Middenveld

De nieuwe vrijwilligerswet en de buitenlandse vrijwilligers

De Kamer van Volksvertegenwoordigers keurde op 8 juni 2006 het wetsvoorstel goed dat de wet betreffende de rechten van de vrijwilligers van 3 juli 2005 op een aantal punten wijzigde. De nieuwe wet werd van kracht op 1 augustus 2006. 1 Deze nieuwe wet kwam er op vraag van tal van verenigingen en vrijwilligers. In Vlaanderen zijn honderdduizenden mensen actief als vrijwilliger en deze nieuwe regelgeving moest dit enthousiasme ondersteunen. Door deze wet werd de reglementering beter afgestemd op de praktijk.

Deze nieuwe vrijwilligerswet heeft tal van voormalige pijnpunten weggewerkt. Het doel van deze wet om een duidelijk kader te scheppen waarbinnen vrijwilligerswerk kon gebeuren, is grotendeels geslaagd. Dat neemt niet weg dat deze vrijwilligerswet geen oplossing aanreikt voor het vrijwilligerswerk van buitenlanders en vreemdelingen.

Vrijwilligerswerk: wat? 

Een vrijwilliger is iemand die onbezoldigd en onverplicht een activiteit verricht ten behoeve van derden en die ingericht wordt door een organisatie:

  • onbezoldigd: tegenover het verrichten van de activiteit staat geen financiële prestatie in de vorm van een loon (onderscheid met arbeid dat een bezoldigde prestatie is). Een vergoeding van gemaakte kosten kan indien voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden;
  • onverplicht: er is geen dwang om vrijwilligerswerk uit te oefenen. Er kunnen dus géén sancties opgelegd worden als een bepaalde activiteit niet uitgevoerd wordt;
  • in georganiseerd verband: vrijwilligerswerk wordt ingericht door een organisatie die geen winst mag nastreven (vzw, publiek rechtspersoon zonder winstoogmerk, feitelijke vereniging).

Er kan natuurlijk blijvend discussie bestaan wanneer er sprake is van vrijwilligerswerk:

  • een persoon die lid is van een organisatie en deelneemt aan activiteiten van die organisatie is geen vrijwilliger. Een vrijwilliger steekt een handje toe binnen de organisatie;
  • hulp aan familie of vrienden valt niet onder de noemer van ‘vrijwilligerswerk’ (behalve indien deze activiteit gecoördineerd wordt door bijvoorbeeld een mantelzorgorganisatie);
  • een persoon kan vrijwilligerswerk verrichten in een organisatie waarin hij is tewerkgesteld, maar die activiteiten staan dan volledig los van zijn andere beroepsactiviteiten;
  • schoolplichtige jongeren kunnen aan vrijwilligerswerk doen van zodra ze 15 jaar zijn en niet meer onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht;
  • ook wie een uitkering krijgt, mag vrijwilligerswerk verrichten.

Het vrijwilligerswerk en haar maatschappelijk nut

In onze huidige samenleving en in de conceptualisering van de ‘actieve welvaartsstaat’ ontstaat vaak de indruk dat heel wat leden van onze samenleving zich passief opstellen. Vlaanderen is echter een dynamische regio waar honderdduizenden mensen actief zijn als vrijwilliger.

De noodzaak aan een actieve welvaartsstaat is ingegeven vanuit een economisch oogpunt. Er moeten méér mensen aan de slag via arbeid. Arbeid wordt dan gezien als “het geheel aan sociaal nuttige en bezoldigde activiteiten die worden uitgeoefend op de arbeidsmarkt”. In deze opvatting gaat men soms onterecht voorbij aan het feit dat er buiten die arbeidsmarkt ook een groot aantal andere, onbezoldigde, sociaal nuttige activiteiten bestaan: het verzorgen van gezinsleden of het socio-culturele engagement in vrijwilligersorganisaties. Hoewel onttrokken aan de formele economie kan men niet ontkennen dat deze onbezoldigde activiteiten een sociale waarde kunnen hebben die een verrijking betekenen voor onze samenleving en uiting geven aan inter- en intragenerationele solidariteit.

Het betreft hier voornamelijk activiteiten met een conventioneel sociaal nut: deze activiteit beoefent een individu niet louter ten gunste van zichzelf, maar ook ten gunste van de gehele maatschappij, zoals de opvoeding van kinderen, huishoudelijke taken, de verzorging van bejaarden en zieken en het vrijwilligerswerk.

Het nut van vrijwilligerswerk kan niet genoeg beklemtoond worden.

  • Detectiefunctie: vrijwilligers constateren vaak problemen in een buurt waar professionele diensten aan voorbij gaan. Op die manier worden sociale problemen aangepakt die zich voor hun deur afspelen en worden aangereikt bij bevoegde diensten of beleidsmakers. Zij vertolken dus een brug- en signaalfunctie.
  • Groepsgebeuren: vrijwilligerswerk voorziet mensen van sociale contacten in de parochie, buurt, wijk, gemeente of stad. Ze verleent vorm aan de sociale cohesie. Vrijwilligers komen samen om een gemeenschappelijk doel te bereiken. Vrijwilligerswerk doet dus een beroep op solidariteit, samenwerking en engagement.
  • Nut voor organisatie en individu: vrijwilligers bepalen de dynamiek en de werking van tal van organisaties. Men raakt er vertrouwd met democratische onderhandelings- en consensusprincipes. Het individu ontplooit er zichzelf, leert organisaties kennen en samen met anderen een doel bereiken. Vrijwilligerswerk leert mensen ervaren dat het niet loont bij de pakken te blijven zitten en geeft vorm aan de ‘maakbaarheid van de samenleving’.
  • Integratie: vanuit de minderhedensector wordt vrijwilligerswerk als een prioriteit beschouwd. Vrijwilligerswerk biedt aan vreemdelingen de kans om vertrouwd te raken met en geïntegreerd te geraken in onze samenleving. Het brengt mensen in contact met elkaar op een uitermate spontane manier. Vrijwilligerswerk fungeert dus als een onmisbare hefboom tot integratie.

Vanuit het nut van het vrijwilligerswerk voor het individu, de organisatie als de samenleving werd door de vrijwilligersorganisaties een versoepeling bepleit. Daar werd grotendeels gehoor aan verleend door de nieuwe wet op vrijwilligerswerk, die een aantal hiaten uit de oude wetgeving wenste weg te werken.

Aanpassingen in de nieuwe vrijwilligerswet 

Het wetsvoorstel tot wijziging van de wet ‘betreffende de rechten van vrijwilligers’ omvat een aantal fundamentele wijzigingen die een verbetering betekenen in vergelijking met de situatie uit het verleden. De belangrijkste punten van wetswijziging worden op een rijtje gezet.

