Er zijn in het Ontwerp van Europese Grondwet, zoals die door de Europese Conventie is goedgekeurd, te weinig sociale accenten gelegd, zodat grote (sociale) vooruitgang achterwege blijft. ACW, ACV en MOC betreuren dit ten zeerste. Vooral rond drie punten wensen ACW, ACV en MOC bijsturingen tijdens de Intergouvernementele Conferentie.

Het ACW, ACV en MOC betreuren dat de Europese Conventie er niet in geslaagd is een doorbraak te doen inzake het nemen van Europese beslissingen op onder andere het sociaal en fiscaal vlak en in het kader van het buitenlands beleid, met gekwalificeerde meerderheid. Evenmin worden de mogelijkheden tot medebeslissing van het Europees Parlement vergroot. Wanneer de Intergouvernementele Conferentie er niet in slaagt om op deze domeinen doorbraken te forceren, dan zal het zeer moeilijk zijn om op bepaalde aspecten van het sociaal beleid en op het vlak van het fiscaal beleid nog vooruitgang te boeken in Europa. Want overeenstemming bereiken met 25 landen betekent dat er zo goed als niets meer zal mogelijk zijn.

En het feit dat wordt bepaald dat de Europese Raad unaniem een wet kan goedkeuren waardoor in de toekomst die beslissingen met gekwalificeerde meerderheid kunnen genomen worden, is slechts een doekje voor het bloeden, omdat de grendel van de unanimiteit niet weg is !

Ook de zogenaamde open coördinatiemethode, die het nationaal beleid coördineert aan de hand van een aantal afgesproken Europese doelstellingen en die een politiek instrument is, baart het ACW, ACV en MOC zorgen, ook staan wij positief tegenover dit instrument op zich. In de sociale politiek wordt hierdoor mogelijk dat de Europese Commissie, bij het nemen van een initiatief, de keuze kan maken tussen ofwel een wetgevend initiatief, ofwel een toevlucht in een open coördinatiemethode. Hierdoor lopen we het risico dat de Commissie in de toekomst veeleer een beroep zal doen op de “zachtere” methode eerder dan op dwingende Europese wetgeving. Het ACW, ACV en MOC vragen dat de open coördinatiemethode in sociale aangelegenheden enkel zou kunnen worden aangewend wanneer de Unie met unanimiteit beslissingen moet nemen (bv. inzake sociale zekerheid en pensioenen), of wanneer de Unie geen rechtsgrondslag heeft in bepaalde sociale domeinen (bv. strijd tegen sociale uitsluiting).

Tenslotte willen ACW, ACV en MOC een pleidooi houden voor de schrapping van de “uitgesloten domeinen” in de sociale politiek. We betreuren het dat de domeinen die totnogtoe waren uitgesloten van Europese wetgeving of initiatieven (beloning, recht van vereniging, stakingsrecht en recht van uitsluiting), uitgesloten blijven van die Europese wetgeving of initiatieven. Het mogelijk maken van dergelijke initiatieven rond bijvoorbeeld “beloning” kan de druk op grote bedrijven om hun investeringen te verplaatsen naar andere landen binnen de Europese Unie, verkleinen. Wij zijn van oordeel dat moet worden getracht deze beperking alsnog te schrappen tijdens de komende Intergouvernementele Conferentie.

Pas indien rond deze punten een oplossing komt tijdens de komende IGC zal van echte sociale vooruitgang kunnen gesproken worden. Want deze elementen komen dan bij drie andere aspecten van de Europese Grondwetstekst die het ACW, ACV en MOC positief beoordelen.

Positief is op de eerste plaats de opname van het Handvest van de Grondrechten in de Grondwet, met bindende rechtskracht. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat het Europees Hof van Justitie het beleid van de Europese Unie toetst aan deze rechten. Onder deze rechten bevinden zich heel wat sociale rechten, zoals het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie, rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en –voorwaarden, of het recht op sociale zekerheidsvoorzieningen of gezondheidszorg. ACW, ACV en MOC zijn ook verheugd dat het ontwerp van Europese Grondwet de rol van de sociale partners in vedette stelt, en het brede middenveld een rol geeft bij het totstandkomen van het Europese beleid.

Tenslotte voldoen ook de waarden en doelstellingen van de Europese Unie aan de verwachtingen van het ACW, ACV en MOC. Vooral de doelstelling dat Europa zich zal inzetten voor een sociale markteconomie (…), gericht op volledige tewerkstelling en sociale vooruitgang, kan onze uitdrukkelijke goedkeuring wegdragen.

 

Pagina top 5

Wat is ACW ? (25307 views)
Herfst 2013 (21244 views)
Vacatures (16973 views)
Downloads (14386 views)

Contact opnemen

  • ACW algemeen secretariaat
    Postbus 20 - 1031 Brussel
    tel. 02 246 31 11
    e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • Wegbeschrijving