Een nieuw decreet voor het landschap voorschoolse kinderopvang: ACW-standpunt op visie Kind & Gezin

De Vlaamse regering heeft zich geëngageerd tot een alomvattend decreet voorschoolse kinderopvang. Het landschap is immers verre van doorzichtig op vlak van voorwaarden. Uniforme regels dringen zich op. Bovendien roepen wetenschappelijke rapporten en aanbevelingen van internationale instellingen op om verder te gaan dan enkel een (organisatorische) harmonisatie. Vaststellingen uit de ontwikkelingspsychologie winnen terrein en nodigen uit om de inhoudelijke uitwerking van de Vlaamse kinderopvang tegen het licht te houden. Ook het Europese jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting biedt een ideale opportuniteit om kinderopvang vanuit een andere hoek te bekijken.

Nieuwe inzichten nopen ook ACW tot het actualiseren van haar standpunten. De laatste standpunt nota 'Acht bouwstenen voor een kinderopvang in de 21ste eeuw' van 2007 vormt het vertrekpunt waarop verder wordt nagedacht.

De tekst is als volgt opgebouwd: een eerste punt beargumenteert waarom kinderopvang als sociale hefboom moet beschouwd worden. ACW neemt hier principieel standpunt in. Een tweede punt verhaalt wat nu op tafel ligt van kabinet en Kind & Gezin. Aanvullend wordt telkens het ACW-standpunt geformuleerd met het oog op een meer evenwichtig en vooral kansrijker decreet. Het laatste punt vat samen wat volgens ACW ontbreekt in de voorstellen.

In wat volgt, ligt de nadruk op de meerwaarde die een kwalitatieve opvang zou moeten hebben voor de ontwikkeling van elk kind, niet in het minst de ontwikkeling van het kansarme kind.

1 Fundamenteel principe voor ACW = kwalitatieve kinderopvang als basisrecht voor elk kind

1.1 Kinderopvang als sociale hefboom

Hoewel de sociale en de pedagogische functie van kinderopvang sinds minister Steyaert aanvaard zijn, is dit discours verre vanzelfsprekend op operationeel niveau. In de feiten zijn kinderen uit de middenklasse oververtegenwoordigd, terwijl kinderen uit de lagere inkomensgroepen ondervertegenwoordigd zijn. Dit is te verklaren doordat kinderopvang voornamelijk als instrument beschouwd wordt voor werkende ouders. Het belang van kinderopvang in functie van de ontwikkeling van kinderen wordt nog onderschat. Daarom wil het ACW kinderopvang niet alleen benaderen als een instrument voor de ondersteuning van werkende ouders en ouders op zoek naar werk, maar ook als een hefboom in de strijd tegen armoede. Immers, kenmerkend voor de kijk op kinderopvang tot nog toe is dat de meerwaarde van een kwalitatieve kinderopvang op de verdere levensloop wordt onderschat. De meest gevoelige periode voor de taalontwikkeling situeert zich bv. tussen 3 en 9 maand. Cognitieve functies vormen zich tussen 6 maand en 4 jaar.

Tijdens die levensfases worden dus de meeste verbindingen tussen de hersenen opgebouwd. Hoe meer divers de prikkels, hoe groter de kans op meer verbindingen, hoe rijker het menselijke brein. Kansarmoede belemmert de ontwikkeling al van in het eerste levensjaar op vlak van motoriek, zelfredzaamheid, socio-emotionele ontwikkeling, cognitieve vaardigheden en taal. Ter illustratie: peuters uit een kansarm milieu kennen gemiddeld 400 woorden, een kind uit een hoger opgeleid gezin 1200 woorden. Ook al bouwt Vlaanderen een gelijke onderwijskansenbeleid uit, toch merkt men dat ondanks alle extra zorg, specifieke competenties van het onderwijzend personeel en oog voor risicokinderen, het bijzonder moeilijk is om de opgelopen achterstand in te halen.

Ook vanuit economisch oogpunt loont het om flink te investeren in het jonge kind. Amerikaanse onderzoekers rekenden uit dat elke dollar die geïnvesteerd werd in de kinderopvang over de gehele levensloop van het individu $8 opleverde. Kansarme kinderen halen tot vijfmaal meer winst uit kinderopvang, op voorwaarde dat het om kwaliteitsvolle kinderopvang gaat. Bekijkt men het investeringsbeleid van de overheden in talentontwikkeling, dan gaat het meeste geld naar de student en het minst naar het jonge kind. De maatschappij investeert verkeerd, lijkt de neuro(psycho)logische wetenschap te zeggen. Enkel preventie loont, alleen maakte Vlaanderen die keuze (nog) niet.

Het kaderdecreet komt op een scharniermoment en vormt een goede gelegenheid om de wetenschappelijke bevindingen in beleid om te zetten. Net zoals onderwijs ingezet wordt in de democratiseringstrijd, moet kinderopvang ook zo'n sociale hefboomfunctie opnemen. ACW wil dat kinderopvang niet alleen beschouwd wordt als een voorwaarde opdat ouders kunnen werken, maar evenzeer als een bewuste maatschappelijke keuze die de ontwikkeling van alle kinderen, en vooral dan een kind uit een kansarm milieu, stimuleert.

Dit principieel uitgangspunt aanvaarden, veronderstelt bijkomende competenties en middelen om het in de praktijk om te zetten.


1.2 Enkel kwaliteitsvolle kinderopvang werkt als sociale hefboom

UNICEF[5] lichtte de kwaliteit van kinderopvang i.f.v. de kinderrechten door. Wat Vlaanderen betreft, ligt de grootste uitdaging in de scholingsgraad van het personeel. UNICEF stelt dat 80 % van het betreffende personeel minstens een basisopleiding moet gevolgd hebben voordat men mag starten in het beroep. Nascholing is hierbij belangrijk. UNICEF laat na de concrete score voor Vlaanderen weer te geven[6]. UNICEF stelt ook voor om het deel van het BBP dat gereserveerd wordt voor het jonge kind tot 6 jaar, op te trekken tot 1 %. Het Vlaams BRP voor kinderopvang tikte in 2008 af op 0,16 %.

Kiezen voor een kansrijk beleid is duur. Vlaanderen In Actie, het actieplan van de Vlaamse regering roept op tot een sense of urgency. Elk talent moet ten volle gevaloriseerd worden wil Vlaanderen een kenniseconomie nastreven. Kwalitatieve kinderopvang en gezinsondersteuning bieden hiervoor de nodige fundamenten.

De vraag is of de Vlaamse overheid zijn budgetten in die zin wil herschikken zodat er voldoende middelen naar uitbreiding van kinderopvang kunnen gaan. Dit vormt de beste garantie dat er voldoende plaatsen beschikbaar komen om ook de sociale en educatieve functie te realiseren. Dit vergt simulaties, planningsoefeningen op de lange termijn en een meerjarenbegroting.

2 Visienota van Kind & Gezin

Ter voorbereiding van het decretale werk, lanceerde Kind & Gezin een interne green paper. De daarin gemaakte keuzes werden voorgelegd aan de leden van het raadgevend comité. Telkens wordt in aftoetsmomenten voorzien. Voor het paasverlof wil het kabinet een eerste principiële goedkeuring door de Vlaamse regering om dan in het najaar het decreet op de agenda van de parlementaire commissie te plaatsen.

Leeswijzer: per deelpunt wordt de visie van Kind & Gezin weergegeven in hun woorden. Cursief staat de reactie van ACW, die o.m. gebaseerd is op de ACW-nota 8 bouwstenen voor het toekomstige beleid in de kinderopvang en op intern overleg.

2.1 Basisuitgangspunten voor een decreet kinderopvang

  • Alle gezinnen kunnen er op aan dat alle voorschoolse kinderopvang op basis van dezelfde voorwaarden wordt toegelaten.
  • Voldoende betaalbare (voor ouders en Vlaamse overheid) en leefbare opvangplaatsen mogelijk maken volgens behoefte.
  • Ruimte voor ondernemerschap.
  • Gelijke kansen op een kwaliteitsvolle opvang.
  • De ontwikkelingskansen van elk kind aanspreken en ondersteunen.Bevorderen van geattesteerde competenties van medewerkers
  • en omkadering op verschillende niveaus van de kinderopvangvoorzieningen.
  • Verantwoordbare groepsgrootte en ratio.
  • Gelijke toegang tot kwaliteitsvolle kinderopvang.
  • Respect voor diversiteit.

Standpunt ACW: wetenschappelijke basis, continuïteit in nascholing en vormingstrajecten, de aantrekkelijkheid van de job via degelijke personeelsstatuten, groeipaden zowel in tijd als middelen, stellingname dat kinderopvang een niet-economische dienst van algemeen belang is en dat dus enkel sociaal ondernemerschap kan, de link naar kansenarmoede, ouderwerking en informeren over aanbod naar ouders horen eveneens tot de basisuitgangspunten van het kaderdecreet.


2.2 Een vergunningssysteem legt de kwaliteit van kinderopvang vast

Vandaag is de professionele kinderopvang op drie leesten geschoeid: erkend-gesubsidieerde, zelfstandige en de enkel gemelde kinderopvang. In de toekomst moet elk initiatief voldoen aan dezelfde vergunningsvoorwaarden, eventueel gemodificeerd volgens soort opvang. Zonder vergunning kan men geen (formele) kinderopvang aanbieden.

De vergunning wordt op instellingsniveau per vestigingsplaats afgeleverd.

Uit internationaal onderzoek blijken drie factoren cruciaal voor een kwaliteitsvolle kinderopvang: de (geattesteerde) competenties van wie het kind opvangt, de groepsgrootte en de ratio gelijktijdig aanwezige kinderen per aanwezige kindbegeleider. Wat betreft de aanwezige competenties stelt Kind & Gezin dat per instellingsniveau drie groepen van functies uitgewerkt zullen moeten worden. Wat betreft het ratio ligt de piste voor om maximaal 6 gelijktijdige kinderen per begeleider toe te laten. Kind & Gezin laat wel speling toe door piekdagen te aanvaarden, werken met gemiddelden, ...

Kind & Gezin stelt dat geen enkele opvang nog geïsoleerd mag werken. Elke opvang laat zich voor pedagogische en kwalitatieve aspecten omkaderen door competent personeel. De omkadering hoort gescheiden te worden van de opvangtaken.

 Standpunt ACW: ACW is voorstander van een eenduidig vergunningsysteem waarbij de spelregels zo veel als mogelijk voor alle opvangsoorten gelden. Een vergunde instelling wordt geacht 'kwaliteitsvolle' kinderopvang aan te bieden. Wat 'kwaliteitsvol' is, moet bepaald worden door wetenschappelijke expertise en niet door de historisch gegroeide realiteit. Daarom is het van belang om tegelijkertijd met het vastleggen van vergunningscriteria ook groeipaden uit te tekenen en bijkomende middelen te voorzien zodat binnen afzienbare tijd ook de bestaande initiatieven aan de kwaliteitscriteria kunnen voldoen.

  • De inhoud van het vergunningstelsel moet de basisuitgangspunten expliciteren. Kind & Gezin leek in de visietekst een decalage tussen verwachtingen en voorwaarden in te schrijven. Daar kan ACW zich niet in vinden. Essentiële criteria voor een kwaliteitsvolle kinderopvang die horen deel uit te maken van een vergunning zijn o.a.:
  • inkomensgerelateerde kinderopvang
  • de sociale hefboomfunctie van kinderopvang realiseren
  • het volgen van sociale voorrangsregels, minimale openingstijden en bezetting, een gegarandeerde continuïteit en een goed werkend kwaliteitssysteem
  • het voeren van een inclusief beleid, respect voor diversiteit en het volgen van een non-discriminatieverklaring
  • informeren over aanbod, meewerken aan dispatching, werking naar de onderparticiperende ouder, informeel ouders versterken in het opvoeden
  • inrichting en veiligheid van de infrastructuur
  • deelname aan regionaal afgebakende netwerk, dat ondersteuning en begeleiding biedt
  • continuïteit in het competentiebeleid, geaccrediteerde (externe) ondersteuning wat betreft kwaliteitszorg.

