De vreedzame opstand in Syrië is uitgedraaid op een nachtmerrie. Een land met een zo lange geschiedenis, een zo rijke cultuur en een zo gastvrije bevolking wordt op dit ogenblik kapot gemaakt. Sinds de eerste geweldloze manifestaties en het eerste bloedig neerslaan van deze protesten is het land afgegleden in een eindeloos opbod van geweld en tegengeweld. Niemand kan onbewogen blijven bij de beelden die we sinds maanden zien. Beelden van ontreddering, vernieling en doodslag.
Pax Christi schenkt, in samenwerking met Broederlijk Delen, in het bijgevoegde dossier aandacht aan dit conflict, maar ook aan de inzet van de duizenden Syrische burgeractivisten die blijven opkomen voor hun medemens en de wonden van slachtoffers proberen te verzorgen en te helen. “Door de groeiende noden is het burgeractivisme op het terrein nu vooral gericht op hulpverlening. Overal in het land zijn activisten betrokken bij nieuwe solidariteitsnetwerken die op geïmproviseerde wijze in voedsel, medische zorg en scholing voorzien”, schrijft Brigitte Herremans, beleidsmedewerker Midden-Oosten bij Broederlijk Delen en Pax Christi Vlaanderen, in een opiniestuk van 24 april 2013 in ‘De Standaard’. Dit dossier is te koop bij Pax Christi Vlaanderen voor 2€. Bestellen kan op 03/225 10 00 of via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Om die hulpacties in Syrië en om de honderdduizenden vluchtelingen in de buurlanden van Syrië te helpen is de actie “Syrië 12 – 12” belangrijk en verdient ze alle steun zolang het conflict duurt. Maar ACW en Pax Christi Vlaanderen benadrukken samen met Broederlijk Delen ook het belang van het politieke werk dat meer dan ooit moet verder gaan om een bemiddelde oplossing mogelijk te maken voor de grote meerderheid van Syriërs die vrede willen.
Patrick Develtere, Algemeen voorzitter ACW
Jo Hanssens, voorzitter Pax Christi Vlaanderen
De Israëlisch-Palestijnse regio heeft de laatste weken de actualiteit overheerst. Vooreerst werden we geconfronteerd met een nieuw conflict in Gaza tussen de Palestijnse gewapende groepering Hamas en de staat Israël. "Pijler van defensie", de militaire operatie van het Israëlisch leger in de Gazastrook, startte op 14 november 2012 en nam een einde op 21 november 2012 met een wapenstilstand tussen Israël en Hamas (cf. paragraaf 2). Ruim een week later werd Palestina het statuut toegekend van waarnemende niet-lidstaat in de Verenigde Naties. Deze statutaire opwaardering kan er een stap vooruit zijn naar de oprichting van een Palestijnse staat. Een ruime meerderheid, waaronder België ondersteunde deze upgrading (paragraaf 3). Een (twee-staten)oplossing voor het conflict, met inbegrip van de oprichting een leefbare Palestijnse staat binnen de grenzen van vóór 1967 is echter niet voor morgen. Concreet staat het beleid van de Israëlische staat, waarbij in de bezette Palestijnse gebieden blijvend nederzettingen worden gebouwd, een tweestatenoplossing in de weg. Vanuit het brede Belgische middenveld wenst men de problematiek van de illegale nederzettingen ook bij ons aan de kaak te stellen (cf. paragraaf 4).
Ook het ACW voelt zich betrokken bij de recente gebeurtenissen in de regio en wenst haar pleidooi voor de noodzakelijke opbouw van een duurzame vrede te herhalen. Daarbij is het duidelijk dat er geen alternatief rest dan onderhandeling en respect voor het internationaal recht.
In november jongstleden dreigde het geweld tussen Israël en de Palestijnse gewapende groeperingen het Midden-Oosten in een nieuwe tragedie mee te sleuren. Het conflict heeft aan beide zijden weer talloze onnodige slachtoffers gemaakt. Dankzij internationale diplomatieke druk werd een nieuwe totale oorlog in de Gazastrook gelukkig vermeden. Maar hoe verdere escalatie vermijden die de hele regio in vuur steekt. In 2009 heeft het ACW ook aandacht besteed aan het Gaza-conflict dat zich voltrok bij de jaarovergang 2008-2009. Een standpunt vanuit ACW, Wereldsolidariteit, Pax Christi Vlaanderen en Broederlijk Delen kwam tot stand. De klemtonen in dit standpunt met betrekking tot het recente conflict zijn nog steeds actueel.
De Europese Unie ontving dit jaar terecht de Nobelprijs voor de vrede. Het ontstaan en de werking van de Europese Unie heeft zonder twijfel een belangrijke bijdrage geleverd tot het handhaven van de vrede in Europa. Het maakte van oude aartsvijanden goede bondgenoten en toonde aan dat vrede geen illusie maar daadwerkelijk haalbaar is.
Wij moedigen de EU en haar lidstaten aan om zich nog sterker te engageren voor een duurzame en rechtvaardige vrede, die de basisoorzaken van het conflict en de bezetting van de Palestijnse gebieden beëindigt. Daarom is het cruciaal dat de EU het internationaal humanitair recht en de mensenrechten blijvend verdedigt, in woord en daad. Rechtvaardigheid en vrede vormen een sterke samenhangende eenheid. Geen vrede zonder rechtvaardigheid. Geen rechtvaardigheid zonder vrede.
De situatie is complex, de pijnpunten zijn bekend en de standpunten van Israël en Palestina lijken onverzoenbaar. Toch is het standpunt van de internationale gemeenschap duidelijk: de stilgevallen vredesbesprekingen moeten heropgestart worden en beide partijen moeten het internationaal recht respecteren.
Het ACW benadrukt dat de EU en haar lidstaten bij de benadering van het conflict volgende stappen moeten zetten:
Op donderdag 29 november behaalden de Palestijnen een belangrijke diplomatieke overwinning in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. 138 van de 193 lidstaten van de VN schaarden zich achter de resolutie waarin het statuut van de Palestijnse bevrijdingsorganisatie (PLO) geüpgraded werd van waarnemende entiteit tot waarnemersstaat. Dit statuut is weliswaar niet dat van lidstaat. Dat kan enkel verkregen worden via de Veiligheidsraad. Maar deze stap versterkt wel de internationale erkenning van de Palestijnse staat. De Israëlische regering beschouwt deze demarche echter als een eenzijdige stap en een ernstige schending van de bestaande akkoorden met Israël. Op zondag 2 december 2012 maakte Israël een aantal sancties bekend die de geboekte vooruitgang ongedaan kunnen maken.