Vormvrije informatieplicht

Met ingang van deze nieuwe wet geldt voor vrijwilligersorganisaties de vormvrije informatieplicht. Een organisatie is verplicht haar vrijwilligers te informeren over vijf kernelementen: 

  • de sociale doelstelling en het juridische statuut van de organisatie: vzw, feitelijke vereniging of publieke rechtspersoon zonder winstoogmerk (ziekenhuis, OCMW, gemeente);
  • het verzekeringscontract betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid die de organisatie voor haar leden heeft afgesloten;
  • eventuele bijkomende verzekeringen;
  • de uitbetaling van een eventuele onkostenvergoeding en de modaliteiten (forfait of bewijslast);
  • de geheimhoudingsplicht van de vrijwilliger.

Deze informatieplicht is niet onderworpen aan vormvoorschriften. De organisatie kan zelf beslissen via welke kanalen ze de vrijwilligers inlichten: website, ledenblad, uithangen in het lokaal, enzovoort. De organisatie moet wel kunnen bewijzen dat haar vrijwilligers op de hoogte zijn van de bovenstaande bepalingen.

Uitkeringsgerechtigden

De uitoefening van het vrijwilligerswerk werd eveneens vereenvoudigd voor personen die een uitkering ontvangen. Bedoeling van deze versoepeling was uitkeringsgerechtigden en bruggepensioneerden op een meer soepele manier aan vrijwilligerswerk laten doen.

  • Uitkeringsgerechtigde werklozen en bruggepensioneerden moeten voorafgaand een formulier (C45B) indienen bij de Rijksdienst voor Arbeidsbemiddeling. Indien de betrokkene 14 dagen na het indienen van het volledige formulier géén beslissing ontvangt van de RVA, wordt het vrijwilligerswerk geacht aanvaard te zijn. In de praktijk dienen echter zij gewoon “melding” te maken.
  • Gepensioneerden zijn vrijgesteld van de melding aan de Rijksdienst voor Pensioenen.
  • Zieken met een vervangingsinkomen moeten een akkoord hebben van de adviserend geneesheer met de vaststelling dat de vrijwilligersactiviteit verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene. 

Aansprakelijkheid

De nieuwe vrijwilligerswet geeft de vrijwilliger betreffende aansprakelijkheid opnieuw de principiële immuniteit. Dat betekent dat de organisatie burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de schade die de vrijwilliger berokkent aan een derde bij het verrichten van vrijwilligerswerk. Deze immuniteit is enkel voorzien voor vrijwilligers die werken voor een gestructureerde organisatie:

  • private of publieke rechtspersonen zonder winstoogmerk;
  • feitelijke verenigingen die personeel tewerkstellen;
  • feitelijke verenigingen die als een afdeling kunnen beschouwd worden van de bovenstaande.

Voor vrijwilligers die betrokken zijn in één van bovenstaande organisaties geldt dat de (koepel)organisatie verantwoordelijk is voor schade door een lichte fout van de vrijwilliger. De organisatie kan zich echter aan die aansprakelijkheid onttrekken indien de vrijwilliger schade berokkent tengevolge van bedrog, een zware fout of herhaaldelijk lichte fout. In dit geval blijft de vrijwilliger aansprakelijk.

Voor andere feitelijke verenigingen of niet-gestructureerde organisaties (bijvoorbeeld een buurtcomité) blijft de voormalige aansprakelijkheidsregeling van toepassing. Dat betekent dat de vrijwilliger die schade berokkent, kan terugvallen op zijn familiale polis (indien hij er één heeft wel te verstaan). 

Verzekeringsplicht

De gestructureerde organisaties dienen vanaf 1 januari 2007 een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid af te sluiten voor hun vrijwilligers waarvoor zij aansprakelijk zijn betreffende een lichte fout. De aansprakelijkheid en verzekeringsplicht liggen bij de (koepel)organisatie. Niet-gestructureerde organisaties zijn echter niet onderworpen aan deze verzekeringsplicht. Zij krijgen wel de raad zich aan te sluiten bij een collectieve verzekeringspolis die de aansprakelijkheid van de vrijwilligers dekt. Het ‘Initiatief Tuybens’ heeft voor niet-gestructureerde vrijwilligersinitiatieven (barbecue, buurtcomité) een oplossing aangeboden via een gratis verzekering waarbij premies werden aangeboden met Lotto-middelen.

De wetswijziging voorzag aan de organisaties ook de mogelijkheid om mits betaling van een premie, zich aan te sluiten bij een collectieve federale polis. In de vernieuwde wet werd een modelpolis in het vooruitzicht gesteld die door verschillende verzekeraars zou aangeboden worden. In de realiteit is dit slechts ten dele gerealiseerd: er zijn enkel modelvoorwaarden opgesomd.

Ook de schade ten gevolge van een lichte fout door de vrijwilliger op weg van of naar het vrijwilligerswerk wordt sinds de wetswijziging gedekt. De verplichte verzekering van de organisatie dekt die schade, tenzij het een verplaatsing met de wagen betreft. In dat geval blijft de persoonlijke autoverzekering de schade dekken.

Onkostenvergoeding

Een vrijwilligersactiviteit is principieel onbezoldigd. De kosten die een vrijwilliger maakt, kunnen worden terugbetaald zonder dat daarop sociale bijdragen of belastingen moeten worden betaald. Een organisatie kan een keuze maken tussen een tweetal systemen:

  • de vrijwilliger bewijst alle kosten en krijgt die zonder beperking uitbetaald;
  • de organisatie past een forfaitair systeem toe. Die wordt voor elke vrijwilliger begrensd:
    • maximaal € 27,92/dag
    • maximaal € 1.116,71/jaar 

Beide systemen zijn door één en dezelfde vrijwilliger niet te cumuleren. Wanneer een vrijwilliger in meerdere verenigingen actief is, dan mogen de vergoedingen bij alle verenigingen gecumuleerd de dag- en jaargrenzen niet overschrijden. Jongeren die bijvoorbeeld jobstudent zijn bij de gemeente kunnen in datzelfde jaar géén vrijwilliger méér zijn bij de gemeente, tenzij er een andere taakomschrijving in het geding is.

In de oorspronkelijke wettekst was er naast een dag- en jaargrens ook sprake van een kwartaalgrens. Onder druk van de sector der speelpleinwerkingen is een kwartaalgrens komen te vervallen. De wetswijziging voorziet dus tevens een schrapping van de kwartaalgrens. Een in de tijd beperkt en geconcentreerd engagement zoals bij de speelpleinwerking wordt door deze schrapping gefaciliteerd.