Hoewel Kind & Gezin aanhaalt op wetenschappelijke basis te beslissen over de inhoud van de vergunning, wordt dit niet doorgetrokken tot op het concrete niveau. Ter illustratie: wetenschappelijke literatuur laat de ratio afhangen van zowel de draagkracht van het kind als van de begeleider. Daarom stelt ACW voor om de ratio te differentiëren volgens de leeftijd van het opgevangen kind: 1 op 3 bij kinderen < 1 jaar, 1 op 4 bij kinderen tussen 1-2 jaar, 1 op 6 voor kinderen > 2 jaar. ACW vraagt van het beleid de moed om voor die ambitieuze doelen onmiddellijk een inspanningsverplichting over een aantal jaren heen uit te werken. Met een groeipad kan gestaag maar zeker de wenselijke doelen gerealiseerd worden.

In voorliggende nota van Kind & Gezin leest ACW nergens hoe de aanwezige competenties in de sector op peil gehouden worden noch welke visie Kind & Gezin volgt inzake het intakebeleid van nieuwe krachten. De kwaliteit van de geboden opvang staat of valt met de competenties van de voorziening. Een adequaat startniveau en continue nascholing houden het peil hoog en introduceren wetenschappelijke inzichten. Wie noch via kwalificaties noch via EVC kan aantonen aan het instapniveau te voldoen, hoort een kwalificerend voortraject te volgen. Enkel zo kan overal dezelfde minimumkwaliteit gegarandeerd worden.

ACW vindt zich in de stelling dat elk initiatief zich hoort te laten ondersteunen. Een doorleefd kwaliteitsbeleid is noodzakelijk waarbij de verantwoordelijkheid en de rol van zowel de opvangvoorziening, de geaccrediteerde ondersteunende dienst als de overheid(inspectie) uitgeklaard moet worden.


2.3 Definitie van kinderopvang

Voorschoolse kinderopvang kan worden begrepen als in overleg met de ouders gedeelde zorg en opvoeding van het jonge kind wanneer de ouders, of wie hen vervangt, om welke reden dan ook er zelf niet zijn. De definitie wordt gevat in drie kenmerken:

  • opvang van minstens één kind dat nog niet voltijds naar de kleuterschool gaat
  • systematische organisatie = minstens 10u/week over minstens 10 weken/jaar
  • de opvang gebeurt door een persoon die niet behoort tot de familie t.e.m. de 4de graad (ook van een nieuw samengesteld gezin).

Standpunt ACW: het professionele en sociale karakter van de dienstverlening komen niet tot uiting. Uit de definitie moet duidelijk de meerwaarde van kinderopvang voor elk kind, niet in het minste het kansarme, blijken.

2.4 Kinderopvang als kinderrecht

Het is geen recht in hoofde van het kind, in die zin dat niet elk kind per se de voorschoolse periode in de kinderopvang moet kunnen doorbrengen. De overheid investeert zowel in kinderopvang als in andere instrumenten die ouders kunnen helpen om de combinatie gezin – arbeid te maken.

Standpunt ACW: ACW onderschrijft de vrije keuze om al dan niet te opteren voor kinderopvang. Dit veronderstelt echter dat ouders voldoende geïnformeerd kunnen kiezen tussen kinderopvang of andere opvoedingssetting. Om het Mattheüseffect en culturele drempels weg te werken zijn actieve toeleidingstrategieën nodig. Ervaringsdeskundigen, OCMW's, consultatiebureaus en andere organisaties die in contact komen met onderparticiperende gezinnen kunnen het aanbod bekend maken. Kinderdagverblijven moeten zich meer vestigen in wijken waar veel gezinnen wonen die relatief weinig gebruik maken van kinderopvang en oog hebben voor een onthaalbeleid naar de ouders toe.

Op middellange termijn hoort kinderopvang hetzelfde statuut te hebben als het kleuteronderwijs.

2.5 Het opvangrecht concretiseren veronderstelt zichtbaarheid van voldoende aantal plaatsen

Kind & Gezin ijvert om budget vrij te maken zodat het aantal opvangplaatsen tegemoet kan komen aan de effectieve noden. Deze behoefte wordt wetenschappelijk onderbouwd o.b.v. de nataliteit. De continue beschikbaarheid wordt versterkt door de leefbaarheid van het ondernemen te versterken. Elke vergunde capaciteit organiseert zich in een zo weinig als mogelijk overlappend zonaal infopunt dat vrije plaatsen zichtbaar maakt en gezinnen met vragen verder helpt.

Standpunt ACW: opdat meer ouders dan vandaag hun recht op kwalitatieve opvang zouden opnemen, moeten veel meer kindplaatsen gecreëerd worden. Bovendien moet vooral geïnvesteerd worden in (ook kansarme) buurten waar het aanbod afwezig is. Een buurtnabije werking werkt drempelverlagend, zeker als doelgroepouders er tewerkgesteld zijn. Merk op dat net de vestigingen in kansarme buurten (nog meer) nood hebben aan hoogcompetent personeel.

Het detecteren van de behoefte aan kinderopvang mag niet blindelings geleid worden door de nataliteit. Veel beter loont bv. de inschattingsvraag hoeveel kinderen met een welbepaald zorgprofiel verwacht worden in te stromen. Doordachte uitbreidingsgolven gekoppeld aan voorrangsregels met een kansenversterkend accent zorgen dat op middellange termijn alle kinderen die dat wensen een plaats krijgen.

De deelname aan het infopunt moet vanuit de vergunning afgedwongen worden. Bovendien moét het infopunt regiodekkend zijn. Enkel op deze manier wordt de transparantie naar ouders verzekerd.

Los van de vrije keuze van de ouders is het belangrijk een sociale mix na te streven in elke opvangvoorziening. Voldoende diversiteit hoort eveneens een verplicht werkingspunt te zijn.

 

2.6 Toegankelijkheid van kinderopvang is ruimer dan betaalbaarheid voor de gezinnen

Kinderopvang hoort betaald te worden o.b.v. de financiële draagkracht van het gezin. Inkomensgerelateerde kinderopvang veralgemenen zou pas kunnen, aldus Kind & Gezin, als elke opvangaanbieder een leefbaar inkomen zou gegarandeerd worden. Kind & Gezin gaat uit van een basisdagprijs van €30/kindplaats[10]. Kind & Gezin zou opvanginstanties toelaten om bovenop de basisprijs nog (weliswaar gereglementeerde) extra's te vragen als toelatingsvoorwaarden.

Standpunt ACW: ACW is voorstander van een inkomensgerelateerde kinderopvang voor alle gezinnen. Het nieuwe decreet kinderopvang pakt de scheeftrekking wat betreft berekening van de dagprijs voor ouders aan.

Discussiepunt blijft of het huidige loonplafond opgeheven dan wel verhoogd wordt. Kan het tarief voor alle ouders omhoog omwille van een verhoging van de kwaliteit? In elk geval, deze eventuele meeropbrengsten lenigen verre van de grote vraag naar meer middelen.

Het realiseren van de sociale functie van kinderopvang gaat echter ruimer dan de betaalbaarheid of een voldoende aanbod. Zoals eerder vermeld: gerichte vestigingsplaatsen en inzetten op een actieve toeleidingstrategie moeten. Daarnaast moet actief gewerkt worden aan een diversiteitsbeleid zodat met respect de dienstverlening afgestemd wordt op de noden en de cultuur van kansarmere gezinnen. Op die manier kan een sociale mix in elk initiatief gerealiseerd worden.

Dr. Jan Peeters berekende de dagprijs van een erkende en gesubsidieerde voorziening met 220 openingsdagen en kwam tot zo'n €55/kindplaats/dag. Ook hier is opnieuw een groeipad nodig om het concept 'leefbaarheid' ten volle te realiseren.


2.7 Overheidssubsidies kunnen, mits het volgen van de Europese regelgeving

Europa verlangt gelijke toegang tot subsidies voor gelijke opvang in gelijke omstandigheden. Subsidie kan niet meer gelinkt worden aan meer kwaliteit omdat dit ongelijkheid teweegbrengt bij gezinnen. Overheidssteun is gerechtvaardigd als zonder deze steun bepaalde belangrijke doelen voor gezinnen niet zouden gerealiseerd worden. Kind & Gezin stelt voor om te werken met enerzijds een basissubsidie (minimale aanbodsgraad, gegarandeerde kwaliteit, basisequipe personeel met kwalificatievereisten en ratio, inkomensgerelateerde bijdrage) en anderzijds extra subsidies voor inclusieve, flexibele of occasionele opvang, werken met specifieke doelgroepen of doelgroepwerknemers, in een lokaal netwerk een sociaal opnamebeleid uitwerken.

Standpunt ACW: de basissubsidie dient het realiseren van de voorwaarden van de vergunning te ondersteunen. De administratie lijkt te opteren voor een minimale basisfinanciering zodat voorzieningen niet anders zouden kunnen dan zich te profileren op één van de subsidiemodules. Dit is de piste van de minste dwang, waarbij echter niet gegarandeerd wordt dat de extra zorg in elke regio dekkend aanwezig is.

3 Samenvattend: vernieuwende ideeën blijven ongeoperationaliseerd

3.1 Gemiste elementen

  • De geëxpliciteerde, doorleefde keuze tegen kinderarmoede. Ook al schreef het platform voor vernieuwing van de kinderopvang een goed onderbouwde nota over de noodzaak aan een versterking en vooral explicitering van de sociale functie in de kinderopvang, deze ideeën werden niet expliciet overgenomen in de visietekst van Kind & Gezin. Hoe kan kinderopvang een antwoord bieden op kinderarmoede: toeleidingstrategieën, werken aan de kennis van het begrip kansarmoede, een kansenbeleid effectief realiseren, informele buurtwerking, ...
  • Aandacht voor diversiteit, voor opvang van kinderen met een handicap
  • Ouderbetrokkenheid
  • Wetenschappelijkheid
  • Een professioneel antwoord op de competentienoden: bij- en nascholing, uitbouw middenkader,...
  • De rol van DVO in een nieuw landschap met andere verwachtingen, wat en hoe met de kwaliteitscontrole
  • Wat wordt gedaan met de resultaten van het CKO-experiment? Uit de evaluatie bleek wel degelijk een meerwaarde, wat onderschreven werd door de deelnemers. Kind & Gezin suggereert om het CKO-concept te verenigen tot een vrijwillige dispatchingfunctie, wat de geest laat verloren gaan.
  • Investeringen in infrastructuur
  • Expliciete keuze voor niet-commerciële aanbieders. Wanneer commerciële initiatieven in problemen geraken, staan plots veel kinderen op straat. De overheid kan op dergelijk korte tijdspanne geen afdoend antwoord formuleren. Bovendien zijn overheidsaangestuurde projecten duurzamer. Het realiseren van de sociale functie moet primeren i.p.v. winstmaximalisatie, wat de toegankelijkheid voor kansengroepen meer verzekert.
  • Hoe de buitenschoolse kinderopvang aanbouwen?
  • Aantrekkelijkheid van de tewerkstelling, uitbouw tot een volwaardig werknemersstatuut onthaalouder.

3.2 Beleidsaanpak: liefst alles tegelijkertijd ...

Simulaties zijn nodig om de consequenties van onze ambities in te schatten. Hoeveel plaatsen moet de overheid creëren om kinderopvang voor nagenoeg alle kinderen te realiseren. Hoeveel kinderen met specifieke zorgnoden zullen professionele kinderopvang vragen? Hoe hoort het competentiebeleid vorm te krijgen en wat zullen de kosten zijn voor de geleidelijke invoering van het werknemersstatuut voor onthaalouders? Daarbij moet het gehele plaatje in rekening genomen worden: gaande van de poetshulp over de ondersteuning vanuit een dienst voor opvanggezinnen tot de overheidsinspectie. Ook de kosten voor infrastructuur moeten worden meegenomen.

Vermits al deze uitdagingen even belangrijk zijn, is het onmogelijk om in de voorgestelde meersporige aanpak prioriteiten te leggen. Aan alle maatregelen moet tegelijkertijd gewerkt worden, wil het resultaat bevredigend zijn. ACW stelt dan ook voor om de ambitieuze doelstellingen in te schrijven in het decreet en vervolgens groeipaden voor de volgende jaren uit te tekenen. Zo wordt de garantie geboden dat we vanuit de huidige situatie traag maar zeker evolueren naar de ambitieuze doelen. Op deze groeipaden hoort een eindpunt geplakt te worden. ACW stelt voor om tegen 2020 deze intenties gerealiseerd te hebben.