Palestina geniet na de upgrading hetzelfde statuut als het Vaticaan en wordt als een staat gezien in het VN-systeem. Dat blijft niet zonder gevolg. Naar aanleiding van het vernieuwde statuut:
Daags voor de stemming in de VN, kondigde de Israëlische regering verrassend genoeg aan dat er geen sancties zouden volgen in geval van een upgrading. Toch werd in tegenspraak met deze aankondiging volgende beslissingen genomen:
het opvoeren van de woningbouw in de nederzettingen:
het inhouden van invoertaksen:
Tijdens de discussie in het Belgisch Parlement betreffende de houding van de Belgische regering tegenover een opgewaardeerd Palestijns statuut binnen de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, leek minister Reynders eerder (MR) geneigd om zich vanuit een Belgisch standpunt te onthouden. Na die vaststelling werd, vanuit het Belgisch middenveld in het algemeen en vanuit 11.11.11., PCV/BD en onze ACW-werkgroep Palestina in het bijzonder, nog bijkomende druk uitgeoefend om vanuit ons land voor een upgrading te stemmen.
Naderhand zijn de middenveldorganisaties, betrokken bij het Midden-Oosten-overleg van de Noord-Zuid-koepel (11.11.11) uitermate verheugd met de beslissing van België om voor de resolutie over het toekennen van het statuut van waarnemende niet-lidstaat aan Palestina te stemmen.
Op 5 december 2012 maakt het Midden-Oostenoverleg van 11.11.11 in een schrijven hun tevredenheid over de Belgische houding formeel over. Dit schrijven wordt ondertekend door tal van organisaties, waaronder o.a. 11.11.11., ABVV, LBC, Broederlijk Delen, Pax Christi Vlaanderen en ACW. De ondertekende partijen zijn van mening dat de resolutie van 29 november 2012 een stap is naar de oprichting van een Palestijnse staat, waarvoor ons land en de internationale gemeenschap vragende partij zijn.
Toch zijn de ondertekende partijen van de brief vragende partij om verder waakzaam te blijven opdat de upgrading geen dode letter blijft. Zij wijzen in functie van een rechtvaardige en duurzame oplossing voor het Israëlisch-Palestijns conflict op:
Ook het ACW zal deze klemtonen verder meenemen in het pleidooi voor duurzame en rechtvaardige vrede in Israël en Palestina.
Uit het voorgaande blijkt telkens weer de cruciale bijdrage van de gevoerde nederzettingenpolitiek voor het uitblijven van een duurzame en rechtvaardige oplossing voor het conflict in het Midden-Oosten. Maar er is een verschil tussen woord en daad. De internationale gemeenschap, met inbegrip van de Belgische Regering en de EU bestempelen de Israëlische nederzettingen als illegaal en als een obstakel voor vrede, maar onderneemt weinig stappen om de verklaringen kracht bij te zetten. Ook het Belgische middenveld wil een rol spelen. Onder leiding van 11.11.11 wordt een actie opgezet om deze problematiek aan de kaak te stellen en een breder draagvlak tot stand te brengen. ACW ondersteunt de ééndrachtige aanpak vanuit 11.11.11.
Aanhoudende druk van de civiele maatschappij heeft in mei 2012 mee geleid tot de meest boude Conclusies van Raad van de Europese Unie in jaren. De 27 ministers van Buitenlandse Zaken hadden het over "forced transfer" van Palestijnse bevolkingsgroepen en drukten onder meer hun vastberadenheid uit de om bestaande wetgeving volledig toe te passen op producten uit de nederzettingen. Discussies zijn momenteel aan de gang tussen te lidstaten, op het terrein en in Brussel, over een actieplan om de mei 2012-Conclusies te operationaliseren. Er is voorlopig geen eensgezindheid binnen de EU-27. De standpunten gaan van vraag naar een wettelijk verbod (Ierland) naar al dan niet actieve steun voor duidelijke etikettering.
In verschillende EU-lidstaten slaan sociale organisaties de handen in elkaar om de aandacht van de bevolking (de consument) te vestigen op de foutieve etikettering van producten uit de nederzettingen in supermarkten. België neemt in dit dossier geen vooruitstrevende positie in. Wat de producten uit de nederzettingen betreft geven verschillende federale ministeries informeel aan dat 'ze vanuit de bevolking geen druk voelen om concrete stappen op EU niveau voor te stellen of te steunen'. Om dezelfde reden ondernam de regering in België tot op heden geen concrete stappen binnen het huidige wetgevend kader, in tegenstelling tot landen zoals het Verenigd Koninkrijk of Denemarken.
Een brede, door het middenveld gedragen, campagne over de illegale nederzettingen, en de manier waarop de Belgische overheid en individuen deze al dan niet onbewust steunen, moet leiden tot een meer pro-actieve houding van de Belgische overheid.
Om de algemene boodschap van de campagne (Nederzettingen zijn illegaal! Stop Belgische steun!) kracht bij te zetten, zal de campagne focussen op een heel concreet deelaspect van het nederzettingendossier: de aanwezigheid van producten uit nederzettingen op de Belgische markt.
Met de actie rond de producten willen de initiatiefnemers vanuit het Belgische middenveld:
Er wordt geopteerd voor een relatief lichtere campagne die beperkt is in de tijd en gedragen wordt door de beide Noord-Zuidkoepels (11.11.11. & CNCD) met steun van zoveel mogelijk organisaties.
Dat betekent concreet:
De actie wordt formeel georganiseerd door de twee koepels: 11.11.11 en CNCD-11.11.11. Zij nemen het initiatief, dragen de eindverantwoordelijkheid en zijn woordvoerder voor de campagne (woordvoerderschap kan in bepaalde gevallen gedelegeerd worden naar een medewerker van één van de lidorganisaties).