Blijvende knelpunten in wetgeving

De nieuwe vrijwilligerswet heeft heel wat knelpunten weten weg te werken. Dat neemt niet weg dat die nieuwe vreemdelingenwet nog aan discussie onderhevig is, omdat bepaalde actoren nog een tweetal discussiepunten uitgeklaard willen zien.

Arbeidsrecht en vrijwilligerswerk

In de oude wetgeving viel het vrijwilligerswerk onder de arbeidswetgeving. Krachtens artikel 9 van de wet valt het vrijwilligerswerk onder de toepassing van het arbeidsrecht. Daardoor moeten organisaties waar vrijwilligers ‘onder gezag’ werken de arbeidsrechtelijke bepalingen respecteren en naleven (arbeidsduur, rustpauzes, verbod op kinderarbeid, verbod op discriminatie, verplichte zondagsrust).

Over die toepassing van het arbeidsrecht bestaat heel wat discussie. De voorstanders zeggen dat vrijwilligerswerk gelijkaardig is aan betaalde arbeid en dat daarom dezelfde maatregelen van toepassing moeten zijn. Tegenstanders beroepen zich echter op het verschil dat zij waarnemen tussen betaalde arbeid en vrijwilligerswerk. Ze ontkennen niet dat vrijwilligers ook in goede omstandigheden actief moeten kunnen zijn, maar willen niet dat het volledige arbeidsrecht van toepassing is of wordt.

Sedert de laatste wetswijziging is het duidelijk dat getracht wordt het arbeidsrecht op een ‘zachte manier’ van toepassing te laten zijn op het vrijwilligerswerk. De wetgever wenst daarmee een instrument in de hand te houden om bijvoorbeeld bij klachten te gaan inspecteren of de organisatie wel correct met haar vrijwilligers omspringt. Dat instrumentarium beschermt de vrijwilliger bij zwangerschapsrust, op een verbod op kinderarbeid, op veiligheid en hygiëne op het werk, enzovoort.

Vrijwilligerswerk door vreemdelingen

Op dit ogenblik mogen enkel vreemdelingen uit de Europese Unie en ‘gelijkgestelde’ vreemdelingen (gehuwd met een Belg of onderdaan van de EU, die vrijgesteld zijn van de verplichting van een arbeidskaart of vreemdelingen met onbeperkt verblijfsrecht) zonder problemen vrijwilligerswerk verrichten, mits zij natuurlijk voldoen aan de gestelde formaliteiten.

Doordat de oude wetgeving gekoppeld was aan het arbeidsrecht, hebben vreemdelingen een arbeidskaart nodig om aan vrijwilligerswerk te doen. Het bezit van een arbeidskaart A, B of C volstaan nochtans niet, omdat zij op hun beurt geen toegang verlenen tot het vrijwilligerswerk. Arbeidskaarten A en C gelden enkel voor arbeid in loondienst en arbeidskaart B kan slechts bekomen worden indien een arbeidsovereenkomst kan voorgelegd worden. Dat betekent in de praktijk dat heel wat personen van buitenlandse origine géén vrijwilligerswerk mogen verrichten, evenmin als mensen zonder papieren en asielzoekers in procedure. Enkel vreemdelingen die geen arbeidsvergunning nodig hebben in ons land (EU-burgers) mogen zich als vrijwilliger inzetten.

De basisintentie van de nieuwe wet bestond erin het vrijwilligerswerk voor vreemdelingen even toegankelijk te maken als voor de Belgen. Maar dergelijk beleid draagt gevaren in zich:

  • een volledige loskoppeling betekent dat de vrijwilliger niet langer beschermd wordt vanuit arbeidsrechtelijke bepalingen en zet de deur open voor misbruik van de vreemdeling-vrijwilliger door zijn werkgever;
  • het terugdringen van de reguliere arbeidsmarkt;
  • een derde gevaar is het open zetten van een deur tot mogelijk zwartwerk.

Vandaar wenste het beleid enkele voorwaarden te koppelen aan het vrijwilligerswerk voor vreemdelingen. De regering diende deze voorwaarden verder te verfijnen via een koninklijk besluit. Deze bepaling werd duidelijk opgenomen in de vernieuwde vrijwilligerswet onder het wetsartikel 9.2., dat het kader presenteerde waarbinnen het vrijwilligerswerk voor mensen van buitenlandse origine diende geregeld te worden: “Onder de voorwaarden die de koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt, zijn de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan niet van toepassing op het vrijwilligerswerk’. 

De voorwaarden die in het KB omschreven zullen worden, zullen bepalen voor welke doelgroepen het arbeidsrecht voor buitenlandse werknemers niet van toepassing is. Zij zullen dus doorslaggevend zijn om te bepalen wie van buitenlandse origine wel vrijwilligerswerk mag verrichten en wie niet.

Dat betekent in de praktijk dat heel wat organisaties in een grijze en illegale zone zijn aanbeland. Zij betrekken vrijwilligerswerk in hun werking die strikt genomen géén vrijwilligerswerk mogen uitvoeren. Deze organisaties werken bijgevolg in een situatie van illegaliteit en lopen het risico slachtoffer te worden van hoge boetes vanuit het arbeidsrecht.

Het Vlaams Minderhedencentrum wenst deze situatie ten goede te veranderen om een eind te maken aan een grijze zone in de praktijk van het vrijwilligerswerk. In realiteit zijn heel wat organisaties afgeschrikt om buitenlandse vrijwilligers in hun werking te betrekken, gezien de sancties die deze organisaties boven het hoofd hangen. In realiteit kan wel worden vastgesteld dat de arbeidsinspectie zich bewust is van deze problematiek en het door de vingers ziet. Maar het VMC dringt aan op een wettelijke regeling voor deze vastgestelde problematiek (cf. nota VMC: ’Buitenlandse vrijwilligers en het vrijwilligersstatuut’). Het Vlaams Minderhedencentrum reikt een viertal pistes aan om uit deze impasse te geraken: 

  • vrijstelling van organisaties: organisaties worden vrijgesteld van het arbeidsrecht voor vreemdelingen omdat men op basis van hun activiteiten kan aannemen dat er geen sprake zal zijn van misbruik of zwartwerk. Dat betekent in realiteit wel administratieve lasten voor de organisaties;
  • meldingsplicht voor organisaties: deze piste is analoog aan het controlesysteem dat georganiseerd wordt voor uitkeringsgerechtigde werklozen. Zij hebben een meldingsplicht aan het werkloosheidsbureau. Er wordt dan een meldingsplicht voor vreemdelingen georganiseerd. Voor de organisaties betekent dit eveneens een administratieve bijkomstige last;
  • opsomming van statuten van vreemdelingen die vrijwilligerswerk mogen verrichten: een oplijsting wordt gemaakt van de personen van buitenlandse origine die vrijwilligerswerk mogen verrichten (bijvoorbeeld personen met een arbeidskaart en personen in asielprocedure). Het nadeel hierbij is echter dat de organisatie dan over de expertise dient te beschikken betreffende de arbeids- en verblijfsreglementering van buitenlanders;
  • algemene loskoppeling arbeidsrecht en vrijwilligerswerk: in deze piste gaat men er vanuit dat de vernieuwde wet voor vrijwilligers duidelijkheid schept en dat er voor buitenlanders geen extra voorwaarden dienen geformuleerd te worden. Een extra koppeling van het vrijwilligerswerk aan het arbeidsrecht op buitenlandse werknemers is dan ook overbodig.