Minstens voor de competentiegroei, het compenseren van een realistisch leefbare dagprijs ~ de betaalde ouderbijdrage, het volwaardig werknemersstatuut, het behalen van de vergunningsvoorwaarden (d.w.z. vormings- en vergunningsbeleid, inkomensgerelateerdheid, netwerking,...) en het uitbreiden van het aantal plaatsen engageert de regering zich tot verzekerde groeipaden.

Woonzorgzone, vaak mis begrepen concept

De vraagtekens rond hoe de zorg voor ouderen te organiseren, zijn vandaag niet meer te tellen. We hebben vraagtekens rond de hoeveelheid zorg die we nodig hebben maar we hebben ook vraagtekens over de wijze van zorgverlening.

Tot voor enkele jaren werd uitgegaan van het rusthuis als eindoplossing. Voorafgaand is er de oplossing van thuiszorg. Meer dan deze twee concepten hadden we niet.

Het HIVA is sinds enkele jaren op zoek naar vernieuwende concepten rond zorg voor ouderen. De woonzorgzone is daar een van. Verrassend is dat dit concept vlug een andere inhoud kreeg dan wat wetenschappers er eerst van hadden gebakken. De woonzorgzone werd vlug verengd tot een residentiële invulling.

Vanuit het ACW willen we een goed gesprek voeren over zorg voor ouderen. Daarom is het belangrijk dat we de juiste inhoud kennen van bepaalde concepten. Een woonzorgzone is immers veel rijker dan enkele gebouwen.

Een zone voor wonen en zorg?

Een ‘woonzorgzone’ is een gewone woonwijk (of dorp) met in grote meerderheid bewoners die niet meer dan normaal gebruik maken van welzijn en dienstverlening. We spreken over een wijk of gemeente van een 10.000 inwoners groot. Belangrijk is dat het gaat over een ‘gewone’ wijk, met ‘gewone’ mensen. Een woonzorgzone is bijgevolg geen bijzondere zone. Elke wijk of gemeente kan of moet een woonzorgzone zijn/worden.

Het voornaamste is dat de bewoners in de wijk ‘gewoon’ kunnen wonen. Dat veronderstelt dat de wijk of gemeente zo georganiseerd wordt dat alle bewoners volwaardig kunnen deelnemen aan het leven in de wijk of gemeente. Mensen met een beperking maar ook kinderen moeten zich volwaardig kunnen bewegen in de wijk of gemeente. Dit veronderstelt dus een reorganisatie van straten, pleinen en gebouwen. Toegankelijkheid is één van de grote criteria. Maar het is meer dan dat alleen. Het gaat ook over aantrekkelijkheid van de omgeving, voldoende ontmoetingsplaatsen (van zitbank tot speelpleintje), voldoende activiteiten op loopafstand (van horeca tot animatie- en recreatievoorzieningen), voldoende openbaar vervoer. Dit houdt ook in dat het autoverkeer haar voorrang moet afstaan. Een woonzorgzone is dus meer dan een zone 30. 

Een woonzorgzone is een concept waarmee de gemeente de ruimtelijke ordening van een wijk gaat richten. Waar komt er een bibliotheek? Hoe integreren we die in de wijk? Is die te bereiken? Heeft die nog andere functies dan bibliotheek zijn? Hoe organiseren we de bibliotheek? Is er een mobiele uitleendienst? … Al deze vragen maken duidelijk dat een woonzorgconcept een herdenking vraagt van onze wijken en de plaats en organisatie van onze voorzieningen.

De woonzorgzone is natuurlijk nog veel meer. Ze gaat er van uit dat bewoners ­ wanneer dit nodig wordt - in hun dagelijks leven ondersteund worden door welzijnsdiensten of zorgverstrekkers. En deze zijn doelbewust georganiseerd in de wijk. Deze ondersteuning is gradueel. Een woonzorgzone-concept gaat uit van het principe dat mensen moeten ondersteund worden om zo zelfstandig mogelijk te blijven wonen. Hoe afhankelijker de mensen worden, hoe groter de ondersteuning moet zijn om ze zelfstandig te laten wonen. Het woonzorgzone-concept ontkoppelt dus wonen en zorg.

Zorgkruispunt

Centraal in de wijk is er een ‘zorgkruispunt’ dat de wijkbevolking bedient. Dit kan zowel een reëel als een virtueel kruispunt zijn. Het zorgkruispunt koppelt de vraag om ondersteuning aan de geschikte ondersteuning. Het is in feite een lokale SIT (samenwerkingsinitiatief in de thuiszorg) of SEL (Samenwerkingsinitiatieven Eerste Lijnsgezondheidszorg). Het zorgkruispunt maakt gebruik van

  • Zorgsteunpunten: plaatsen waar zorg gekregen kan worden bijv. verpleegtehuis, zorghotel, huisarts, mutualiteit, ..
  • Activiteitencentra: plaatsen waar animatie, recreatieve en sociale activiteiten plaatsvinden.

De ondersteuning kan veelvuldig zijn. We spreken van:

  • Haalfuncties, bijv. warme maaltijd halen/gebruiken, informatie en advies inwinnen, op consultatie gaan bij deskundigen, kiné, …
  • Brengfuncties, bijv. verpleging en verzorging aan huis, maaltijden aan huis, klusjesdienst, .. .
  • Interne functies, met name de 24-uur zorg voor zwaar zorgbehoevenden.

Een zorgkruispunt kan ook een zorgsteunpunt of een activiteitencentra omvatten. 

De woonzorgzone zorgt dat er zorgkruispunten, zorgsteunpunten en activiteitencentra zijn en dat deze goed verspreid zijn over de wijk of gemeente. Maar dit is nog niet het volledig plaatje. In een woonzorgzone ligt het accent op het zelfstandig of ondersteund wonen. Verschillende woonvormen worden verspreid over de wijk, plekken van levenslang wonen, aangepaste woningen (eigen woning of vormen van groepswonen), aanleunwoningen (servicewoningen en sociale huisvesting) en specifieke zorgwoningen (service gecombineerd met intensievere vormen van zorg). We vinden er ook clusters voor intensieve zorg zoals het zorghotel of het verpleegtehuis. 
Deze verschillende woonvormen zijn opgenomen in de gewone woonbebouwing en niet direct afzonderlijk herkenbaar.

Wie kan de regie voeren?

Het woonzorgzone-concept vraagt een samenwerking tussen verschillende actoren. We kunnen spreken van de thuiszorg, de sociale huisvesting, gezondheidsdiensten, verpleegtehuizen, animatieverantwoordelijken, … Het lijstje is nog niet rond.

Belangrijk is tevens dat een woonzorgzone zowel een welzijns-, een woon- en een ruimtelijk concept is. De wijk of gemeente moet zich stedenbouwkundig voortdurend aanpassen aan de woonzorgnoden. En zoals al geschreven, deze noden zijn afkomstig van alle bewoners.

In Nederland spreekt men van sociaal structuurplan. Dit concept legt de nadruk op zowel het welzijns als het ruimtelijk verhaal. In Vlaanderen hebben we ook iets vergelijkbaars. Het lokaal sociaal beleidsplan kan de basis vormen voor een dergelijk sociaal structuurplan. Het voordeel is dat door het lokaal sociaal beleidsplan reeds heel wat ervaring is rond samenwerking. Dit zou zich nu moeten concretiseren.

Wervik is de eerste gemeente waar een beperkte vorm van een woonzorgzone is ontwikkeld. Meer toelichting vind je ook op de OCMW-website van Wervik.

Conclusie

Het woonzorgzone-concept biedt interessante perspectieven op een samenleving die zorg nauw in het hart draagt. Het vertrekt van een brede kijk op zorg en plaatst ondersteuning van de mens centraal. Volwaardige participatie aan de samenleving is het doel. Dit principe van volwaardig participeren is dan ook het criterium waarmee we naar verschillende ideeën rond ouderenzorg willen kijken.

Centrum voor KinderOpvang = eindelijk gestart

Deze maand starten 16 Centra voor Kinderopvang (CKO), gespreid over Vlaanderen. Zij vervullen een één-loketfunctie voor ouders die kinderopvang zoeken. De centra hebben zicht op de vrije plaatsen en kunnen de behoefte aan kinderopvang goed inschatten. De 16 projecten lopen tot september 2008 en kunnen, na evaluatie, ruimer verspreid worden.

De Vlaamse regering ontwikkelde samen met de opvangsector en met Kind en Gezin een strategische visie voor de organisatie van de Vlaamse kinderopvang. Een belangrijk onderdeel in dit vernieuwingsproces vormt het CKO.  Hoofddoel van deze hele operatie is om een betere dienstverlening aan te bieden aan de ouders en de kinderen. 

Daarnaast tracht deze reorganisatie een antwoord te bieden op diverse knelpunten die zich stellen in het huidige kinderopvanglandschap (o.a. grote verschillen in kwaliteitseisen en regelgeving, ondoorzichtig voor ouders, ...) én biedt mogelijkheden om een adequaat antwoord te formuleren op toekomstige uitdagingen voor de kinderopvang (meer flexibele opvang, meer aandacht voor sociale functie kinderopvang,…).

Wat het ACW hiervan vindt 

Mooie opportuniteit

  • kwaliteitsverhoging van de sector in het algemeen en de individuele voorziening in het bijzonder;
  • transparantie en toegankelijkheid voor ouders stijgt;
  • meer gedifferentieerd aanbod dat tegemoet komt aan (nieuwe) noden; 
  • concept laat voldoende ruimte aan het werkveld om de samenwerkingsverbanden zelf te kiezen en invulling te geven;
  • Dankzij verbreding van de opdrachten van het Lokaal Overleg Kinderopvang (LOKO) is er een betere inbedding in het lokaal sociaal beleid.

Mits diverse aandachtspunten/ aanvullingen

  • Vernieuwing kinderopvang moet duidelijke meerwaarde opleveren voor de ouders: het coördinatiesysteem moet de toegang tot de kinderopvang vereenvoudigen;
  • Vernieuwing moet meer dan louter structureel zijn en vooral de sociale functie kan nog breder ingevuld worden;
  • Vernieuwing kinderopvang moet ook meerwaarde hebben voor de opvangvoorzieningen. Meer samenwerking en hogere efficiëntie vergen ook bijkomende ondersteuning via management- of coördinatiefunctie per CKO; 
  • De doelstellingen en kenmerken van het vernieuwd concept kinderopvang moeten vooraf duidelijk gecommuniceerd worden zodat de samenwerkingsverbanden die overal ontstaan (ook deze die buiten het kader van de proeftuinen ontstaan) er zo nauw mogelijk bij aansluiten;
  • De plaats en positie van de zelfstandigen (zelfstandige onthaalouders, zelfstandige kinderdagverblijven en minicrèches) in het CKO moet verder uitgeklaard worden.

Inzoomen op de proefprojecten

Samenwerking realiseren in het heterogene Vlaamse opvanglandschap is niet evident. Minister Vervotte wil daarom het CKO-concept eerst uitproberen en evalueren via proefprojecten. Op die manier wil de Vlaamse Overheid zicht krijgen op de mogelijke meerwaarde, de beperkingen en de effecten van een CKO.

Het proefproject wil drie zaken bereiken:

  • Leren wat de mogelijkheden, knelpunten, opportuniteiten, kritische voorwaarden, proceskenmerken en effecten zijn van lokale of regionale samenwerking van opvangvoorzieningen. 
  • Een goede regelgeving voorbereiden. Deze regelgeving moet niet alleen kansen bieden aan een toekomstgerichte uitbouw van een kinderopvang maar moet ook aansluiten bij de mogelijkheden van de opvangvoorzieningen zelf.
  • De ervaringen en de ‘good practices’ uit de proefprojecten verspreiden in de hele opvangsector.

Uit alle kandidaat-samenwerkingsverbanden werden 16 samenwerkingsverbanden geselecteerd op basis van relevante criteria. Deze zestien krijgen elk een forfait van 10.000 euro als ondersteuning van de samenwerking. De besteding moet zichtbaar zijn en kan niet gebruikt worden voor het realiseren van opvangplaatsen op zich. Kind & Gezin stelt eveneens een team van projectbegeleiders ter beschikking. Deze volgen de plaatselijke ontwikkelingen mee op, zorgen voor de periodieke verslaggeving en organiseren intervisiesessies voor alle deelnemende proefprojecten.