Er wordt aan de organisaties van het Midden-Oostenoverleg gevraagd actief deel te nemen aan de actie en te zorgen voor de inhoudelijke stoffering van de campagne en de nodige contacten internationaal, nationaal en in de regio.
De actie wordt publiek onderschreven door een aantal organisaties die niet noodzakelijk rechtstreeks betrokken zijn bij het Midden-Oostenoverleg. Hierbij mikt men op vakbonden, consumentenorganisaties, jeugdbewegingen, enz. Deze organisaties kunnen ook een bijdrage leveren aan de geplande acties.
Algemeen wordt gepleit voor het stopzetten van de steun aan de Israëlische nederzettingenpolitiek. Daarvoor zijn er tal van mogelijkheden en instrumenten die de Belgische overheid kan aanwenden. Wat de herkomst van de producten zelf betreft, wordt in de publieke communicatie rond de actie geen concrete politieke eis naar voor geschoven. Als de organiserende koepels extern, door media of door politici, bevraagd worden over wat politici dan wel moeten doen, is de basispositie: 'het minste dat de overheid kan doen is een adequate etikettering opleggen'. Daarvoor is er een stevige wettelijke basis en relatief grote politieke steun op EU-niveau. Het Midden-Oostenoverleg (in gezamenlijk overleg met Franstalige organisaties) was het hierover eens als minimale terugvalbasis.
Daarnaast zal de campagne 'in de diepte' België en Europese Unie aanmanen de Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden te veroordelen. De verklaringen van de EU, gestoeld op het internationaal humanitair recht, zijn ondubbelzinnig: Israëls nederzettingen zijn illegaal en een obstakel voor het vredesproces. Toch zetten zowel de lidstaten als de EU weinig concrete stappen om hun woorden kracht bij te zetten. Wij vragen dat ze niet alleen de druk op de Israëlische regering opvoeren, maar ook garanderen dat de nederzettingen in geen enkel opzicht van Europese steun genieten.
Organisaties zullen naar een engagement gepeild worden vanuit volgende taakverdeling:
Het ACW is in de voorbije weken meermaals bevraagd – zowel door externe maar eveneens door interne partners (MOC) - naar haar engagement betreffende het Israëlisch-Palestijn conflict. De actualiteit van de regio heeft aan ACW de kans geboden om haar inhoudelijke benadering op scherp te zetten.
Het is daarbij duidelijk dat ACW, in samenwerking met haar strategische partners Pax Christi Vlaanderen & Broederlijk Delen, opteert voor:
In die optiek heeft het ACW ook een bijdrage geleverd om de Belgische Regering ervan te overtuigen zich positief uit te spreken ten overstaan van een opgewaardeerd VN-statuut voor Palestina en zijn we dan ook uitermate verheugd met de constructieve houding van de Belgische Regering ter zake. In de nabije toekomst blijven we ook vanuit deze invalshoeken het conflict benaderen. Zij vormen ook de blauwdruk om initiatieven vandaag en morgen vanuit de Vredesbeweging te ondersteunen.
Hoe dan ook merken we op vandaag de dag dat een duurzame oplossing moeilijk tot stand zal komen zo lang er geen eind komt aan de bezettings- en nederzettingenpolitiek, die erop gericht lijkt een tweestatenoplossing te bemoeilijken. Zonder hier een voortrekkersrol te moeten opnemen (weggelegd voor de Noord-Zuid-Koepel), moet het ACW wel bepalen in welke mate het zich in het voorjaar van 2013 wenst te engageren in nakende campagnes (cf. 4.1. en 4.2). Deze hebben als doel de nederzettingpolitiek aan de kaak te stellen en meer bewustwording ter zake tot stand te brengen. Ten overstaan van de campagnes van respectievelijk 11.11.11 en Intal en de gehanteerde inhoudelijke invalshoeken (cf. 2 en 3) heeft de bestuurlijke bespreking tot doel:
Toen miljoenen Congolezen in 2006 voor het eerst in meer dan veertig jaar deelnamen aan vrije verkiezingen was dit een historisch en hoopvol moment. Nu, 5 jaar later, zijn er opnieuw verkiezingen. Op 28 november worden, in principe, presidents- en parlementsverkiezingen georganiseerd. Deze verkiezingen zijn minder historisch dan vijf jaar geleden, maar daarom niet minder cruciaal. Bij de officiële start van de verkiezingscampagne (vrijdag 28 oktober), waarschuwen Belgische organisaties voor obstakels die het 'democratische feestje' serieus kunnen verpesten.
Wij zijn voorstander van verkiezingen, op voorwaarde dat ze vrij, transparant én vreedzaam verlopen en bijdragen tot de prille democratie en de fragiele vrede. Op dit moment is dit echter niet vanzelfsprekend in Congo.
Op minder dan een maand van de verkiezingsdag, worstelt het immense land met allerlei obstakels, zowel op logistiek, technisch en politiek vlak, als inzake veiligheid. In een race tegen de tijd probeert de kiescommissie, de CENI, nog snel het kiesmateriaal af te werken en te verspreiden over het hele grondgebied. Het is begrijpelijk dat verkiezingen organiseren in een land zo groot als Europa, met slechte transportmogelijkheden en conflictregio's, een enorme inspanning vraagt. De tijdsdruk mag evenwel geen argument zijn voor slordigheid, of de transparantie en het vredevolle verloop van de verkiezingen in het gedrang brengen.
Oppositiepartijen verkondigen al maanden dat de registratie van meer dan 32 miljoen kiezers niet correct verliep. Wekelijks betoogden aanhangers van de UDPS, de partij van de 79-jarige presidentskandidaat Etienne Tshisekedi, in de hoofdstad Kinshasa voor meer transparantie. Ook het middenveld en internationale organisaties zoals International Crisis Group en het Carter Centre hebben hun twijfels bij de kiezerslijsten. Ondertussen sloot de oppositie eindelijk een akkoord met de CENI over de audit van het kiezersbestand.
Deze toenadering kan de toenemende spanningen tussen meerderheid en oppositie temperen. Een bewijs van die spanningen zijn de gewelddadige incidenten begin september tussen aanhangers van UDPS en PPRD (partij van Kabila). Beide kampen zijn overtuigd van een verkiezingsoverwinning. Wij vinden dit een verontrustende houding en vrezen dat geen van beide partijen een nederlaag zal aanvaarden. Dat kan leiden tot meer geschillen en geweld zowel tijdens als na afloop van het verkiezingsproces.