Houding van het ACW

Het ACW is zich bewust van de problematiek. Tijdens zijn Rerum Novarum-speech bracht ACW-voorzitter Jan Renders deze problematiek onder de aandacht: “Vrijwilligerswerk moet als een basisrecht beschouwd worden. We vragen dan ook dat bijvoorbeeld mensen die op regularisatie wachten, zich als vrijwilliger kunnen inzetten in organisaties en verenigingen. Dat is één van de beste manieren om vertrouwd te raken met onze taal, onze (verenigings)cultuur en dus de beoogde integratie te realiseren.”

Het ACW stelt vast dat een Koninklijk Besluit nog niet is verschenen waardoor een wettelijke regeling ontbreekt. Heel wat vrijwilligersorganisaties blijven dus opereren in een grijze, illegale zone. Zij blijven principieel blootgesteld aan hoge boetes. Door het uitblijven van een wettelijk initiatief kunnen enkel vreemdelingen die vrijgesteld zijn van een arbeidskaart zich als vrijwilligers inzetten. Niet-Belgen met een arbeidskaart A, B of C en asielzoekers mogen wettelijk gezien dus niet meer als vrijwilligers werken, ook al verblijven zij hier legaal. In de praktijk betekent dit dat sinds de goedkeuring van de vrijwilligerswet organisaties geen beroep meer kunnen doen op buitenlandse (niet – Europese) legaal verblijvende vrijwilligers.

Het ACW is van mening dat hier dringend verandering moet in komen en dat legaal in het land verblijvende vreemdelingen de toegang tot het vrijwilligerswerk niet langer mag ontzegd worden. Het vrijwilligerswerk heeft een sociale waarde die allochtonen in de mogelijkheid stelt om met autochtonen in contact te treden, om mensen een zinvolle bezigheid te geven en om nuttige ervaringen op te doen.

Anderzijds is het ACW er zich van bewust dat een te soepele regeling met zich kan meebrengen dat vrijwilligers zwartwerk verrichten of dat ze het slachtoffer worden van misbruik door de werkgever. Controles door bijvoorbeeld de arbeidsrechterlijke inspectie moeten in de toekomst mogelijk blijven om te vermijden dat vreemdelingen onder het mom van ‘vrijwilligerswerk’ worden uitgebuit en dat vrijwilligerswerk eigenlijk een excuus wordt voor zwartwerk. Vreemdelingen in een precaire situatie zullen vaak geen vrijwilligerswerk verrichten vanuit een maatschappelijk engagement, veeleer vanuit een economische noodzaak. Daardoor zullen zij makkelijker bereid gevonden worden alles te aanvaarden met inbegrip van onderbetaald werk onder het motto van vrijwilligerswerk. Een wettelijke regeling moet niet enkel het statuut van het vrijwilligerswerk vrijwaren, maar eveneens vermijden dat de vreemdeling zélf het slachtoffer wordt.

Het ACW dringt dus aan op een omkaderde wettelijke oplossing dat enerzijds buitenlandse vrijwilligers mogelijkheden biedt om vrijwilligerswerk uit te oefenen en anderzijds ook de vrijwilligers zelf de nodige bescherming biedt. Het Vlaams Minderhedencentrum heeft daartoe aan de voormalige minister een aantal adviezen verstrekt: vrijstelling van bepaalde organisaties, meldingspicht voor organisaties indien ze met vreemdelingen werken of het bepalen van de categorieën vreemdelingen die vrijwilligerswerk morgen doen. Ondanks eventuele administratieve last die deze pistes met zich meebrengen, bieden ze de garantie dat gecontroleerd kan worden wie rechtmatig gebruik maakt van vrijwilligerswerk en beschermen ze de legale in ons land verblijvende vreemdeling (vreemdeling met arbeidskaart, asielzoeker) tegen eventueel misbruik van een werkgever. Ze zullen er alvast toe bijdragen dat er een einde komt aan de grijze zone en zal er toe bijdragen dat mensen in goede omstandigheden vrijwilligers kunnen doen. 

Nog steeds vragen over man/vrouw-verhouding bij samenstelling van een adviesraad/Gecoro

Minister Keulen heeft begin april op vraag van Joke Schauvliege in de commissie Binnenlandse Aangelegenheden geantwoord dat het art. 200 van het Gemeentedecreet onverkort van toepassing is op alle gemeentelijke raden en overlegstructuren, ook degene die worden opgericht op basis van een sectoraal decreet.

Dit heeft voor heel wat verwarring gezorgd. Heel wat gemeenten die (bijna) klaar waren met de samenstelling van hun Gecoro mochten opnieuw beginnen. Velen zijn vandaag nog bezig en hebben nog steeds vragen.

De omzendbrief van 4 mei 2007 stelt dat de bepaling van het Gemeentedecreet over de man/vrouw-verhouding enkel geldt voor de Gecoro als geheel, en moet niet worden gerealiseerd (maar mag wel) op het niveau van de deskundigenleden of de leden die een maatschappelijke geleding vertegenwoordigen.
De bepaling van het Gemeentedecreet over de man/vrouw regelt niets over het feit of de man/vrouw-verhouding moet worden gerespecteerd voor louter de effectieve leden of eveneens voor de plaatsvervangers. De minister stelt in een bijkomend schrijven dat de man/vrouw-verhouding enkel van toepassing is op de effectieve leden en niet geldt voor de plaatsvervangers.

De bepaling van het Gemeentedecreet over de man/vrouw-verhouding regelt enkel de samenstelling van de adviesraad. Dit is belangrijk. Dit betekent NIET dat een vergadering niet rechtsgeldig is indien de aanwezige leden gezamenlijk niet aan de opgelegde man/vrouw-verhouding voldoen.
Dit betekent WEL dat indien dat door een veranderende samenstelling (ontslag van een effectief lid bijvoorbeeld) de man/vrouw-verhouding wijzigt, de Gecoro niet meer rechtsgeldig kan vergaderen. De man/vrouw-verhouding moet voortdurend gerespecteerd worden m.b.t. de effectieve samenstelling van de Gecoro.
Bij een wijziging van de effectieve samenstelling zal opnieuw moeten nagegaan worden of de man/vrouw-verhouding gerespecteerd wordt. Maar de verantwoordelijkheid voor de juiste verhouding is een verantwoordelijkheid van de gemeenteraad. Dit betekent dat bij een wijziging van de effectieve samenstelling iedereen terug mee verantwoordelijk is voor de verhouding.