De 16 geselecteerden en nog meer informatie vind je op de site van Kind & Gezin. Niet getreurd voor niet weerhouden proefprojecten. Deze kunnen gerust (verder) samenwerken in de geest van CKO. Via de website van Kind & Gezin zal informatie en goede voorbeelden uit de voortgangsrapporten beschikbaar zijn voor elke geïnteresseerde.

Lokaal Sociaal Beleid: de laatste loodjes?

Deze weken leggen het Gemeentebestuur en het OCMW-bestuur een laatste hand aan het lokaal sociaal beleidsplan (LSB-plan). Rond oktober zal het plan geagendeerd worden op de OCMW-raad en een maand (of twee maanden) later op de gemeenteraad.

Het zijn de laatste loodjes voor de besturen en de meewerkende organisaties. Of is er nog werk aan de winkel?

Een eerste evaluatie?

Het lokaal sociaal beleidsplan zou het resultaat moeten zijn van heel wat overleg en participatie. Van het verzamelen van heel wat gegevens over de sociale stand van zaken in de gemeente tot het synthetiseren van de verzuchtingen en verwachtingen van groepen, organisaties en burgers.

Dit plan zou vanuit een duidelijke visie een reeks concrete acties moeten bevatten. Daarom wordt het gekoppeld aan de meerjarenplanning en aan de begroting. Acties zonder middelen zijn immers meestal vrijblijvend.

Het lokaal sociaal beleidsplan moet dus een concreet verhaal brengen. Concrete doelstellingen, concrete verantwoordelijkheden, concrete inzet van mensen en middelen.

En de concreetheid maakt het mogelijk om reeds een eerste evaluatie te maken van het LSB-plan. Hoe concreter, hoe duidelijker, hoe meer zicht je krijgt op wat er gaat of niet of anders gebeuren. Maakt ook duidelijk of de acties inderdaad in samenwerking worden georganiseerd. Maakt duidelijk dat participatie niet stopt, maar verder gaat met de uitvoering van het plan. Maakt duidelijk dat de zes van het ACW (zorg voor ouderen, zorg voor kinderen, armoedebestrijding, zorg voor werk, zorg voor wonen en zorg voor integratie en samenleven) aanwezig zijn.

Een evaluatie kan kort en bondig zijn. Het gaat immers over een plan. De uitvoering zal een evaluatie apart vergen.

Maar dit betekent dat we vanaf september, wanneer het plan klaar is voor bespreking, het plan kritisch mogen bekijken en dat we –indien het niet volledig beantwoordt aan onze verwachtingen- via de OCMW-raad en de gemeenteraad kunnen bijsturen.

En dan volgt de uitvoering. Hoe gaan we dit opvolgen en stimuleren? Een welzijnsraad (in welke vorm ook) is volgens ons een nuttig instrument om bevolking en welzijnsactoren blijvend te betrekken bij het lokaal sociaal beleid. Een dergelijke raad kan een motor zijn van het sociaal beleid.

Een volgende stap

En dan hebben we nog het sociaal huis. Tegen eind 2008 moet elke gemeente een sociaal huis hebben. Vanuit het ACW hebben we steeds nadruk gelegd op mensen en netwerken en niet op stenen. Een sociaal huis is voor ons een netwerk. En daarin moet geïnvesteerd worden.

Dit houdt een actieve sociale kaart in. De welzijnspartners in de gemeente (of werkzaam in de gemeente) moeten elkaar leren kennen. En dit is meer dan een vermelding in een soort telefoongids van welzijnsactoren. Elkaar kennen betekent ook beter samenwerken en dit kan beginnen rond de cliënt, de zorgbehoevende of de hulpvrager. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de hulpvrager op een efficiënte wijze zo goed mogelijk geholpen wordt? Hierbij staat juiste doorverwijzing én het netwerken van dossiers centraal. Verschillende gemeenten zijn hier mee reeds bezig.

Moet er nog werk zijn?

Lokaal sociaal beleid stopt dus duidelijk niet met het goedkeuren van een plan. Integendeel. Er is nog veel te doen. En dit werk moet opgevolgd worden. Een welzijnsraad en een welzijnsoverleg zijn daarom onontbeerlijke instrumenten voor een goed welzijnsbeleid.

Nieuw armoededecreet moet verenigingen sterker maken

Het armoededecreet is een belangrijk decreet. Het zorgt voor een structurele onderbouw van het armoedebeleid. Vanaf het begin zijn er vragen gerezen bij het armoededecreet. Doorheen de jaren zijn de vragen uitgekristalliseerd. Het aanvoelen is dat het armoedecreet teveel vanuit een bestuurscultuur is ontwikkeld en te weinig vanuit verenigingen zelf.

Voor het ACW moet het armoededecreet maatwerk mogelijk maken, meer zelfs, maatwerk moet het uitgangspunt en de uitkomst zijn. Maatwerk veronderstelt dat mensen die in armoede leven zelf eigenaar zijn en blijven. Het decreet moet hen daartoe alle mogelijkheden geven.

Criteria armenvereniging

In de eerste plaats willen we dat het decreet rekening houdt met verenigingen die tijdelijk niet beantwoorden aan de zes criteria van een vereniging waar armen het woord nemen. Deze zes criteria zijn:

  • Armen verenigen zich
  • Armen nemen het woord
  • Maatschappelijke emancipatie van armen
  • Maatschappelijke structuren veranderen
  • Dialoog met de samenleving en het beleid
  • Armen blijven zoeken.

Hierbij willen we rekening houden met verenigingen die in groei zijn naar de zes criteria of die tijdelijk niet kunnen beantwoorden aan de zes criteria.

Daarnaast is het heel belangrijk dat verenigingen die vooral bezig zijn rond ontmoeting en vorming binnen het sociaal-cultureel volwassenenwerk een goede plaats vinden. Hiertoe zal dit decreet ook aangepast moeten worden. We pleiten hier ook voor een federatie van armenverenigingen binnen het sociaal-culturele volwassenenwerk en dit naar analogie van de allochtonenverenigingen.

Administratieve ondersteuning

In de tweede plaats willen we dat de Vlaamse administratie zijn verantwoordelijkheid opneemt. Een van de meest bediscussieerde punten binnen het armoededecreet is immers de bepaling dat het Vlaams Netwerk de verenigingen financieren. Het verantwoordelijk zijn voor de financiering van de verenigingen belast zeer sterk de werking van het Vlaams Netwerk. Het legt de werking plat en leidt tot onnodige spanningen. Algemeen is bij de verenigingen een draagvlak voor het uit handen geven. 
We kunnen dit ondersteunen. Hierbij willen we echter duidelijk stellen dat subsidiëring vanuit de overheid de autonomie van de verenigingen bij het bepalen van hun werking en hun inhoudelijke doelstellingen niet in het gedrang mag brengen.

Lokale voeling

In de derde plaats willen we dat armoedebeleid ook een lokale invulling krijgt. Het armoededecreet moet een duidelijke link leggen met het lokaal beleid. Het armoededecreet viseert de gemeenten en OCMW’s niet. Het decreet lokaal sociaal beleid zou een antwoord moeten formuleren. Maar het lokaal sociaal beleid is teveel (en terecht) een zorgverhaal en te weinig een beleidsverhaal. Het armoededecreet daarentegen is een beleidsgericht decreet. De finaliteit is armoedebestrijding. Armoedebestrijding moet ook op het lokaal niveau gebeuren. Deze link moet daarom duidelijk gelegd worden.

Zelfstandig en autonoom Vlaams Netwerk

In de vierde plaats moet het Vlaams Netwerk versterkt worden als een zelfstandige en autonome organisatie. 
Vandaag wordt het Vlaams Netwerk geplet tussen de verwachtingen van het decreet en de verwachtingen van de verenigingen en van de overheid. Dit leidt tot grote frustraties langs beide zijden: zowel bij de verenigingen die het tempo niet kunnen volgen, die onvoldoende ondersteuning krijgen als bij het beleid dat te weinig input krijgt. Een uitzuivering van de taken kan enkel leiden tot een sterker Vlaams Netwerk.

Maar dan moet het armoedeoverleg anders georganiseerd worden. Het armoedeoverleg moet voor ons gebaseerd zijn op de expertise van de verenigingen zelf. Zij moeten de motor van beleidswerk zijn. Vanuit de verenigingen groeien de dossiers en worden naar de (lokale of Vlaamse en federale) overheid gebracht. Zij blijven de eigenaar van hun beleidswerk. De verenigingen worden gesubsidieerd en ondersteund om dit mogelijk te maken.

Het Vlaams Netwerk wordt dan het platform waar de verenigingen elkaar ontmoeten en waar ze voor de beleidsdossiers een draagvlak vinden en waar ze bij de andere verenigingen steun en ondersteuning vinden. Het Vlaams Netwerk ondersteunt de verenigingen door hen o.a. in contacten te brengen met andere maatschappelijke actoren. Op dit platform kan dan ook de lokale ondersteuning vanuit andere organisaties onderzocht worden (bv. vanuit basiseducatie en samenlevingsopbouw) Het Vlaams Netwerk is dan ook en vooral een netwerker, een bemiddelaar tussen de verenigingen. Ze wordt dan ook een koepel van verenigingen waar armen het woord nemen. We pleiten dus voor een sterk en zelfstandig Vlaams Netwerk dat een eigen plaats en rol heeft in het maatschappelijk veld.

Armoedetoets

In de vijfde plaats moet het ambtelijk armoedeoverleg niet op de schouders van de verenigingen rusten. 
De overheid moet haar eigen beleid ter discussie durven stellen. Dit willen we doen op basis van een armoedetoets waarbij de toets bepaalt of een voorstel negatieve gevolgen heeft voor mensen die in armoede leven. De overheid moet dan een antwoord geven, m.n. op welke manier heeft ze rekening gehouden met de resultaten van de armoedetoets. Ook de lokale overheid moet gebruik maken van een dergelijke armoedetoets.

Tweejaarlijkse bijeenkomsten

En als laatste punt willen we tweejaarlijkse bijeenkomsten die dynamiek en richting geven aan de verenigingen en aan het beleid. Dit zou een bijeenkomst van verenigingen, andere maatschappelijke actoren én overheid moeten zijn. Op deze bijeenkomst moet de overheid rekenschap geven van wat zij gedaan heeft met het armoedeoverleg en het ambtelijk overleg. Daarnaast worden de nieuwe beleidsdossiers vanuit de verenigingen aangekaart. Samenwerkingen met andere maatschappelijke actoren kunnen daar vorm krijgen.

Opvoeding staat centraal

Een nieuw initiatief rond opvoeding

Opvoeding staat centraal. Minister Vervotte is begonnen met de opvoedingswinkels. Tom Dehaene en Vera Jans deden een voorstel in het Vlaams parlement omtrent de organisatie van de opvoedingsondersteuning.   

Wat willen beide parlementairen?

De bedoeling van opvoedingsondersteuning is het vergroten van de opvoedingsmogelijkheden en de kansen van gezinnen. Zware problemen kunnen hierdoor vermeden worden, ouders gesterkt en de zelfstandigheid en vaardigheden om op te voeden, vergroot. Door dit decreet wordt een stap gezet in de uitbouw van het preventieve luik van de integrale jeugdzorg, waarvan tot nu toe enkel het hulpverleningsluik (integrale jeugdhulp) werd uitgewerkt.

De uitbouw is pas mogelijk wanneer opvoedingsondersteuning laagdrempelig is, d.w.z. gemakkelijk bereikbaar, geen grote financiële inspanningen, niet-stigmatiserend en vrijblijvend moet zijn. Diegene die de opvoedingsondersteuning inhoud en vorm geven, moeten vraaggericht werken. Opvoedingsondersteuning kan niet goed zijn wanneer zij niet ‘op maat’ wordt aangeboden. Elke opvoedingsvraag moet ernstig worden genomen en verdient het een gepast antwoord te krijgen.

De opvoedingsondersteuning krijgt concreet inhoud en vorm via lokale coördinatoren opvoedingsondersteuning, het lokaal overleg opvoedingsondersteuning, opvoedingswinkels, de Vlaamse coördinatoren opvoedingsondersteuning, het bovenlokaal overleg opvoedingsondersteuning, centra voor vorming rond opvoeding en het Vlaams Expertisecentrum voor opvoedingsondersteuning.