Omdat het centrale discussiepunt - het gebrek aan transparantie - vreedzame verkiezingen bemoeilijkt, moet de kiescommissie dringend haar verantwoordelijkheid opnemen en zo de gemoederen helpen bedaren. De audit van een kiezersbestand is een eerste stap in de goede richting. Het is nodig dat de kiescommissie deze audit op een transparante manier uitvoert om duidelijk de berichten over fraude te ontkrachten en de publicatie van de kiezerslijsten en de ligging van de stembureaus mogelijk te maken.
Daarnaast vinden we dat de commissie dringend moet zorgen voor een constructieve dialoog tussen de regering, de presidentskandidaten en het middenveld. Enkel zo kan men een nationaal en politiek gedragen consensus bereiken over de haalbaarheid van eerlijke en vreedzame verkiezingen op 28 november en het verdere verloop van het verkiezingsproces.
Wij vragen dat België samen met andere donoren druk uitoefent om die politieke dialoog en consensus mogelijk te maken. Daarnaast vragen we dat de internationale donoren nog een tandje bijsteken om electorale vorming en sensibilisatie van de bevolking te steunen in regio's waar dat niet of amper gebeurde. Tenslotte roepen we hen op om samen met de Congolese autoriteiten maatregelen te nemen zodat de politie en het leger met de steun van de VN-vredesmacht de veiligheid van de bevolking garanderen in regio's waar het risico op verkiezingsgeweld het grootst is.
Niet alleen de Congolezen zijn verantwoordelijk voor mogelijk geweld. Ook de internationale gemeenschap moet haar verantwoordelijkheid verder opnemen door bijkomende inspanningen te leveren in de onzekere, maar cruciale periode waarin de DR Congo zich nu bevindt. Ivoorkust ligt nog vers in het geheugen. Iedereen is gewaarschuwd.
Wereldwijd sterven zo'n 1 000 vrouwen per dag ten gevolge van complicaties tijdens de zwangerschap of bevalling. Meer dan de helft hiervan in Afrika. Ook vandaag begraven ouders 22 000 kinderen jonger dan vijf jaar. Dat zijn er net geen 1 000 per uur. Longontsteking staat op nummer één bij de doodsoorzaken van deze kinderen, diarree en malaria vullen de top drie aan. Ziektes die perfect te behandelen zijn.
Ik kan nog wel even doorgaan. Ondervoeding bijvoorbeeld. Tegen het einde van deze Wereldgezondheidsdag zijn er bijna 8 000 kinderen gestorven aan ondervoeding. En dan zwijg ik nog over de duizenden aidsdoden. Of de vele mensen die soms banale verwondingen niet overleven, omdat ze geen geld hebben om zich te laten verzorgen. Vele doden die te voorkomen zijn.En toch zijn deze harde cijfers niet overtuigend genoeg. Voor overheden, hier en ginder, is gezondheid wereldwijd nog steeds geen prioriteit. Anders hadden we vandaag wel al verder gestaan, na 61 Wereldgezondheidsdagen.
Als we vooruitgang boeken in het Zuiden, komt het door initiatieven van de mensen zelf. Door zélf hun gezondheid in handen te pakken. Door een mutualiteit op te richten, samen een financiële reserve aan te leggen en zo zelf hun toegang tot gezondheidszorgen te verzekeren. Door zich te verenigen en samen betere verzorging te eisen, van de zorgverstrekkers en van hun overheden.
Op plaatsen waar de partners van Wereldsolidariteit zich organiseren voor toegang tot gezondheidszorg dalen deze sterftecijfers spectaculair. Wat ze doen is dus van levensbelang.
De campagne van Wereldsolidariteit in 2011 "kom op voor gezondheidszorg wereldwijd" is een aanklacht tegen de vele mensen die vandaag onnodig sterven. Tegelijk is het een oproep en een eis aan onze overheid en overheden in het Zuiden om eindelijk in actie te schieten. Want als we echt stappen vooruit willen zetten, zijn er meer inspanningen nodig. Niet alleen van Belgische kant, maar ook van de internationale gemeenschap.
België besteedt amper 9% van haar ontwikkelingsbudget aan gezondheidszorg. En hoewel we net op dit domein enige expertise hebben, wil ons land liever niet al te veel meer investeren in gezondheidszorg in het Zuiden. Congo is al uit de boot gevallen.
15% van het Belgische ontwikkelingsbudget besteden aan gezondheidszorg zou niet overdreven zijn. Dat staat gelijk aan het percentage dat de Afrikaanse landen waren overeen gekomen aan gezondheidszorg te besteden sinds 2001. Enkel met dergelijke, grotere en voorspelbare inspanningen kan financiële en technische steun aan de ontwikkeling van het gezondheidsbeleid van de landen in het Zuiden worden gegarandeerd op lange termijn. En dat is hoogst nodig.
Als sociale bewegingen promoten het ACW, Wereldsolidariteit, Pax Christi en Broederlijk Delen vrede en de bescherming van mensenrechten. Wanneer burgers het slachtoffer zijn van grove schendingen van het internationaal recht, moet de internationale gemeenschap ingrijpen om hun bescherming te garanderen. Het principe van responsibility to protect, dat wordt toegepast in de interventie in Libië, is ontwikkeld om een herhaling van tragedies zoals de genocide in Rwanda te voorkomen.
Ondanks onze voorkeur voor een geweldloze aanpak van conflicten, kanten wij ons niettegen de huidige militaire interventie in Libië. Hoewel deze interventie mede is ingegeven door geopolitieke belangen, kan ze als laatste toevlucht bijdragen tot een ommekeer in de machtsverhoudingen. We willen er echter op wijzen dat er geen eenvoudige oplossing voor dit conflict, dat lang kan duren, bestaat. Een militaire interventie is altijd een groot risico. Het is ook gemakkelijker om in een conflict verwikkeld te geraken dan eruit te stappen.