Dit is het duidelijkst wanneer een deskundige ontslag neemt waardoor de verhouding wijzigt. Het is minder duidelijk wanneer een organisatie iemand heeft afgevaardigd en die neemt ontslag. Het is echter niet de verantwoordelijkheid van die vereniging om alleen voor de juiste verhouding te zorgen. Want dit zou betekenen dat deze vereniging dan altijd voor iemand van een welbepaald geslacht moet zorgen.
Het ontslag van één lid van de Gecoro kan dus zorgen voor heel wat problemen. Daarom pleiten we voor een zeer ruime invulling van de man/vrouw-verhouding. Wie juist op 1/3 zit zal ooit wel in de problemen komen. Wie dichter bij ½ verhouding zit, zit op rozen (zonder doornen).

Een correcte man/vrouw verhouding

Op www.gecoro-forum.be vind je enkele tips:
  • Bij de oproep voor de kandidaatstelling van de deskundigen kan de gemeente uitdrukkelijk aangeven dat een juiste man/vrouw-verhouding wordt nagestreefd en dat dus (in de praktijk) expliciet aan vrouwen wordt gevraagd hun kandidatuur in te sturen. Hier ligt uiteraard een belangrijke taak voor het middenveld. Zij organiseert en verenigt vrouwen en kan hen dus motiveren en sensibiliseren.
  • Bij de uiteindelijke keuze van de deskundigen kan de gemeente de nodige aandacht geven aan een goede verhouding tussen mannen en vrouwen binnen de Gecoro als geheel (dus wat minder mannen als deskundige aanstellen indien de maatschappelijke geledingen er al veel hebben voorgesteld).

Dit betekent ook weer niet dat (in de praktijk) het aantal deskundigen van het mannelijk geslacht in de Gecoro afhankelijk moet worden gesteld van het aantal vrouwen dat door de maatschappelijke geledingen wordt voorgedragen.

Voor de maatschappelijke geledingen geldt ons inziens het principe dat, in de mate van het mogelijke, de voordrachten van de maatschappelijke geledingen zelf moeten worden gerespecteerd. Anderzijds is het belangrijk om bij de oproep of in de communicatie met de maatschappelijke geledingen expliciet te verwijzen naar de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een goed samengestelde Gecoro. Zij zullen daar een inspanning voor moeten leveren.  

Aan de maatschappelijke geledingen kan dan ook worden opgelegd of worden gevraagd om:
  • vertegenwoordigers van de twee geslachten aan bod te laten komen (dus vragen om indien het effectief lid van het mannelijk geslacht is, als plaatsvervanger een persoon van het vrouwelijk geslacht voor te stellen of andersom)
  • aan te geven dat zowel mensen van het vrouwelijk als mannelijk geslacht als effectief of plaatsvervangend lid zullen worden aangesteld en dat de organisaties dus wordt gevraagd of verplicht om dubbeltallen voor te stellen (dus voor elk ‘zitje’ een man en een vrouw), waaruit vervolgens een keuze wordt gemaakt.

Nadeel van deze werkwijze is dat hierdoor de maatschappelijke geledingen niet altijd hun ‘beste’ kandidaat in Gecoro zien zitten. Anderzijds is het voor de gemeente soms de enige manier om de correcte man/vrouw verhouding daadwerkelijk te verkrijgen.



Studiedag: over advies gesproken

De studiedag "over advies gesproken" vertrok van een kritische ingesteldheid tegenover adviesraden en eindigde met een oproep te werken aan bevlogen adviesraden.

Mark Suykens, directeur VVSG en voormalig coördinator van de Wakkere Burger, leverde spervuur. Ter voorbereiding van de studiedag had hij tientallen rapporten en evaluaties van adviesraden doorgenomen en kon enkel besluiten dat over de ganse lijn bekeken adviesraden geen positief verhaal laten optekenen.
Hij somde de moeilijkheden op. Een sterke bureaucratische ingesteldheid. Geen betrokkenheid. Sterke belangenvertegenwoordiging. Geen maatschappelijke discussie. Detaillistisch. Oeverloze discussies en geen conclusies. Geen relatie met de gemeenteraad. Ook geen relatie met de bevolking. Kortom, geen mooi beeld.

Maar Suykens kon het niet laten. Er zijn mogelijkheden voor een goed werkende adviesraad. De eerste voorwaarde is dat een adviesraad ingebed zit in een volledig participatief verhaal van de gemeente. Dit wil zeggen dat de gemeente moet werken aan verantwoordelijkheid geven aan de bevolking, dat burgers zich moeten (kunnen) verenigen en vanuit hun omgeving gezamenlijk een positief project voor de buurt, wijk, dorp, gemeenschap ontwikkelen. Dit veronderstelt dat gemeenten zich reorganiseren en niet meer voor de mensen iets doen, maar met de bevolking iets doen.

Binnen dit participatief verhaal kan een adviesraad een belangrijke rol spelen. Het zou de plek kunnen worden waar maatschappelijke (buurt-, wijk-, dorps-) belangen met elkaar in contact komen en boven hun particulier belang uitstijgen. Maar dan moet de samenstelling en de werking van de adviesraad zich inpassen in dit participatief verhaal.

Manu Claeys, essayist en Antwerpenaar, bracht het verhaal van de bouwwoede in Antwerpen en hoe de bevolking en adviesraden er geen rol spelen, maar soms wel een rol afdwingen. Meer kun je lezen in http://www.antwerpencentraal.be/kievit/.
Hij pleitte voor een actieve rol van bewonersgroepen en voor adviesraden als de Gecoro. Maar dan moet die Gecoro ook anders werken. Enkele elementen. Een adviesraad moet veel meer beleidsvoorbereidend werken. Vooraleer er een project start moet de Gecoro reeds betrokken worden.
De Gecoro moet ook een rol spelen naar de buurt en de wijken toe. Een Gecoro moet durven stappen naar de buurt en daar in discussie gaan met de buurtbewoners. Een Gecoro moet ook de gemeenteraadsleden vroeg genoeg informeren en hen wijzen op de verschillende keuzes die er gemaakt kunnen worden.
Manu Claeys pleitte voor een maatschappelijk debat rond alle mogelijke projecten en zat hiermee op één lijn met Mark Suykens.