In elke centrumstad komt er een opvoedingswinkel. Deze moet basisinformatie ter beschikking stellen over het opvoeden van kinderen in diverse levensfasen. In de opvoedingswinkel vindt men antwoorden op algemene opvoedingsvragen. Maar ook specifieke opvoedingsvragen kunnen aan bod komen. In de opvoedingswinkel vindt men tevens ontmoetingsruimten. Een opvoedingswinkel moet vormingen aanbieden. Naast deze lichte vormen van informatie moet een opvoedingswinkel ook ambulante hulp, in zowel gezins- als groepsverband, aanbieden. Daarnaast moet de opvoedingswinkel instaan voor een systematische en vroegtijdige detectie van opvoedingsonzekerheid of opvoedingsproblemen met, indien nodig, een gerichte doorverwijzing. En moet de opvoedingswinkel instaan voor een gecoördineerde, systematische en kwantitatieve gegevensverzameling.

Investeren in gezinnen is onze boodschap.

Er is bijzonder veel aandacht voor opvoeding. Wie de kranten volgt, leest wel elke week een scherpe analyse of voorstel of aanklacht. De problemen rond de bijzondere jeugdzorg (het al dan niet kunnen opvangen van jongeren in problematische opvoedingssituaties) hebben velen wakker geschud.

In deze zin is elk initiatief dat focust op opvoedingsondersteuning meer dan welkom. Als samenleving kunnen we de gezinnen niet in de kou laten staan. De voorstellen hebben de verdienste het debat over opvoeding en ondersteuning te voeden.

Belangwekkend aan het voorstel is dat het een belangrijke rol geeft aan de gemeenten en meer bepaald aan het lokaal sociaal beleidsplan. Dit lokaal sociaal beleidsplan moet (bij actualisering) acties inzake opvoeding opnemen. Gemeenten moeten een medewerker aanduiden als verantwoordelijke. 
Het lokaal sociaal beleidsplan wordt hierdoor nog meer een motor van welzijn in de gemeente. En dan is het de taak van het lokaal sociaal beleidsplan om de juiste klemtonen te leggen.

Voor het ACW ligt de klemtoon vooral op het versterken van de gezinnen. We investeren liever in versterken van de gezinnen en de informele netwerken rond de gezinnen. En dit kan enkel door gezinnen de nodige instrumenten te geven om goed op te voeden. De experimenten die bezig zijn rond “triple p” zijn daarvan een goed voorbeeld. 
En hierbij kan ook gebruik gemaakt worden van de bestaande diensten. Kind & Gezin bereikt heel wat gezinnen en reikt reeds heel wat opvoedingsondersteuning aan. Op welke manier kunnen zij hun rol nog beter spelen? Ook de scholen spelen een belangrijke rol. Deze diensten en organisaties moeten zich mee ten dienste stellen van het versterken van de gezinnen.

Vandaar dat we voorzichtig willen zijn rond het organiseren van nieuwe structuren en overleggen. Vandaag is er reeds een LOKO. In welke mate kan dit overleg samenvallen met het nieuw overleg opvoedingsondersteuning? Dubbel overleg helpt meestal de gezinnen en de kinderen niet.

Ook nieuwe structuren als opvoedingswinkels worden teveel als wondermiddel naar voor geschoven. Deze kunnen een ondersteunende taak hebben maar nooit het antwoord zijn op de vele opvoedingsnoden en opvoedingsvragen van gezinnen. Opvoedingswinkels herleiden deze vragen tot een vraag naar een recept. Daarom zien we deze winkels eerder als een ondersteunende dienst voor mensen en organisaties die gezinnen echt sterker maken.

Gezinnen staan centraal

Het voorstel van decreet zal dit jaar nog besproken worden. Het biedt aanleiding, samen met de vele discussies die in de kranten gevoerd worden, tot een goed debat in het Vlaams parlement. Het voorstel van decreet legt terecht de nadruk op preventie en de rol van het lokaal sociaal beleid inzake de preventie. Het versterken van de gezinnen moet in het debat centraal staan. Niet de structuren, de diensten, de overlegorganen, …, maar wel het gezin waar de opvoeding begint.

Acht bouwstenen voor het toekomstig beleid in de kinderopvang

De sector van de kinderopvang heeft de afgelopen jaren belangrijke wijzigingen ondergaan. Het aanbod werd veel flexibeler, het aantal plaatsen is verder toegenomen. Er werd begonnen met de proeftuinen rond een vernieuwd concept. Toch zijn we er nog niet. Met voorliggende tekst wil ACW de nieuwe minister van Welzijn alvast meegeven dat er nog heel wat uitdagingen zijn. Ook tijdens de tweede helft van deze legislatuur hoort de sector kinderopvang verder te groeien zodat alle ouders die nood hebben aan opvang een goede oplossing vinden. De vernieuwing die ingezet is, mag zijn elan niet verliezen en moet structureel uitgebouwd worden. Een aantal pijnpunten in de sector moeten worden aangepakt.

ACW lijst de acht – in hun ogen – belangrijkste op:

1) lenigen van de grote nood aan bijkomende plaatsen;
2) creëren van een meer gedifferentieerd aanbod;
3) een volledig en volwaardig werknemersstatuut voor onthaalouders;
4) werken aan lage instapdrempels én aan professionalisering in de sector;
5) een werkbare taakbelasting voor de diensten voor opvanggezinnen;
6) operationaliseren van de CKO-idee;
7) betaalbaarheid van professionele kinderopvang bewaken en verbeteren;
8) de patstelling omtrent het FCUD doorbreken. 

Een globale aanpak, tegelijkertijd op verschillende fronten, is de enige werkzame wijze om een afdoend antwoord te bieden op bovenstaande acht uitdagingen. ACW hoopt met deze acht bouwstenen een constructieve steen in de kinderopvang-pool gegooid te hebben. 

Eerste bouwsteen: veel meer opvangplaatsen

Maatschappelijke evoluties vragen bijkomende plaatsen

Analyse van de demografische en sociologische evolutie in Vlaanderen wijst vier oorzaken aan die aan de grond liggen van een op korte termijn stijgende vraag naar formele kinderopvang.

1) Het NIS noteert sinds 2002 een licht stijgend geboortecijfer van 2,5 %. Deze baby’s en hun ouders wensen quasi allemaal een opvangplaats drie maand na de geboorte. Daardoor zijn er 5000 kinderen meer geboren. Dit vergt een bijkomende vraag naar 2000 opvangplaatsen.

2) Het activeringsbeleid zorgt dat ook bij werkzoekenden de vraag naar kinderopvang stijgt. Gebrek aan plaats in de kinderopvang wordt niet langer aanvaard als reden om een betrekking of opleiding te weigeren.

3) Mensen blijven langer actief op de arbeidsmarkt. Deze langere activering zorgt ervoor dat de meeste 50-plussers nog werken wanneer hun kleinkinderen opgevangen dienen te worden. De Europese Top van Stockholm legt tegen 2010 de lat op 50 % arbeidsdeelname van de 55–64-jarigen.

4) De 50–60-jarigen getuigen van een andere levensvisie dan hun ouders. De bereidheid om een hele werkweek kleinkinderen op te vangen, vermindert. Het aandeel van de informele opvang zal verder eroderen.

5) Er wordt verwacht dat het aantal alleenstaande werkende moeders/vaders op korte termijn zal toenemen. Zij hebben (nog) meer nood aan flexibele opvangvormen.

Bijkomende plaatsen voor de erkende, gesubsidieerde opvang

1.) Tot 7 000 bijkomende plaatsen in de voorschoolse opvang!

Kind & Gezin hanteert de planningsoefening om na te gaan hoeveel bijkomende kindplaatsen op korte termijn nodig zijn. Uitgangspunten zijn de bestaande behoeften, de beleidsopties en een aantal objectieve parameters. Op basis van de gegevens in april 2005 wordt tegen 2009 een tekort van 6 957 voorschoolse opvangplaatsen voorspeld. De reeds toegekende plaatsen komen hier slechts ten dele aan tegemoet. 

Het Vlaamse Regeerakkoord verklaarde de richtinggevende Barcelona-norm2 te realiseren. Anno 2007 heeft het formele aanbod op Vlaams niveau die kaap van 33 % overschreden. Maar niet zo in steden als Aalst, Antwerpen en Genk.

ACW vraagt dan ook aan de minister om een groeipad uit te tekenen voor de komende jaren zodanig dat dit voorspelde tekort in elke regio opgevangen kan worden. 

2.) Tot 6 800 plaatsen in de buitenschoolse kinderopvang (BKO)

Kind & Gezin extrapoleert de vraag naar BKO in april 2005 naar een verwachte vraag in 2009. Deze oefening levert een vermoedelijke onvervulde vraag naar BKO van zo’n 14000 kinderen op. Rekening houdende met het kind/plaatsratio van 2 à 3/1, waarmee K&G bedoelt dat meerdere kinderen één kindplaats zullen innemen, levert dit een tekort van 4 600 à 6 800 plaatsen op. 

3.) Aandacht hebben voor de noden in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest

Alhoewel de planningsoefening van Kind & Gezin zich enkel richt op het Vlaamse Gewest, mag gesteld worden dat dezelfde noden leven in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. Een studie van de RUGent wijst uit dat er in Brussel 500 bijkomende plaatsen nodig zijn voor Nederlandstaligen. Ook voor het BHG moet een realistisch groeipad worden aangehouden. 

4.) Meer differentiatie in het personeelsbestand

Meer kindplaatsen leveren automatisch ook meer personeel op. Deze bijkomende arbeidsplaatsen mogen niet enkel met kinderverzorgsters ingevuld worden. Een vrijgestelde directiefunctie en logistieke ondersteuning laten toe dat de verzorgenden zich op hun kernopdracht kunnen focussen. Bijvoorbeeld, de diensten voor opvanggezinnen (DVO) hebben dringende nood aan managementfuncties ter ondersteuning van de onthaalouders. Het berekeningsmodel van de kinderdagverblijven4 moet als voorbeeld genomen worden voor de omkadering van de gehele sector. ACW stelt voor dit middenkader echter aan te bieden binnen elke CKO.

Hoe worden de bijkomende plaatsen verdeeld?

ACW gaat voor een maximale uitbouw via de erkende, gesubsidieerde sector. Deze keuze is de beste dam tegen een verdere vermarkting van de sector, biedt de beste garantie op kwaliteitsvolle kinderopvang, waaronder het uitbouwen van de drie functies, die de overheid vooropstelt. ACW is overtuigd dat een sociaal beleid het vlotst via de erkende, gesubsidieerde sector gerealiseerd zal worden.

CONCLUSIE: ACW ijvert voor 7 000 nieuwe opvangplaatsen in de voorschoolse kinderopvang en 6 000 in de buitenschoolse kinderopvang. Het merendeel van die nieuwe plaatsen moet worden gerealiseerd in de erkende, gesubsidieerde sector. ACW dringt aan om zowel voor het begrotingsjaar 2008 als 2009 zo’n €10 miljoen te investeren om te komen tot substantiële stappen in de uitbreiding. 

Tweede bouwsteen: meer diversiteit in het aanbod

Vooruitstrevende nichewerking zorgt voor de nodige differentiatie van het aanbod

Met het plan voor flexibele en occasionele kinderopvang is de Vlaamse overheid tegemoetgekomen aan de vraag van ouders naar een meer gedifferentieerd aanbod.

ACW vindt dat de Vlaamse Regering deze voortdurende verdere differentiatie van het aanbod moet blijven aanmoedigen. Tegelijkertijd moet bewaakt worden dat het specifieke karakter gevrijwaard blijft. De nichewerkingen mogen niet dichtslibben omwille van plaatsgebrek in het reguliere aanbod. Bijvoorbeeld: de occasionele opvang is gericht op doorstroom naar het reguliere aanbod. Dit veronderstelt een voldoende groot basisaanbod. Anders kunnen de kinderen niet doorstromen zoals voorzien. 

Daarom vraagt ACW de opvolging van huidige evoluties zodat tijdig bijgestuurd kan worden wanneer blijkt dat de niches onvoldoende tegemoetkomen aan de noden van de gebruikers. Niet enkel een voldoende aanbod maar ook een correct gebruik van de gehanteerde definities houdt het misbruik tegen. Ook in het kader van het nieuwe decreet Lokale Diensteneconomie moeten de nodige initiatieven kunnen groeien. Zij kunnen een bijdrage leveren aan een grotere differentiatie van de kinderopvang. ACW wenst dat na verloop van tijd elke CKO dergelijke nichewerking standaard aan zou bieden analoog aan de lokale vraag. Deze evolutie dient nauwgezet opgevolgd te worden zodanig dat het initiële doel niet uit het oog verloren wordt.