Daarnaast hebben we bedenkingen bij de militaire interventie zoals ze zich nu ontwikkelt: de verdeeldheid tussen de coalitieleden, de onduidelijkheid over het einddoel, het gebrek aan een consequent beleid over de nood aan militaire interventies. De onduidelijkheid over de strategie en commandostructuur moet onmiddellijk worden opgelost. Zoniet kan de externe interventie het land nog verder destabiliseren. Het is positief dat de Belgische regering zich reeds uitsprak over het einddoel, namelijk de bescherming van burgers, en zich kantte tegen het inzetten van grondtroepen.
We willen nogmaals benadrukken dat het gebrek aan een coherent Europees en Amerikaans Midden-Oostenbeleid zich nu wreekt. De rechten van burgers in de regio zijn nooit een prioriteit geweest voor de Westerse landen die, tegen beter weten in, wapens leverden aan misdadige regimes. Economische en oliebelangen primeerden steeds en resulteerden in de huidige catch22 waarbij de coalitieleden nu het regime bestrijden dat ze bewapenden.
De tussenkomst waartoe nu beslist is, moet volledig gericht zijn op de bescherming van de burgerbevolking en moet een massaal bloedbad voorkomen. De Europese Unie moetop diplomatiek vlak actief zijn om de gewapende strijd te doen beëindigen, in samenspraak met de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie. Daarnaast moet ze nadenken over de volgende fase, na de interventie. Het zal een grote uitdaging zijn om voldoende kansen te geven aan een burgerdemocratie in een olierijk land waar momenteel een sterke oppositie en een slagkrachtig middenveld ontbreken.
De migratieproblematiek, de toenemende islamisering en de wens naar stabiliteit omwille van economische- en oliebelangen zorgden ervoor dat de EU vooral lippendienst bewees aan democratisering en dictators in het zadel hield. Ongewild is de EU mede verantwoordelijk voor de huidige crisis. Europa moet nu en in de nabije toekomst zijn fouten herstellen.
De volksprotesten in Tunesië, Egypte, Libië en andere landen zijn het Midden-Oosten grondig aan het veranderen. De presidenten van Tunesië en Egypte zijn verjaagd, er zijn beperkte hervormingen doorgevoerd in Jordanië en het protest in Saoedi-Arabië groeit. In Libië dreigt echter het gevaar van een echte burgeroorlog, waarbij kolonel Kadhafi grof geweld gebruikt tegen de burgerbevolking en een zwaar tegenoffensief lanceerde tegen de rebellen.
Terwijl de protesten hun dynamiek hebben en de uitkomst onzeker is, ontkrachten ze nu reeds de heersende beeldvorming over de regio. Ze tonen dat democratisering geen onmogelijke droom is. Als sociale bewegingen, steunen we de bevolking die op eigen kracht een einde stelt aan dictaturen en beschouwd wil worden als rechthebbenden. Deze protesten zijn een lichtpunt in een regio die gedurende decennia verlamd werd door politieke impasses en inmenging van buitenaf.
De stijgende werkloosheid, voedselprijzen, sociale ongelijkheid en de bevolkingsexplosie voedden de protestbewegingen die spontaan ontstonden in de verschillende landen. Ondanks de economische hervormingen, verslechterde de socio-economische situatie van de meerderheid van de 300 miljoen inwoners in de regio. De liberalisering, waar ook de Europese Unie op aanstuurde, bracht geen welvaart en versterkte de corruptie en de macht van een kleine elite. De bevolking begreep dat economische hervormingen niet mogelijk zijn zonder politieke hervormingen. Daarom eist ze eerst en vooral een billijker en democratisch systeem.
De eis op vrijheid en waardigheid is dé motor voor de protestbewegingen. In het Westen heerste te lang de mythe over een regio waar democratie geen wortel kan schieten. De vernedering van de burgers door de dictatoriale regimes en de houding van de internationale gemeenschap, werd niet gezien. Nochtans zijn hun wensen niet uitzonderlijk: waardigheid en vrijheid. Ze willen een einde aan de cultuur van corruptie en straffeloosheid, noodwetten, betogingverbod, arbitraire arresten, enz. Wat alle protesten verbindt is de eis op een legitiem bestuur: de garantie van burger- en politieke rechten door vertegenwoordiging, rekenschap door de machtshebbers, en een beperkte regeringstermijn. Dit moet gebeuren door het instellen van een rechtsstaat, een pluralistisch systeem, waar ook de Moslimbroeders deel van kunnen zijn. De 'Arabische straat' wil zelf beschikken over haar lot. Ze zal niet zo volgzaam zijn tegenover de internationale gemeenschap als de dictatoriale regimes.
Eén van de grote uitdagingen, is een democratische transitie met diepgaande hervormingen. Zo spelen leiders van het ancien régime een grote rol in het transitieproces in Tunesië en Egypte. De politieke oppositie is ook zwak en weinig georganiseerd door de jarenlange politieke repressie. De vakbondverenigingen, de Moslimbroeders of islamistische beweging, jongeren en een aantal intellectuelen vormen de voornaamste oppositiekrachten. Ze hebben echter geen gemeenschappelijke visie of platform. Het gevaar bestaat dat zij niet voldoende betrokken zullen worden in de transitie. Een andere valkuil is dat vrouwen, die een cruciale rol speelden bij de geweldloze protesten, uitgesloten worden bij de politieke, constitutionele, juridische en institutionele hervormingen.
Bij de aanvang van de protesten gebruikten de regimes in onder meer Tunesië, Egypte, Algerije en Bahrein geweld tegen de burgerbevolking. De situatie in Libië is echter ronduit alarmerend. Het is positief dat de VN-Veiligheidsraad de situatie doorverwees naar het Internationaal Strafhof en er sancties tegen het regime van kolonel Kadhafi werden ingezet. Het regime van Kadhafi verscherpte echter zijn aanvallen tegen de rebellen die een groot deel van het land controleren en gebruikt buitensporig geweld. Om een burgeroorlog te voorkomen en de burgers te beschermen, overwegen sommige Westerse landen militaire stappen zoals de oplegging van een no fly zone. Dit is echter een zeer ingrijpende maatregel die slechts uitzonderlijk succesvol is, en zeker niet zonder extra grondtroepen. De bevolking en de rebellen zijn gekant tegen een Westerse militaire interventie. De internationale gemeenschap moet lessen trekken uit de fiasco's van Irak en Afghanistan en een meer coherent beleid inzake militaire interventie hanteren. Waarom wel eventueel optreden in Libië, maar niet in Gaza of Darfoer? Een militaire interventie zou contraproductief zijn en ook veel burgerslachtoffers maken. De internationale gemeenschap moet aandringen op een staak-het-vuren en op onderhandelingen. Daar ligt een belangrijke taak van de VN-Veiligheidsraad.