In de drie werkgroepen werden voorbeelden van goed werkende adviesraden besproken, werden tips en suggesties gegeven. Duidelijk was dat een adviesraad niet zomaar een werkgroepje is. Er zitten bevlogen mensen in. Adviesraden zoeken contact met de wijken en buurten. Adviesraden proberen beleidsvoorbereidend te werken. Maar het blijft soms wel eens zwoegen.

Ann Demeulemeester, algemeen secretaris, besloot de studiedag met een aantal duidelijke conclusies. Voor het ACW en ACV (de studiedag was door beide georganiseerd) blijven adviesraden een belangrijk inspraakorgaan. Het is de plaats waar het middenveld betrokken kan worden bij het beleid en de beleidsvoorbereiding. Het is ook de plaats waar het particulier belang overstegen wordt.
Maar een adviesraad moet wel open zijn en gedragen door de bevolking. Ook Demeulemeester hield een pleidooi voor meer betrokkenheid en bevlogenheid. En dit veronderstelt sterke deelnemers aan een adviesraad. ACW en ACV gaan dan ook voor ondersteuning van onze vertegenwoordigers.


Nieuwe vrijwilligerswet van 8 juni 2006

De nieuwe vrijwilligerswet is een feit. De wet sloot in eerste instantie niet goed aan bij de realiteit van duizenden verenigingen en vrijwilligers. Daarom diende kamerlid Greta D’hondt (CD&V) een eerste wetsvoorstel tot wijziging in. Nadien kwam het overleg met de andere democratische partijen op gang en werd uiteindelijk een gezamenlijk wetsvoorstel ingediend. De wet, die op 8 juni gestemd werd en sinds 1 augustus van kracht is, speelt nu beter in op de praktijk in het vrijwilligerswerk.

Een aantal begrippen en bepalingen uit de vrijwilligerswet werden uitgeklaard en vereenvoudigd. Zo is de beruchte organisatienota vervangen door een vormvrije informatieplicht. Verenigingen kunnen nu zelf bepalen via welke (eventueel elektronische) kanalen ze hun vrijwilligers inlichten over het doel van de vereniging, de eventuele verzekering, vergoeding, plichten, … De vormvrije informatieplicht kan consequenter toegepast worden en vermijdt heel wat papierwerk, ook doordat het onderscheid tussen leden en vrijwilligers van een feitelijke vereniging verdwijnt (de informatie voor ACW-vrijwilligers vind je elders op deze bladzijde).

Ook de forfaitaire onkostenvergoeding werd aangepast. Die was voor vrijwilligers zowel begrensd per dag, per kwartaal als per jaar. De kwartaalgrens is nu afgeschaft, waardoor bijvoorbeeld speelpleinwerkers zich terug een hele zomer 100 % kunnen inzetten. Een evaluatie zal moeten uitmaken of effectief alle organisaties die werken met) vrijwilligers geholpen zijn met de bestaande dag- en jaargrenzen.

Uitkeringsgerechtigden kunnen dankzij deze wet vlotter aan vrijwilligerswerk doen. Werkzoekenden moeten bijvoorbeeld niet langer de toelating van de RVA hebben voor zij aan het vrijwilligerswerk beginnen. Het volstaat te melden dat zij een bepaalde activiteit willen aan vatten. Uiteraard mag het vrijwilligerswerk niet verhinderen dat zij nog steeds beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt. Ook voor andere uitkeringstrekkers wordt het nu expliciet mogelijk om vrijwilligerswerk te doen.

Aansprakelijkheid

Meer duidelijkheid is er nu ook over de aansprakelijkheid van vrijwilligers en organisaties. De wetswijzigingen geven vrijwilligers terug de principiële immuniteit zodat zij zich onbezorgd belangeloos kunnen blijven inzetten. De regeling over de immuniteit van vrijwilligers werd gewijzigd in december 2005, maar werd nu op vraag van de ondertekenaars aangepast in het voordeel van de vrijwilligers. Wel is deze immuniteit enkel voorzien voor vrijwilligers die werken voor een rechtspersoon (bijvoorbeeld een vzw), een feitelijke vereniging die personeel in dienst heeft, of een afdeling van één van deze twee types organisaties. In elk van die gevallen is de koepelorganisatie aansprakelijk voor schade door een lichte fout van de vrijwilliger.
Voor schade ten gevolge van bedrog of een zware fout van de vrijwilliger blijft de vrijwilliger zelf aansprakelijk. Vrijwilligers van andere, geïsoleerde feitelijke verenigingen (zoals buurtcomités) blijven onder de bestaande regeling vallen en zijn dus nog steeds zelf aansprakelijk in geval zij schade veroorzaken.

Voor de drie types verenigingen die aansprakelijk zijn voor schade veroorzaakt door vrijwilligers bij een lichte fout, is er ook een verzekeringsplicht. Het is de koepelorganisatie die de verzekering moet afsluiten. Het wordt voor alle organisaties (ook organisaties die strikt genomen niet verplicht zijn een verzekering af te sluiten) mogelijk om mits betaling van een premie, aan te sluiten bij een collectieve federale polis. Dit zal wellicht gebeuren in de vorm van een modelpolis die door verschillende verzekeraars zal worden aangeboden.

Verzekerd onderweg

Nieuw is ook dat de schade ten gevolge van een lichte fout door de vrijwilliger op weg van of naar het vrijwilligerswerk gedekt wordt door de aansprakelijkheid van de organisatie. De verplichte verzekering dekt dit, behalve als het gaat om een verplaatsing met de wagen. In dat geval blijft de persoonlijke autoverzekering de schade dekken.

Vrijwilligers zijn geen normale werknemers. Ze houden zich niet aan de zondagsrust, moeten niet op medische controle gaan, zijn niet aangesloten bij een dienst voor preventie, kunnen geen tijdkrediet aanvragen, … De ondertekenaars ijverden er dan ook voor het verschil tussen werknemers en vrijwilligers in de wet duidelijk te maken. Positief aan de goedgekeurde wetswijziging is dat de bepaling rond de toepassingen van de arbeidswetgeving is geschrapt.
Negatief is dan weer dat de uitsluiting van de toepassing van het arbeidsrecht niet expliciet in de tekst kwam. Toch heeft de regering zich geëngageerd om nachtwerk, zondagsrust en dergelijke bepalingen in geen geval op vrijwilligerswerk toe te passen.

Overheden informeren
De overheden hebben met deze wetswijziging ook zichzelf aan het werk gezet. Zo moeten gemeenten en provincies de verenigingen en vrijwilligers informeren over de bepalingen inzake verzekeringen. Zij krijgen echter geen controleplicht.
De wet is van kracht sinds 1 augustus 2006, maar om de sector de gelegenheid te geven verzekeringen te onderhandelen en af te sluiten, treden de bepalingen inzake verzekeringen en aansprakelijkheid pas op 1 januari 2007 in werking.