Ruimte voor experimenteren

Ondanks talrijke nieuwe initiatieven is de sector permanent in evolutie. Ook in de toekomst moet er ruimte blijven om in te spelen op nieuwe, al dan niet plaatselijke, behoeften of om nieuwe doelgroepen aan te trekken. Daarom vraagt ACW oog kinderen die nu zelden tot niet participeren aan kinderopvang. Na het inventariseren van de niet-gebruikers dient nagedacht te worden hoe kansarme gezinnen betrokken kunnen worden. De ontwikkelingsstimulerende werking van een kinderopvang zou immers bijdragen in het verhogen van gelijke (levens)kansen. Een mooi experiment zou bv. de speelleerklas zijn. Baby’s, kinderen én hun ouders worden voor één vaste dag/halve dag in de week uitgenodigd in een opvanginitiatief. Zo komen kinderen in contact met (taal en spel van) leeftijdsgenootjes, terwijl ouders op een ongedwongen wijze hun opvoedingservaringen uitwisselen. De voorziening speelt hierop in door laagdrempelige infobabbels in te richten.

CONCLUSIE: ACW vraagt ruimte voor innovatieve opvangmogelijkheden in de kinderopvang. Het experimenteren van voorzieningen stimuleert de creativiteit om vraag en aanbod beter te matchen. Bottom-up-initiatieven verdienen alle ruimte, zonder de overzichtelijkheid over boord te gooien! Opvolging van lokale initiatieven is nodig opdat de goede praktijkvoorbeelden alle kansen op groei en disseminatie zouden krijgen. Elk waardevol experiment dient na verloop van tijd in het standaardaanbod van een CKO opgenomen te worden. 

Derde bouwsteen: ook de opvangouder een volwaardig werknemerstatuut

Tot op vandaag de dag kiezen de onthaalouders ofwel voor een statuut van zelfstandige of sluiten ze zich aan bij een dienst voor opvangouders. Deze laatste optie brengt verlichting van administratieve rompslomp en begeleiding met zich mee. Bovendien geeft dit toegang tot het huidige tussenstatuut, met opbouw van een aantal rechten in de sociale zekerheid. Het huidige tussenstatuut is een eerste, belangrijke stap richting het werknemersstatuut. Wat betreft ACW dient dit tussenstatuut op middellange termijn organisch uit te groeien tot een volwaardig werknemersstatuut.

Om van een volwaardig werknemersstatuut te kunnen spreken, dienen eerst een aantal aspecten geregeld te worden. Overleg met de federale overheid moet daarom dringend geïnitieerd worden.

  • De sociale zekerheid moet uitgebreid worden tot werkloosheidsuitkering en vakantiegeld.
  • Het arbeidsrechterlijke luik moet worden vastgelegd. De studie ‘onthaalouders’ van dhr. Blanpain en Prof. Bundervoet kan als uitgangspunt dienen voor het overleg terzake.

Vraag is of de uitbouw van dit werknemersstatuut geleidelijk gebeurt met een uitdoofscenario voor het bestaande tussenstatuut voor zij die nu genieten van dit tussenstatuut. Of worden alle onthaalouders verplicht om naar het werknemersstatuut over te stappen? Een geleidelijke instap lijkt sociaal en financieel het meest haalbaar. Het werknemersstatuut kan een verhoogde aantrekkingskracht betekenen om nieuwe onthaalouders te laten instappen. 

CONCLUSIE: ACW bepleit de organische uitbouw van een volwaardig statuut voor de onthaalouders. 

Vierde bouwsteen: een geprofessionaliseerde sector mét lage instapdrempels

Kinderopvang zorgt er niet enkel voor dat ouders zich op de arbeidsmarkt kunnen begeven, maar creëert zelf ook tewerkstelling. Zo zijn BKO’s niet enkel in het leven geroepen om een antwoord te bieden op vragen naar buitenschoolse opvang. Ze bieden ook tewerkstellingskansen voor laaggeschoolde werkzoekenden. De functies en functievereisten in de sector zijn historisch gegroeid. Het is niet altijd mogelijk om een lijn te trekken in de gevraagde kwalificatievereisten. Voor onthaalouders worden geen diplomavereisten gesteld, voor kinderverzorgsters in kinderdagverblijven wel. Voor begeleidsters in de BKO wordt een korte opleiding voorzien, maar het ervaringsbewijs is nog niet aanvaard. Ongeacht het aanvangsdiploma spreekt het vanzelf dat iedereen die in de kinderopvang wil werken over de nodige competenties inzake opvoeden en verzorgen van kinderen moet beschikken.

Momenteel tekent er zich een spanningsveld af tussen enerzijds de vraag van de sector naar meer professionalisering, mede ondersteund door de OESO, en anderzijds het behoud van tewerkstellingskansen voor laaggeschoolden.

Volgens ACW hoeft deze vaststelling niet problematisch te zijn. Onderstaande voorbeelden bewijzen de kracht van een sterk personeelsbeleid:

  • gezien de mix en gradaties van competenties die de sector nodig heeft, is een diversificatie in functieprofielen een must;
  • de professionele samenstelling hoort in elk opvanginitiatief harmonieus te zijn: minder professioneel gevormde mensen werken zij-aan-zij met geprofessionaliseerde medewerkers. ACW ziet in deze werkcombinatie mooie kansen op informeel leren waardoor het gehele competentieniveau van de voorziening omhoog gaat. Elke voorziening draagt de verantwoordelijkheid om laaggeschoolde werknemers van bij de instap te begeleiden;
  • door een gericht opleidingsbeleid, hetzij op niveau van de DVO voor de aangesloten onthaalouders hetzij door de opvangvoorziening zelf, krijgt elke betrokkene ontwikkelingskansen. Vorming moet een opneembaar recht worden zodat elk personeelslid aanzetten krijgt om zich te bezinnen over de kwaliteit van de geboden opvang. Zo wordt job-perspectief geboden;
  • n.a.v. het invoeren van een vergunningsplicht voor àlle formele opvanginitiatieven, zullen nu ook zelfstandige onthaalouders worden aangezet tot verdere competentieontwikkeling. Het is nodig een groeipad uit te stippelen voor de zelfstandige onthaalouders, opdat het huidig aanbod niet zou verminderen en alle onthaalouders de kans krijgen mee te stappen in de professionaliseringsdynamiek. 

Een recent opgerichte taskforce buigt zich over het professionaliseringsvraagstuk. De resultaten van deze oefeningen moeten goed doorgepraat worden met de middenveldorganisaties voordat conclusies omgezet worden naar beleidsmaatregelen. Het debat over de loon- en arbeidsvoorwaarden dient gevoerd te worden nà het algemeen aanvaarden van het n.a.v. de taskforce uitgetekende kader. Enkel zo kan een algemene herwaardering van de sector geïnitieerd worden.

CONCLUSIE: ACW onderstreept het belang van een professionaliseringsbeleid, maar met behoud van een laagdrempelige instap voor ongediplomeerden. Via een sterk competentieontwikkelingsbeleid moeten ook laaggeschoolden jobperspectief hebben in de sector van de kinderopvang. 

Vijfde bouwsteen: erken de meerwaarde van de dienst voor opvanggezinnen

HIVA-onderzoek toonde aan dat maar liefst 30 à 40 % van de medewerkers van de DVO’s zich doorgaans zwaar belast voelt. Deze scores liggen hoger dan deze die men vaststelt voor andere ‘contactberoepen’. Het ongenoegen wordt veroorzaakt door de problemen die voortvloeien uit het ineenweven van een ‘quasi-informele’ sector met de formele sector, het gewijzigde profiel van de dienstverantwoordelijke meer ‘probleem’dossiers, lager niveau van de onthaalouders, minder kandidaten en vluggere uitval. Ontevredenheid over het gebrek aan promotiekansen en ontberen van een middenkader per dienst zorgt voor een versterkend effect. Bij het invoeren van een volwaardig werknemersstatuut zal de DVO zich (nog) meer moeten toespitsen op het administratief-juridische luik waardoor (nog) minder tijd voor werken in de diepte rest. Het ACW merkt op dat alle initiatieven geconfronteerd worden met steeds strenger wordende regelgeving, met het uittekenen van een kwaliteitsbeleid en een competentieplan voor het personeel … Vaak nemen de verantwoordelijken dit nog eens bij naast hun begeleidingsopdracht waardoor deze voorzieningen onvoldoende de maatschappelijke verwachtingen kunnen volgen.

Uit het onderzoek werden volgende aandachtspunten voor een kwaliteitsvolle werking van de dienst voor opvanggezinnen afgeleid:

  • de nodige specialisatiegraad
  • voldoende personeel
  • extra personeel op de dienst zelf om de administratieve taken over te nemen
  • schaalvergroting door samenwerking 

ACW wenst dat de DVO’s zich terug kunnen focussen op hun kerntaken, zijnde opvolgen en begeleiden van de aangesloten onthaalouders. Daarom moeten DVO’s voldoende personeel en middelen krijgen om bovenstaande taken te verwezenlijken. Het voorzien in organisatorische omkadering biedt hier een oplossing. Het instappen in netwerken zoals het CKO vormt een uitweg.

CONCLUSIE: ACW wil dat de overbelasting van de DVO’s weggewerkt wordt. DVO’s moeten zich terug focussen op hun kernopdracht. 

Daarnaast dient ook bekeken te worden hoe voorzien kan worden in administratieve en organisatorische omkadering van kinderopvangvoorzieningen en –diensten zodanig dat de professionele uitbouw verder gestimuleerd wordt. Samenwerking binnen een CKO biedt een goede oplossingspiste. Maar ook de financiering van het basisaanbod moet voldoende duurzaam zijn en rekening houden met de reële anciënniteitsopbouw van het personeel.

Zesde bouwsteen: operationaliseer de visie die een CKO schraagt

Het vernieuwd concept voor de kinderopvang biedt heel wat mogelijkheden en moet verder worden ontwikkeld. Een Centrum voor Kinderopvang biedt een antwoord op vragen als zorg op maat, vindplaatsgericht werken, maximale keuzevrijheid voor ouders en interne kwaliteitszorg. Het bevorderen van meer structurele samenwerking zal de transparantie en toegankelijkheid voor elke gebruiker ten goede komen. Door de cultuur van openheid naar zowel gebruikers als aanbiedende partners biedt een CKO de mogelijkheid om een gemeenschappelijke visie uit te werken rond o.a. kinderopvang, personeel en kwaliteit. De zelfstandige voorzieningen krijgen de mogelijkheid tot ondersteuning en begeleiding. Deze samenwerkingsvorm staat dus voor een meer efficiënte vorm van kinderopvang zonder de identiteit van elke opvangvoorziening op zich op te geven.

Opdat een CKO voor elke deelnemer een meerwaarde zou bieden, spoort het ACW de overheid aan om middelen te voorzien voor een middenkader. Door de schaalgrootte van een CKO kunnen dergelijke functies er renderen. Deze functies zijn hooggespecialiseerd en bieden een ondersteunende dienstverlening aan alle aangesloten lokale initiatieven, ook de DVO’s. Er wordt gedacht aan minstens een pedagogische functie, een permanente beschikbaarheid van een medische functie en 7 (van 8) een kwaliteitscoördinator. De medische functie maakt inzage en opvolging van medische dossiers mogelijk, iets wat tot op vandaag de dag een voelbare lacune is in de verzorging van kinderen. 

CONCLUSIE: ACW onderschrijft de visie van de minister over de CKO’s. Sinds eind mei 2007 wordt het concept uitgetest. ACW hoopt dat nog deze legislatuur eerste conclusies worden getrokken waardoor het omzetten naar algemene beleidsmaatregelen mogelijk wordt. De evaluatie gaat expliciet na in welke mate de CKO’s bijdragen aan de vooropgestelde transparantie voor zowel de gebruiker als de sector zelf. Opdat het geheel groter zou zijn dan de som van de delen, wil ACW dat elke CKO de ruimte krijgt om een middenkader uit te werken. Dit middenkader staat ten dienste van alle deelnemende CKO-partners. 