Het ACW, Broederlijk Delen en Pax Christi pleiten voor een coherenter Europees Midden-Oostenbeleid en dringen er bij de Belgische regering op aan dat ze hier mee voor ijvert. De EU moet aan de kant van de volksbewegingen staan en hun legitieme strijd steunen. Het Europese economische en politieke beleid in de regio faalde. Dit was eng toegespitst op de eigen belangen: economische akkoorden, samenwerking in de strijd tegen terrorisme en migratie, enz. In de hoop op stabiliteit werden de Europese waarden opgeofferd. De nieuwe geopolitieke situatie noopt tot een ander beleid met behoud van de lange termijn visie: de totstandkoming van een democratische, stabiele en welvarende regio. Het dilemma tussen stabiliteit en dictaturen moet echter sneuvelen. De Europese ervaring inzake democratische transities, de rechtstaat en internationaal recht moeten worden ingezet. De EU moet haar instrumenten zoals het Nabuurschapsbeleid aanwenden om de transities te bevorderen. Bovenal moeten de Europese lidstaten afzien van ongevraagde politieke en militaire inmenging.
De wanhoopsdaad van Mohammed Bouazzi, een Tunesische jongere die zichzelf in brand stak bij gebrek aan sociaal-economische levenskansen, veroorzaakt als het ware een schokgolf in het Midden-Oosten. Het straatprotest deint uit van Tunesië tot Egypte en van daaruit tot in Jordanië en Jemen. Worden na het slopen van de Berlijnse Muur zo'n 20 jaar geleden, nu ook tal van Arabische dictaturen gesloopt?
Ben Ali is als president van Tunesië geweken, het protest in Egypte heeft ertoe geleid dat Moebarak zijn plannen, om de fakkel aan zijn zoon door te geven, heeft laten varen en de Jordaanse koning Abdullah II herschikte zijn regering om de sociaaleconomische hervormingen te bespoedigen. Ondanks deze veranderingen blijft het koffiedik kijken of het straatprotest effectief leidt tot het einde van de Arabische dictaturen? En belangrijker: wat daarvoor in de plaats komt.
Honderdduizenden Egyptenaren gingen de straat op en bezetten het Tahrir-plein om Hosni Moebarak tot ontslag te dwingen. Veel Westerse leiders steunden het protest met mondjesmaat. Beducht als ze zijn voor regimeveranderingen.
Bevreesd voor de Moslimbroeders die van een machtsvacuüm gebruik kunnen maken om de politieke macht te veroveren. Radicale en lokaal georiënteerde groeperingen vormen vaak de voornaamste oppositiebron in heel wat landen in de het Midden-Oosten. Opvallend is echter dat de betogingen op dit moment niet gedomineerd worden door politieke of islamistische bewegingen. Geen ordewoord als 'Jihad' doch 'hurryah' (vrijheid). De volksrevoluties zijn het gevolg van de gewone man en vrouw die op straat komen uit verzet tegen dictatoriale en corrupte regimes. Ze blijven niet bij de pakken zitten. Ze zijn de dictatoriale cocon ontgroeid en pleiten voor werk, een betere levensstandaard en méér vrijheid.
Het protest deinde langzaam uit. Daar speelde de sociale media een voorname rol in. Zoeken mensen bij gebrek aan mobilisatiekracht van een sterk middenveld andere middelen die hen ter beschikking staan? De vraag is of dit volksprotest kan afgedaan worden als een Facebookrevolutie? We kunnen er niet omheen dat internetwegen een massale mobilisatie vergemakkelijken, zeker bij de jongeren. Daarenboven dragen sattelietzenders zoals Al-Jazeera ook bij tot het domino-effect van deze protestbewegingen. Doch, slechts 16% van de Tunesiërs en 5% van de Egyptenaren hebben toegang tot facebook. In landen waar de helft van de bevolking met minder dan 2 dollar per dag moet rondkomen, is de digitale kloof erg groot. De sociale media waren de trigger, maar het ongenoegen zit dieper, de mobilisatiekracht grotendeels elders. De snelle mobilisatie in de verschillende landen is vooral het gevolg van de aanhoudende economische en politieke frustraties. Versterkt door de vaststelling dat het burgerprotest in de andere landen in de regio ook werkt. Maar vooral: voor zo'n massa revoltes is er nood aan organisaties. En dat gebeurde door de kleinschalige burgerbewegingen die de dictaturen hebben overleefd. Vooral vakbonden, zowel van arbeiders als van dokters en advocaten, en door wat de politieke Islam wordt genoemd.
Het blijft echter de vraag wat er valt te gebeuren als de huidige leiders vertrokken zijn? Houdt de protestbeweging stand tot de verhoopte politieke en economische hervormingen vorm hebben gekregen? Alarmerende democratische tendensen, de hoge werkloosheid, de stijgende voedselprijzen vormen gigantische uitdagingen. Veel Westerse beleidsmakers vrezen dat de politieke islam de dominante politieke beweging zal worden in die landen. Waarnemers wijzen erop dat de opstandige bevolking vooral uit is op sociaaleconomische verbeteringen en meer democratische zeggenschap.
Vandaar is het ook uitkijken naar de houding van de internationale gemeenschap. In het verleden steunde het Westen deze regimes in de hoop om stabiliteit te garanderen en de opkomst van de politieke islam tegen te gaan. Het precedent van de islamitische revolutie in Iran in 1979 en de kaping van de revolutie door de ayatollahs, ligt velen nog vers in het geheugen. De jarenlange steun aan dictatoriale regimes heeft echter geen dam opgeworpen tegen het islamisme, maar het daarentegen versterkt. Het Westen moet inzien dat blijvende sociale ongelijkheid en het behoud van de status quo, het ongenoegen kan versterken en burgers kan radicaliseren.