Informatie in het kader van de vrijwilligerswet

1. Organisatie

Het ACW is een feitelijke vereniging. Het Algemeen Secretariaat is gevestigd in Aeropolis op de Haachtsesteenweg 579 in Schaarbeek-Brussel. Het postadres is ACW, Postbus 20, 1031 Brussel. Het algemeen oproepnummer is 02 246 31 11, fax: 02 246 37 00, e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. , website: www.acw.be

Onbaatzuchtig maatschappelijk doel
Het onbaatzuchtig maatschappelijk doel van het ACW is vastgelegd in de Statuten die door het ACW-congres van 27-28 maart 1998 werden goedgekeurd. Het ACW wil een samenleving waarin iedereen, solidair en gelijkwaardig, kan genieten van de fundamentele politieke, sociale, economische en culturele rechten. Het streeft de totale emancipatie van de werknemersbevolking na en schenkt bijzondere aandacht aan de zwaksten en de meest achtergestelden in de samenleving.

Juridisch statuut en Organisatieverantwoordelijke
ACW is een feitelijke vereniging. De verantwoordelijken voor de organisatie zijn: Jan Renders, algemeen voorzitter, Haachtsesteenweg 579, 1031 Schaarbeek Brussel; voor de verbonden: de verbondssecretarissen.

2. Verzekeringen

ACW heeft de volgende verzekeringen afgesloten die de buitencontractuele verantwoordelijkheid dekken van de organisatie en de vrijwilligers:
- burgerlijke aansprakelijkheid van de organisatie en de vrijwilliger
- rechtsbijstand: verweer en verhaal en onvermogen
Daarenboven heeft ACW een verzekering lichamelijke ongevallen afgesloten, waarbij het risico, overlijden, blijvende invaliditeit, tijdelijke invaliditeit en behandelingskosten worden verzekerd. Alle schade-aangiftes verlopen via ACW-verbonden.

3. Onkostenvergoeding

ACW vergoedt aan vrijwilligers de werkelijk gemaakte kosten verbonden aan hun engagement in het ACW op basis van voor te leggen bewijskrachtige stukken.

4. Geheimhoudingsplicht

Vrijwilligers binnen het ACW zijn gehouden aan de geheimhoudingsplicht overeenkomstig art. 458 van het Strafwetboek:
“Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in recht (of voor een parlementaire onderzoekscommissie) getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van honderd tot vijfhonderd frank.”




Be-richting-geving

“Mooi zo!”, zullen vele politici gedacht hebben wanneer ze de laatste maanden de krantenkoppen lazen. “Is hun tewerkstellings- en activiteitsgraad niet direct om mee naar buiten te komen tijdens Europese politieke onderonsjes, de vrijwillige en onbezoldigde inzet van de Belg mag gezien worden”. De jeugdbewegingen zitten in de lift. Ze noteerden in 2005 evenveel leden als tien jaar geleden. Jaarlijks komen er in ons land een 4.000 verenigingen zonder winstoogmerk bij. In totaal zijn er al meer dan 120.000. Vijf procent van onze nationale welvaart is aan hen toe te schrijven.

Dat berekenden Sybille Mertens en haar collega’s van de Universiteit van Luik. Ze keken daarvoor uitsluitend naar de 18.000 vzw’s die mensen in dienst hebben. Ze sloten ook de instellingen van het vrij onderwijs uit. Deze 18.000 vzw’s tellen samen bijna 1.200.000 vrijwilligers.
Als je het schilderen van de lokalen van de sportclub of het verkopen van 11.11.11-kaarten zou overlaten aan vaste werkkrachten, zou je er meer dan 75.000 voltijdse nodig hebben. Een kostenbesparing dus van bijna 2,5 miljard euro (en geen gezeur over loonopslag, brugpensioen, werkdruk of fietsvergoeding). De Belg legt er ook nog eens meer dan 1 miljard bovenop aan giften en lidgelden om het hele verenigingsgedoe financieel recht te houden.
Op basis van vergelijkend onderzoek concludeert Mertens dat de economische impact van de verenigingen in België groter is dan in Canada of Australië, de enige twee andere landen die hieromtrent over betrouwbare gegevens beschikken. En dan heeft Sybille Mertens, zoals gezegd, nog alleen maar gekeken naar díe vzw’s die mensen tewerkstellen.

Word een ‘Sam’ en ’t is feest

De Belg blinkt dus niet alleen uit als Bob, maar ook als Sam? Je zou het haast gaan geloven als je het door de Koning Boudewijnstichting opgezette en gesponsorde programma Allemaal Sam bekijkt en beluistert. “78 % van de Vlamingen vindt dat je maar echt mens wordt als je je bekommert en inzet voor je medemens”, meldde het perscommuniqué waarmee de Koning Boudewijnstichting het programma lanceerde.
Wekelijks leren we, tv-kijkend en radio-luisterend, hoe Samen Alles Mogelijk is. We krijgen een rist gepresenteerd aan innoverende projecten van warmhartige mensen die zich belangeloos inzetten voor een betere samenleving. Multiculturele radioprojecten, jongeren met een handicap die met een truck leren rijden, alternatieve’ kerstmarkten, bezoeken aan vereenzaamde bejaarden… Even zo veel projecten die ons doen geloven dat we nog niet zo ‘ik-geöriënteerd’ zijn als ons tot nu toe werd ingeblazen.
En wat we vooral ook leren: het is leuk om sociaal te zijn; het voelt goed aan; het geeft je een boost. Het doet een beetje denken aan de runner's high. Bij het joggen komen endorfines vrij die een rustgevend effect geven en onze pijngrens verhogen. Intensief joggen zorgt voor meer oppepstoffen en geeft zelfs een euforisch gevoel. Naar analogie ontdekken we tegenwoordig dat ook pro-sociaal gedrag niet alleen voor gezonde afleiding zorgt in deze sombere en gestresseerde wereld, maar ons ook een socializer high kan geven. Wie zich inzet, voelt zich beter.We zijn dus niet individualistisch van nature.

We zijn het ook steeds minder. Zo klinkt op dit ogenblik de boodschap van wetenschap en media. De VUB-onderzoekers die, onder leiding van Ignace Glorieux, minutieus van minuut tot minuut nagaan wat u en ik dagelijks doen, komen tot het besluit dat we socialer aan het worden zijn. Dit niettegenstaande de tijdsdruk. In 1999 spendeerden we wekelijks gemiddeld (!) 1 uur en 26 minuten aan ons verenigingsleven. In 2004 werd dat 1 uur en 36 minuten.
Onze sociale contacten nemen volgens deze onderzoekers ook toe. Daaronder valt wel tevens het uur per week dat de mannen tegenwoordig achter de computer slijten om met wie weet wie te chatten of naar wie weet wie te kijken. In hun rapport De tijd staat niet stil concluderen deze onderzoekers dat de “stijging van de tijd besteed aan sociale contacten in schril contrast staat met het algemene discours over individualisering en vereenzaming”.
Ze voegen er aan toe: “Het is overigens opvallend dat de communicatie via ICT niet ten koste gaat van de face-to-face contacten en de participatie aan het verenigingsleven”.