Zevende bouwsteen: oog voor betaalbaarheid 

Kinderopvang als basisvoorziening vraagt een solidair draagvlak via de ouderbijdrageregeling

De Vlaamse overheid nam de optie om kinderopvang als basisvoorziening te beschouwen. Deze beslissing heeft consequenties voor de dagprijs. De erkende en gesubsidieerde sector bepaalt de dagprijs overeenkomstig de hoogte van het gezinsinkomen. De zelfstandige sector kan vrij de prijzen zetten. De rijkere tweeverdieners zijn zo vaak beter af in de zelfstandige sector, terwijl de lagere inkomens beter terecht kunnen in de – voor hen goedkopere – erkende en gesubsidieerde initiatieven. Dergelijke aanpak zou sociale segregatie in de hand kunnen werken en bevordert allerminst het samenleven. Het verschil in gezinsinkomen mag niet leiden tot een kloof wat betreft een verschil in samenstelling over de opvangvormen heen.

ACW vraagt daarom aan de CKO’s om na te denken hoe alle deelnemende partners toch een sociale mix kunnen realiseren. Van overheidswege dienen tegemoetkomingen voor de zelfstandige sector overwogen te worden zodanig dat sociaal zwakkere gezinnen een grotere keuzevrijheid krijgen. De compatibiliteit tussen het zelfstandigenstatuut en de wens om overal inkomensgerelateerde bijdragen te hanteren met dus financiële bijpassing van het inkomensverlies van de zelfstandigen, dient uitgeklaard te worden. De sociale herverdeling moet versterkt worden. Daarnaast stelt het ACW voor om onthaalouders een bijkomende vergoeding te geven voor de opvang van kansarme kinderen, analoog aan de opvang van zorgspecifieke kinderen. Het stimuleren van een kansarm kind en het begeleiden van een kansarm gezin vergen meer van een onthaalouder om kwaliteitsvol werk af te leveren.

Gratis kinderopvang voor de laagste gezinsinkomens 

Uit alle analyses blijkt dat de laagste inkomensgroepen het minst van al formele kinderopvang gebruiken. Als oorzaak wordt gewezen op het feit dat de financiële meerwaarde van werken quasi volledig teniet wordt gedaan door de kinderopvangkost. Daarom wordt frequenter beroep gedaan op informele opvang of blijft een ouder weg van de arbeidsmarkt.

Volgens ACW hebben de laagste inkomensgroepen nochtans baat bij formele kinderopvang omdat de focus ligt op het stimuleren van de ontwikkeling van het kind. Kinderopvang wordt in wetenschappelijke literatuur steeds meer beschouwd als een ideale springplank voor succesvolle (onderwijs)loopbanen. Kinderen worden op heel jonge leeftijd vertrouwd gemaakt met de middenklassencultuur die leeft in schoolmiddens. Hoe vroeger een taalbad Nederlands (-als-instructietaal), hoe 8 (van 8) natuurlijker een kind zich zal bewegen in de taal die verschilt van zijn moedertaal. CKO’s horen een actief beleid naar ondervertegenwoordigde kansengroepen uit te werken.

ACW stelt daarom voor om zowel voorschoolse als buitenschoolse kinderopvang helemaal gratis aan te bieden voor de – exclusief – laagste inkomensgroepen. Ook de daaraan gekoppelde bewijslast moet zo eenvoudig mogelijk blijven. Rechthebbenden die zich niet bekendmaken of niet de gewenste bewijsdocumenten kunnen voorleggen, betalen vandaag de dag toch het hoogste tarief.

Gebruik dienstencheques blijft begrensd

De twee bovenstaande punten benadrukken de betaalbaarheid van kinderopvang voor de ouders. Dit derde punt neemt het perspectief in van de Vlaamse overheid. Ook voor de overheid is betaalbaarheid van de sector een te bewaken item. Het gebruik van dienstencheques staat niet alleen haaks op het principe van betaalbaarheid, het is ook een instrument tot verdere vermarkting van de sector van de kinderopvang. Daarom moet volgens het ACW het gebruik van de dienstencheques beperkt blijven tot de sterk beperkte doelgroep van alleenstaande ouders en met een maximum aantal cheques per jaar. De evolutie van de gestelde kwaliteitsvoorwaarden van het uitgestuurde personeel dient bovendien nauwgezet opgevolgd te worden.

CONCLUSIE: ACW beschouwt kinderopvang als een hefboom om meer mensen te laten instappen op de arbeidsmarkt. De kostprijs van kinderopvang mag niet leiden tot een gescheiden aanbod volgens gezinsinkomen. Daarom is gratis kinderopvang nodig. Een eenvoudige bewijslast verlaagt nog verder de drempel voor de doelgroepen. Van de voorzieningen verwacht ACW een actieve en open houding t.a.v. de vandaag onderparticiperende doelgroepen.

Achtste bouwsteen: geblokkeerde FCUD-middelen ontdooien

Het FCUD is een fonds dat gespijsd wordt door een bijdrage van 0,05 % op de loonmassa van werknemers. Sinds de federale top in Domein Raversijde werd + €20 miljoen extra gereserveerd voor de opvang van kinderen van werknemers. Deze middelen kunnen pas verdeeld worden wanneer de bevoegde overheden een samenwerkingsakkoord afsluiten. En daar knelt het schoentje. Zowel de bevoegde federale minister als zijn gemeenschapscollega’s en de betrokken uitvoerende instellingen (Kind & Gezin en ONE) dienen dringend tot een vergelijk te komen. Het uitgangspunt blijft het paritair beheer van de middelen.

Ten tweede moet er een oplossing komen voor de hoogte van het subsidiebedrag van de personeelsleden die door het FCUD gesubsidieerd worden. Dit is vandaag geplafonneerd. Bij het behoud van dit plafond kan het behoud van tewerkstelling niet gegarandeerd worden.

Ten derde moet het verschil in loon- en arbeidsvoorwaarden tussen het FCUDpersoneel en andere personeelsleden worden weggewerkt. Deze situatie is onhoudbaar en is te verklaren door een verschil in financieringsbron

CONCLUSIE: ACW dringt aan op een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de beide gemeenschappen en liefst zo snel mogelijk. 

 

Vermarkting van de zorg: Een terreinverkenning en ontwerpstandpunt

Terreinverkenning

De vermarkting van de zorg is een vrij recent debat dat sterk wordt gestuwd en gestuurd door de Europese commissie. Ook werkgeversorganisaties, bedrijven, private zorgverstrekkers én zorgverzekeraars in heel Europa, maar ook in België, sturen hierop aan. Het debat raakt ons diep, omdat het ons zorgmodel in vraag stelt. Het Belgische zorgmodel is een solidair stelsel waarin iedereen bijdraagt naar draagkracht, wat voor iedereen betaalbaar en toegankelijk is dankzij de financiering vanuit de sociale zekerheid en uit de algemene middelen én tegelijkertijd kwalitatief hoogstaande zorg oplevert. Het gaat om een uniek samenspel tussen vrij initiatief en overheidsregulering, waarin zowel commerciële als nietcommerciële zorgverstrekkers een plaats hebben. Door het invoeren van vrijemarktprincipes in de zorgsector wordt dit zorgmodel op de helling gezet.

Toch willen we dit debat niet louter defensief benaderen. We willen het in eerste instantie ontrafelen en analyseren. De term ‘vermarkting van de zorg’ dekt immers zeer veel ladingen. In tweede instantie willen we de knelpunten en bedreigingen blootleggen, maar we willen ook de mogelijkheden en opportuniteiten onder de aandacht brengen.

Het doel van deze nota is om het debat binnen de Beweging te organiseren en te voeden door:

  • klaarheid te scheppen in de begrippen;
  • een goed zicht te krijgen op de feitelijke evoluties op het terrein, die binnen het huidige wettelijke kader reeds mogelijk zijn;
  • een goed zicht te krijgen op de evoluties op Europees niveau. De vraag zal zijn binnen welke Europese krijtlijnen we ons zorgmodel nog mogen en kunnen uitbouwen;
  • de belangrijkste principes van ons zorgmodel opnieuw te expliciteren en te verdedigen op alle niveaus en na te gaan hoe ze kunnen gewaarborgd blijven in een nieuw toekomstig zorgmodel;
  • ons te positioneren in dit debat, zowel op korte als op langere termijn.

Begripsomschrijving

Vermarkting van de zorg is een zeer breed begrip dat verschillende ladingen dekt. Voor een goed begrip en om misverstanden in de communicatie te vermijden, is het beter om in de discussie meteen te verduidelijken over welk aspect van vermarkting men spreekt. Alvorens de deeldomeinen af te bakenen, willen we nog enkele begrippen verduidelijken.

Afbakening begrippen

Als er over vermarkting gesproken wordt, duiken ook meteen begrippen op als privatisering, commercialisering, privaat publiek, marktwerking. Hoewel ze allemaal met elkaar te maken hebben, hebben ze elk een andere betekenis. Om één en ander nog wat te bemoeilijken: éénduidige definities die door iedereen aanvaard worden, bestaan niet. We zullen dus zelf een poging doen om ze te omschrijven.

De overheid kan bij het uitvoeren van haar beleid zelf initiatief nemen (= publieke sector) of de overheidstaken gunnen aan de private sector. Daarbij heeft ze de keuze tussen private initiatieven die geen winst nastreven (= nietcommercieel privaat initiatief) en/of private initiatieven die wel winst nastreven (= commercieel privaat initiatief). Bij het gunnen van overheidstaken aan de private sector bepaalt de overheid de hoogte van de subsidies en de regelgeving en staat ze in voor de inspectie. Telkens moet de overheid uitmaken welk kwaliteitsniveau ze nastreeft.

België heeft in het verleden een duidelijke keuze gemaakt voor een mix van publiek en privaat initiatief. Bij de keuze van private partners heeft de overheid soms wel en soms niet het commercieel privaat initiatief uitgesloten of minstens afgeremd en geconditioneerd.

Dit model staat momenteel onder druk. Zowel vanuit Europa als vanuit liberale zijde groeit de vraag naar meer marktwerking. Hiermee wordt bedoeld dat het begrippenkader, de methodieken en de instrumenten uit de economische wereld worden toegepast op de welzijns- en gezondheidszorg, zoals concurrentie, vrije toegang, vrije prijsbepaling, vrije vestiging, geen planning van het aanbod, geen voorwaarden, geen kwaliteitscontrole. De marktwerking kan dan betrekking hebben op:

  • de organisatie van de zorg (via liberalisering en deregulering);
  • de financiering van de zorg door een grotere inbreng van private middelen (bv. voor de bouw van nieuwe infrastructuur, het stijgend aandeel van de eigen bijdrage van patiënten);
  • het beheer van de voorzieningen door commercieel georiënteerde beheerders/eigenaars;
  • het niveau van de regelgeving door minder voorwaarden en regels op te leggen aan de zorgvoorzieningen.

Het komt erop neer dat de afstemming van het aanbod op de gevraagde zorg gebeurt door private organisaties, al dan niet met winstoogmerk, die met elkaar concurreren (op prijs, op kwaliteit, op aangeboden diensten, op patiënten, op efficiëntie van de organisatie), liefst zonder al te veel inmenging van de overheid.

Commercialisering staat overigens niet per definitie gelijk aan deregulering, noch aan minder overheidsoptreden. Overheidsingrijpen en regulering blijft ook in dit model mogelijk (op vlak van toegang tot de dienst (bv. acceptatieplicht), o.v.v. de prijs (bv. vaste prijzen), o.v.v. het aanbod (programmatie en vestigingswet), o.v.v. de kwaliteit (bv. kwaliteitszorg en accreditering). Moeilijker wordt de discussie als er ook overheidsmiddelen aan gekoppeld zijn, wanneer het uitbesteden van overheidstaken ook gekoppeld is aan overheidssubsidies. Dan stelt zicht de vraag of overheidssubsidies kunnen gebruikt worden voor een privaat initiatief dat gericht is op het maken van winst en het maximaliseren van die winst (op vraag van aandeelhouders). Kan een commercieel initiatief de algemeen maatschappelijke belangen waarborgen? Zijn tussenformules mogelijk om te komen tot een social profitinitiatief?

We kunnen echter alleen maar vaststellen dat er vandaag reeds heel wat marktwerking is in de zorg, dat er op diverse deeldomeinen (bv. rusthuizen, kinderopvang) al commerciële initiatieven actief zijn en dat op andere domeinen, waar commerciële initiatieven geen toegang hebben tot overheidssubsidies (bv. ziekenhuizen en gezinshulp), er een grijze zone ontstaat tussen profit en nonprofit: de positie en macht van de vrije beroepen, de vzw’s die uitwegen zoeken om hun bestuursleden te ‘belonen’, het outsourcen van bepaalde activiteiten door nonprofitvoorzieningen aan commerciële initiatieven, de vervennootschappelijking van vrije beroepen en andere zorgverleners, de ontwikkelingen in de thuishulp met de dienstencheques...