Vanuit het ACW pleiten we dan ook voor een voorzichtige benadering van de internationale gemeenschap. Zij moet zich niet bezondigen aan politieke inmenging. Ze moet aandacht besteden aan de signalen die de bevolking zendt en kansen aanreiken voor het versterken van het sociaal middenveld in deze regio. Een middenveld dat een stem kan geven aan de samenleving, die niet enkel zoals in het verleden verklaard kan worden doorheen de bril van de Islam. Een goed georganiseerd democratisch middenveld vormt vaak de beste dam tegen extremisme. Mensen die zich organiseren, verrichten niet enkel nuttig werk in de samenleving, zij kunnen hun stem laten horen en als het nodig is, 'een vuist maken'. Geef de bevolking dus voldoende kansen om de democratie mede vorm te geven. Na jaren monddood te zijn gemaakt komt het de geteisterde bevolking toe.
Met zowat 300 miljoen zijn ze, de vrouwen en jonge meisjes die werken als huispersoneel, en daarbij dikwijls worden uitgebuit. Het is, volgens een recent rapport van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), één van de meest voorkomende jobs voor vrouwen wereldwijd. Huisarbeid wordt echter in veel landen nog steeds niet als een volwaardige job erkend. Huispersoneel heeft bijgevolg geen degelijk arbeidsstatuut. Bovendien is het erg onzichtbaar werk: de werkplaats is dikwijls een privéwoning of een diplomatieke post. Daarom is de kans op misbruik of wantoestanden zo groot.
Wat zich achter gesloten deuren afspeelt, daar krijgen we maar sporadisch lucht van. Maar als de verhalen de buitenwereld halen, dan is het wel even slikken. Twee weken geleden berichtte de internationale pers over Sumiati binti Salan Mustapa, een Indonesische die in Saoedi Arabië aan de slag was als dienstmeid, en door de vrouw des huizes met een schaar bewerkt werd. En wat te denken van L.T. Ariyawathi, een Srilankaanse huisarbeidster, eveneens in Saoedi Arabië, die in augustus gerepatrieerd werd naar haar thuisland met 24 gloeiende spijkers in haar handen, voeten en gezicht.
Reden: de werkgever was niet tevreden over haar werk. Ook in België doen zulke wantoestanden zich voor. Begin november kwam eindelijk de zaak van de 17 "moderne slavinnen" voor de raadkamer in Brussel. De zaak gaat over 17 "moderne slavinnen" die vluchtten uit een Brussels luxehotel. Hun werkgever, een rijke familie uit Abu Dhabi huurde er een volledige verdieping af. Voor het dienstpersoneel was het minder luxe: slapen in de gang op de grond, eten wat rest en vooral de klok rond beschikbaar blijven.
Om dit soort mistoestanden te voorkomen, pleiten ACV en Wereldsolidariteit al jaren voor afdwingbare arbeidsregels voor huispersoneel. Een belangrijke stap daartoe werd in juni van dit jaar gezet tijdens de jaarlijkse arbeidsconferentie van de IAO. Elk jaar in juni verzamelen vertegenwoordigers van vakbonden, werkgevers en regeringen van 183 landen in Genève om er te werken aan internationale arbeidsvraagstukken. Eén van die vraagstukken, "waardig werk voor huispersoneel", stond dit jaar hoog op de agenda van de conferentie.
In de commissie die zich over dit vraagstuk boog, kortweg de "commissie huisarbeid", zetelden voor het ACV Pia Stalpaert en Jeanne Devos. Pia Stalpaert is de Nationaal Secretaris van ACV Voeding en Diensten, de centrale die het huispersoneel in België organiseert. De Belgische Jeanne Devos begon 25 jaar geleden in India met het organiseren van meisjes en jonge vrouwen die als huisarbeidster aan de slag gingen in de stad, al te dikwijls in erbarmelijke omstandigheden. Vandaag is haar initiatief uitgegroeid tot een massabeweging, de National Domestic Workers Movement, die meer dan 2 miljoen leden telt, actief is in 23 staten in India en de grootste organisatie van en voor huispersoneel ter wereld is. Jeanne Devos geniet vandaag internationaal aanzien. Mede door het werk van zo'n grote beweging is de roep naar internationale arbeidsregels harder beginnen klinken en is dit 'dossier' op de onderhandelingstafel van de IAO gekomen.
Dit jaar besloten overheden en sociale partners in deze commissie huisarbeid, na veel debatteren, dat huisarbeid gereglementeerd moet worden en zijn ze bereid daartoe een nieuwe internationale IAO conventie uit te werken, aangevuld met een aanbeveling. Dergelijke conventies van de IAO hebben een bindend karakter eens ze door landen geratificeerd worden. Ook de Belgische regering stemde in de commissie huisarbeid vóór een conventie en aanbeveling.
Op basis van die eerste discussies, stelde de IAO dan een eerste voorstel van conventie en aanbeveling op, een soort van eerste "wetsvoorstel". De conventie zal huisarbeid expliciet erkennen als "werk" en dus voor het eerst de arbeidsrechten van huispersoneel vastleggen, net als de rechten en plichten van hun werkgevers. Dat betekent dat huispersoneel, net zoals alle andere werknemers, hun recht op vereniging en collectieve onderhandelingen zullen kunnen laten gelden. Er zullen duidelijke richtlijnen komen over het afsluiten en de bepalingen van het arbeidscontract, de werkuren en hun taakomschrijving. Bovendien wordt ook duidelijk gesteld dat er controle moet komen op de naleving van al deze regels.
Sinds begin september mogen alle lidstaten van de IAO hun opmerkingen en suggesties met betrekking tot dit eerste voorstel van conventie en aanbeveling overmaken. In België zullen de sociale partners zich over deze teksten buigen in het kader van de Nationale Arbeidsraad. Een eerste vergadering, gepland voor 26 november ll., werd uitgesteld. We hopen alleszins dat dit tripartiet overleg snel plaatsvindt en dat ons land de kaart zal trekken van de huisarbeidsters en dus voor een stevige conventie zal gaan. Bovendien kan ons land ook een positieve rol spelen op Europees niveau door de andere lidstaten te overtuigen van het belang van afdwingbare arbeidsregels voor huispersoneel.