Leerling-tovenaars van het middenveld

Een jaar geleden al schreven we op deze plaats dat het middenveld terug ín is; de oude’ en de ‘nieuwe’ sociale bewegingen vertonen veerkracht en vitaliteit. Maar ze bewegen anders.
Onze sociologen hebben nog niet voldoende inzichten kunnen ontwikkelen over het nieuwe bewegingsprofiel. Wel wijzen ze op de rol van het affectieve, van de netwerken, van de tijdelijke engagementen.
Nu hebben dus ook de media dit ontdekt. Maar ze zien zichzelf niet direct in de klassieke rol van ‘berichtgevers’, objectieve verslaggevers over wat beweegt en leeft in het middenveld. Ze werpen zich op als ‘katalysatoren’ van menig tijdelijk emo-engagement.
De media willen richting geven aan de samenleving. Niet alleen meer voor de politiek (en in mindere mate voor het economisch gebeuren), maar nu ook voor het middenveld zijn het leerling-tovenaars, ‘be-richting-gevers’. Kranten, tv-stations en -programma’s, radiozenders, tijdschriften en ook ICTplatforms vertellen ons wat belangrijke issues zijn (ze ‘thematiseren’), wát we moeten doen en hóe (ze framen ons gedrag) en wanneer we tot actie moeten overgaan (ze ‘mobiliseren’).

Op het eerste gezicht verwelkomen we allemaal dit nieuwe enthousiasme en engagement van de media. Geven ze op die manier geen blijk van maatschappelijk verantwoord ondernemen? Maar bij nader toezien bepaalt de scharnier van de media in welke richting de deur opengaat; zelfs óf de deur opengaat of gewoon gesloten blijft.
Een voorbeeld. Vergelijk de mediacommotie rond de tsunami van december 2004-januari 2005 met de HOOP-actie van december 2005 ten voordele van de slachtoffers van de aardbeving in Pakistan.
De tsunami-actie zette heel België in rep en roer. Overal traden mediafiguren naar voren om ons te zeggen hoe erg de situatie was in het getroffen gebied, hoe belangrijk het was dat we tot actie overgingen, hoeveel anderen reeds creatief aan de slag waren gegaan om geld in te zamelen, hoe ze zelf ook in hun beurs tastten. Resultaat: vijftig miljoen euro werd er ingezameld.
En voor Pakistan? Nog geen vier miljoen euro! De media kwamen laat en traag op gang. Het vuur werd niet doorgegeven. We kregen niet het gevoel dat we het ‘samen allemaal anders’ konden ten voordele van de wintertrotserende Pakistani.

Meer dan leuke speelplaats

De ‘be-richting-gevers’ gaan voor het nieuwe, het innoverende, het uitzonderlijke. Maar het middenveld is méér dan dat. Het is ook continuïteit, vasthouden wat goed werkt en vaak gewoon ‘goed bezig zijn’. De ‘be-richting-gevers’ zijn dan ook geen barometer van wat leeft in het middenveld.
Een barometer kregen we een paar weken geleden wel van de eerder genoemde equipe van de Universiteit van Luik en van het Hoger Instituut voor de Arbeid van de KULeuven. De Koning Boudewijnstichting, Dexia en Arco financierden de opmaak van dit instrument.
En wat leren we uit de bevraging van 35 koepelorganisaties of federaties van het Belgische middenveld? De nieuwe ‘vzw-wet’ van mei 2002 laat weinig middenveldspeler onberoerd. Vooral de grotere organisaties onderkennen hierin de kans voor meer juridische zekerheid, meer doorzichtigheid en meer professionalisering. De sectorale reglementering die het kader biedt voor de vzw’s in de gezondheidszorg, de sport, het onderwijs of de welzijnszorg, krijgt alleen goede punten als de administratieve procedures de laatste jaren versoepeld zijn en er minder planlast wordt opgelegd. Vooral de Vlaamse overheid scoort hier goed; de federale beduidend minder.
In de meeste sectoren van het verenigingsleven is ook de tewerkstelling de laatste vijf jaar positief geëvolueerd. Maar deze stijging is helemaal niet voldoende om aan de toenemende behoeften te voldoen.
Dankzij de recente akkoorden voor het personeel van de non-profitsector zijn de werkomstandigheden van deze mensen er trouwens op vooruit gegaan. Toch is er per saldo minder welbevinden: bij velen doet zich het burn-out syndroom voelen.
Over de evoluties van het vrijwilligerswerk is men bij de verenigingen niet direct optimistisch. Niet dat het aantal vrijwilligers of leden overal zou dalen. Wél is het engagement korter en belemmeren studie- en werkdruk actieve inzet. Veel vrijwilligers zijn ook bang om verantwoordelijkheid te nemen in hun vereniging omdat het beheer ervan zo complex geworden is.

De verenigingen slagen er alleen in hun werking financieel leefbaar te houden doordat er meer overheidstoelagen zijn, doordat ze meer giften en lidgelden werven én ook voor sponsoring aankloppen bij commerciële instanties. Maar ook hier: te laat en te weinig. De financiële capaciteit van vele verenigingen is ondermaats als je ze afzet tegenover de noden die men wil aanpakken.
Als de ‘middenvelders’ het dan toch nog zien zitten, zo leert deze barometer, dan is dat omdat er de laatste jaren opnieuw morele steun komt van de publieke opinie, van de overheid, van de media en ook van de leden en gebruikers. Het verenigingsleven, zo leert deze barometer, is geen speelplaats zoals de ‘be-richting-gevers’ ons willen doen geloven, maar een werkplaats waar honderdduizenden mensen zich als vrijwilliger of personeelslid hard voor inzetten.
Over wat er in de verenigingen echt en dagelijks leeft, zullen wij maandelijks in De Gids op Maatschappelijk Gebied blijven berichten. Omdat wij vinden dat het middenveld zichzelf richting moet geven!



Pagina top 5

Wat is ACW ? (25187 views)
Herfst 2013 (21192 views)
Vacatures (16819 views)
Downloads (14254 views)

Contact opnemen

  • ACW algemeen secretariaat
    Postbus 20 - 1031 Brussel
    tel. 02 246 31 11
    e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • Wegbeschrijving