Zo'n 140 staatshoofden en regeringsleiders tekenden present in New York, waar tussen 20 en 22 september de tussenstand werd opgemaakt van de Millenniumdoelstellingen. Dat zijn de acht doelstellingen die de wereldleiders in 2000 voorstelden om de armoede te bestrijden. Het was het meest ambitieuze project ooit om de ongelijke ontwikkeling uit de wereld te helpen, en de eerste keer dat armoede, honger, gezondheid en vele verwante problemen zo hoog op de internationale agenda werden geplaatst.
En wel met acht concrete, haast tastbare intenties. Sterker nog, de doelstellingen waren meetbaar en van een streefdatum voorzien: 2015. Vandaag binnen welgeteld vijf jaar maken de staatshoofden en regeringsleiders de som: halvering van de armoede en honger; basisonderwijs voor iedereen; gendergelijkheid; de kindersterfte met twee derde terugdringen en de kraambedsterfte met drie kwart; de verspreiding van HIV/AIDS is stopgezet; en we leven in een duurza(a)m(er) milieu. Hoe we dit gaan doen staat geformuleerd in de achtste doelstelling: een mondiaal partnerschap voor ontwikkeling.
Tot grote ontsteltenis van vakbonden wereldwijd, Noord-Zuidorganisaties en de Internationale Arbeidsorganisatie, hadden de regeringsleiders het thema arbeid over het hoofd gezien wanneer ze de acht doelen opstelden. Pas na intens lobbywerk werd waardig werk in 2007 toegevoegd als sub-target onder de eerste doelstelling. Met dit nieuwe streefdoel bevestigde de Verenigde Naties waardig werk als strategie om de armoede uit te bannen en de ongelijkheid weg te werken. Maar het belang van arbeid mag niet beperkt worden tot MDG 1: de Millenniumdoelstellingen kunnen niet gehaald worden zonder vooruitgang op het gebied van waardig werk.
Als regeringen en internationale beleidsmakers de Millenniumdoelstellingen écht willen realiseren tegen 2015, kan dit niet zonder waardig werk tot prioriteit te maken van hun economisch, sociaal en ontwikkelingsbeleid. En net daar schieten de MDG's tekort. Nog steeds engageren ze zich in New York liever om scholen te bouwen of ziekenhuizen, dan om de minder neutrale politieke kaart van waardig werk te trekken. Nochtans klinkt de roep om waardig werk steeds luider in het aanzien van de economische en financiële crisis, de klimaatsverandering en de stijgende prijzen van grondstoffen en energie. Ook België heeft hier nog heel wat stappen te zetten om van waardig werk een echte toetssteen te maken in haar ontwikkelingsbeleid, buitenlandse betrekkingen en handel.
Heeft zo'n top dan eigenlijk wel zin? Toch wel, al is het maar om de landen te herinneren aan hun engagementen. Dat blijvende inspanningen nodig zijn. Méér dan vandaag het geval is. Want met welke cheque je ook zwaait in New York, of het nu 1 miljard is of 40, het wordt tijd dat landen deze beloftes nakomen. De ontwikkelingshulp van rijke landen nam tussen 2004 en 2010 dan wel toe met 34%, nog steeds bedraagt het minder dan 0,33% van het Bruto Nationaal Product. En dat is veel minder dan de 0,7% die in 1970 beloofd werd.
Een BLEU-akkoord is gericht op het tot stand brengen van een sereen investeringsklimaat tussen de landen die het akkoord afsluiten, in casu België en Colombia. Op die manier wensen deze landen wederzijdse bescherming te bieden voor de investeringen van de economische partners uit beide landen. In mensentaal, indien een Belgisch bedrijf zich wil vestigen in Colombia zal het een aantal financiële en juridische garanties krijgen. Daardoor zal het ontwikkelen van economische activiteiten op elkaars grondgebied gefaciliteerd worden. Voor ACW en onze eerste betrokken partners, met name ACV en Wereldsolidariteit, moeten dergelijke akkoorden ook voldoende sociaaleconomische garanties bieden (gunstige loon- en arbeidsvoorwaarden, belang van de sociale dialoog, vrijheid van vereniging). Met andere woorden: dergelijke akkoorden moeten er ook toe bijdragen dat de werkgelegenheid, die op grond van deze overeenkomst gecreëerd wordt, ook echt waardig werk is.
In het afgesloten handelsakkoord met Colombia, in het bijzonder en in de BLEU-akkoorden in algemene zin, wringt hier precies het schoentje. Arbeidsvoorwaarden, waardig werk en sociale clausules worden immers, ook door België, al te vaak uit deze akkoorden geweerd. Daardoor worden ze onmogelijk instrumenten van een duurzame en sociaaleconomische ontwikkeling. Niet enkel het economische klimaat moet er beter van worden, ook de werknemers moeten er de vruchten van kunnen plukken, zo beargumenteert de Coalitie Waardig Werk.
ACV en Wereldsolidariteit hebben hiertegen, via de samenwerkingscoalitie 'Waardig Werk' tussen vakbonden en ngo's, verzet aangetekend. Mét succes. In korte tijd is men er dankzij intens lobbywerk in geslaagd om het belang van waardig werk en respect voor de arbeidsrechten in dergelijke akkoorden hoog op de agenda te zetten. Nationale en deelregeringen, zo vraagt de coalitie, moeten rekening houden met voldoende sociale standaarden bij het afsluiten van internationale handels- en investeringsakkoorden. De Vlaamse en de Waalse regering hebben beslist dat het akkoord niet ondertekend zou worden, precies omwille van te weinig garanties op vlak van waardig werk en het respect voor de arbeidsnormen. Door de tegenkanting van de gewestregeringen kan ook de Belgische regering het akkoord niet bekrachtigen.
Het akkoord zal dus niet in werking treden. Het kan ook niet langer vanuit de Belgische regering heronderhandeld worden. Sedert het Europese Verdrag van Lissabon is het afsluiten van investeringsakkoorden immers een Europese bevoegdheid geworden, in het kader van een Gemeenschappelijk Europees handelsbeleid. Dat betekent meteen dat er ook Europese lobbystrategieën moet ontwikkeld worden, waarbij vakbonden en ngo's sterk pleiten voor de opname van internationale arbeids- en milieuclausules in akkoorden, gesloten tussen de Europese Unie en derde landen.