Afbakening van de deeldomeinen

Als er over vermarkting van zorg geschreven of gesproken wordt, is het van belang na te gaan over welk aspect men het heeft. Er zijn verschillende invullingen mogelijk die niet noodzakelijk aan elkaar gekoppeld zijn. Het kan gaan om:

  1. het (actief) aantrekken van buitenlandse patiëntenstromen naar de Belgische gezondheidszorg;
  2. het aanbieden van Belgische medische dienstverlening aan het buitenland (telegeneeskunde);
  3. het organiseren en beheren van ziekenhuizen en welzijnsvoorzieningen op commerciële leest, waaronder het aantrekken van privékapitaal om te investeren in gebouwen en infrastructuur;
  4. het toelaten van buitenlandse (commerciële) zorgverstrekkers (thuiszorgorganisaties, investeerders, niet-gesubsidieerde privé-ziekenhuizen) op de Belgische markt;
  5. de wijzigende verhoudingen tussen de zorgverstrekkers en de zorgverzekeraars en de rol van private zorgverzekeraars daarin;
  6. de evolutie van aanbodfinanciering naar vraagfinanciering en de daarmee gepaard gaande openstelling voor commerciële voorzieningen (bv. Dienstencheques in poetshulp, het Persoonlijk AssistentieBudget in de gehandicaptensector);
  7. de groei van een apart gezondheidszorgcircuit dat niet gesubsidieerd wordt door de overheid (bv. de welness-industrie en luxe-geneeskunde);

Evoluties op het terrein

Op het terrein zit men niet stil en tekenen zich vandaag al een aantal tendensen af. We maken daarbij een onderscheid tussen de gezondheidssector en de welzijnszorg, omdat de evoluties van een andere aard zijn. De ouderenzorg die te paard zit tussen gezondheids- en welzijnszorg delen we hier in onder welzijnszorg.

GEZONDHEIDSZORG

  1. Ziekenhuizen, vooral deze in grensregio’s, sluiten overeenkomsten met buitenlandse zorgverzekeraars voor de zorg van buitenlandse patiënten. In 2005 werden er jaarlijks ongeveer 35 000 (cijfers 2004: 25 884 opnames in Belgische ziekenhuizen via contracten met Nederlandse ziekenfondsen) buitenlandse patiënten opgenomen in Belgische ziekenhuizen. Het merendeel afkomstig uit Nederland en Frankrijk en in mindere mate uit Duitsland en GrootBrittannië. Tengevolge wijzigingen in het buitenlandse zorgbeleid viel deze patiëntenstroom in 2006 terug tot iets meer dan 10.000 . Deze buitenlandse patiëntenstromen kunnen een motor vormen tot vermarkting van gezondheidszorg, als zij niet worden gekaderd binnen een reglementering die de voorwaarden bepaalt waarbinnen grensoverschrijdende zorg moet totstandkomen. (Zo is er een groot verschil tussen overeenkomsten die hiaten in de zorg voor grensbewoners regelen met respect voor de eigenheid van de gezondheidszorgsystemen aan beide zijden van de grens en het eenzijdig opkopen van zorg op een commerciële basis)
  2. Een aantal ziekenhuizen ziet nu al mogelijkheden om de eigen capaciteit uit te breiden en zich te specialiseren in het ontvangen en behandelen van buitenlandse patiën-ten. De inkomsten/winsten kunnen dan ook ingezet worden in het voordeel van het ziekenhuis in zijn geheel. In een eerste fase is het zeker de bedoeling om de vrije capaciteit efficiënter in te vullen, o.m. via buitenlandse patiënten.
  3. Een aantal Belgische bedrijven bieden medische diensten aan in het buitenland. Het bedrijf Eurad Consult spitst zich toe op teleradiologie: vanuit het buitenland worden beelden doorgestuurd die in België worden geanalyseerd. De diagnose (door min. 2 artsen) wordt dan opnieuw elektronisch teruggestuurd. Andere toepassingen zijn mogelijk: telediagnose binnen de oogheelkunde, de dermatologie en de orthodontie.
  4. Officieel zijn bijna alle ziekenhuizen vzw’s of openbaar. Het aantal openbare ziekenhuizen vermindert stilaan en wordt overgenomen door vzw’s. Daarnaast zien we in een aantal ziekenhuizen de evolutie naar een beheer dat op commerciële leest geschoeid is of waar er minstens sprake is van praktijken die winsten uit de vzw laten vloeien (bv.via uitbetaling van zeer hoge zitpenningen, via lucratieve contracten voor dienstverleners die vertegenwoordigd zijn in de beheerraad, via bonussen en vergoedingen voor leidinggevenden en stilaan ook middenkaders). We zien ook grote verschillen tussen ziekenhuizen wat het betalen van supplementen ten laste van de patiënten betreft.
  5. Het aandeel van de terugbetalingen van medische zorg door private verzekeraars t.o.v. de RIZIV-vergoeding stijgt. Dit zou ertoe kunnen leiden dat wie privaat verzekerd is, betere zorg kan krijgen. Het belang van de aanvullende hospitalisatieverzekering neemt toe, wat op termijn een motor kan zijn tot meer vermarkting.
  6. Onder druk van de Europese interne markt wordt de reglementering in de gezondheidszorg nu reeds afgebouwd of gewijzigd om te voldoen aan de vereisten van vrij verkeer van diensten en de wetgeving op vlak van mededinging. Ten gevolge van een aantal inbreukprocedures heeft België zijn wetgeving inzake klinische biologie en rolstoelen moeten aanpassen. Een aantal andere inbreukprocedures zijn nog lopende, maar kunnen verstrekkende gevolgen hebben op het terrein (bv. bemoeilijken van de programmatie van petscans, in vraag stellen van de vestigingswet voor apotheken).
  7. De EC heeft nu ook een inbreukprocedure opgestart tegen de Belgische ziekenfondsen. Volgens de Europese Commissie vallen de aanvullende verzekeringen die de ziekenfondsen aanbieden onder de Europese verzekeringsrichtlijn en moet deze worden toegepast.

WELZIJNSSECTOR

  1. De commerciële initiatieven worden grootschaliger. Tot op heden waren de meeste commerciële initiatieven eerder kleinschalig en gericht op een specifiek publiek, dat hetzij kapitaalkrachtiger is, dan wel minder zwaar zorgbehoevend. Deze doelgroep van minder zwaar zorgbehoevenden vergt minder zorg, minder personeel en biedt meer mogelijkheden tot het verwerven van inkomsten uit nevenactiviteiten. Recent heeft zich een beweging van schaalvergroting ingezet waarbij grote commerciële bedrijven verschillende rusthuizen kopen of bouwen én uitbaten of laten uitbaten door een andere private partner.
  2. Naast de rusthuizen ontwikkelen zich ook nieuwere vormen van opvang, zoals seniorieën, serviceflats, woningen met dienstverlening in de buurt van een rusthuis edm. Vaak gaat het op privéinitiatieven. Opvallend is dat zij investeren in een breed pallet van diensten en bedrijven die elkaar versterken, bv. zowel in hulpmiddelen, in thuishulp, seniorieën, rusthuizen, ziekenhuizen, informatica, bouwbedrijven...

    Momenteel is de Nederlandse investeerder Waterland actief op de Belgische markt en investeert in seniorieën en rusthuizen. Zij bezitten een keten van 7 instellingen, goed voor 1100 bedden. Andere grote spelers zijn Van Den Brande in Geel met 9 instellingen en 4 in opbouw en Restel, met 9 seniories en 5 rusthuizen.
  3. Ook de Vlaamse overheid neemt meer en meer maatregelen die de commercialisering van de welzijnszorg ondersteunen:
    1. het verlenen van een overheidswaarborg voor de bouw van rusthuizen;
    2. het uitwerken van PPS-formules om op korte termijn de bouw van zorginstellingen te versnellen;
    3. de Vlaamse zorgverzekering werd georganiseerd met private verzekeringsinstellingen;
    4. de introductie van de dienstencheques voor poetshulp werd gekoppeld aan een openstelling van de markt voor commerciële bedrijven;
    5. het verhogen van de financiële steun voor commerciële kinderdagverblijven;
    6. het voorstel van decreet over de commerciële organisatie van dagverzorging en kortverblijf.
  4. Door de commercialisering in de poetshulp ontwikkelt zich een grijze zone tussen zorgverlening en dienstverlening: bv. poetsen bij bejaarden: zorgverlening of dienstverlening? Wat is de grens tussen poetshulp en beperkte zorgactiviteiten?
  5. Het persoonlijk assistentiebudget is een vorm van vraagfinanciering die moet toelaten dat personen met een handicap zelf hun zorg inkopen. Dit heeft ertoe geleid dat de bestaande residentiële en semi-residentiële instellingen hun aanbod hierop hebben moeten afstemmen, daarnaast zijn er ook nieuwe soorten organisaties (bv. budgethoudersverenigingen) ontstaan. Deze vorm van vraagfinanciering roept veel vragen op rond loon- en arbeidsvoorwaarden, werkgeverschap, toegankelijkheid voor de zwaksten.
  6. Recent worden ook commerciële initiatieven genomen in de gehandicaptensector. Een Nederlandse investeerder opent twee opvangtehuizen voor verstandelijk gehandicapten. Per huis worden twee zorgverleners aangetrokken, die het huis runnen als een echte onderneming. De personen met een handicap betalen voor het wonen, de dienstverlening en voor de zorg (ev. met hun PAB).

Evoluties in de wetgeving

Europese wetgeving en jurisprudentie

  1. De Europese Commissie heeft al langer de kaart getrokken voor een interne markt voor diensten. De grondslag hiervoor zit vervat in het Verdrag van Maastricht, met name het recht op vrije vestiging. Belemmeringen van het recht op vrije vestiging zijn verboden tenzij gerechtvaardigd door een algemeen belang dat is erkend door het EG-Verdrag of door rechtspraak van het Europees hof. Als zodanig zijn erkend: de aantasting van het financiële evenwicht van het stelsel van sociale zekerheid en de instandhouding van de verzorgingsmogelijkheid op nationaal grondgebied.
    Met andere woorden, Europa erkent dat de organisatie van de gezondheidszorg tot de nationale bevoegdheid van de lidstaten blijft behoren, maar intussen zien we heel wat pogingen door de EC om dit principe te ondermijnen:
    1. via de Bolkestein richtlijn heeft men getracht de gezondheidszorg te behandelen als een normale economische dienst. Het is maar dankzij acties van het middenveld dat het Europees Parlement de gezondheidszorg als toepassingsgebied eruit heeft gehaald;
    2. intussen draalt de EC ontzettend om initiatief te nemen rond de afbakening van Diensten van Algemeen Sociaal Belang. Een dergelijke richtlijn of kaderrichtlijn zou een tegenwicht kunnen bieden tegen het internmarktdenken van de EU en erkennen dat er heel wat diensten bestaan die het algemeen belang dienen en niet aan commerciële belangen ondergeschikt gemaakt mogen worden (bv. water, elektriciteit, gezondheidszorg …);
    3. daartegenover zien we dat de EC, vanuit een andere invalshoek en juridische basis, wel een nieuw initiatief plant rond patiëntenmobiliteit en de gevolgen van de toepassing van het vrij verkeer van diensten op de medische dienstverlening, vertrekkende van diverse uitspraken van het Europees Hof van Justitie (zie 3.1.2.);
    4. naast de Europese rechtspraak, sijpelen interne marktprincipes en hiermee gepaard gaande vermarkting/commercialiserinbg ook door via de inbreukprocedures van de Europese Commissie. Deze laten de EC toe om op eigen initiatief of op basis van klachten lidstaten onder druk te zetten om hun systeem of reglementering aan te passen. Ten gevolge een inbreukprocedure werd België al verplicht de wet op de klinische biologie te wijzigen, evenals de reglementering rond terugbetaling van rolstoelen;
    5. de benadering van gezondheidszorg als een economische sector is een gevolg van een zeer brede definitie van economische activiteiten. Er is momenteel een onvoldoende juridische basis en politieke wil om naast pure overheidstaken en de commerciële activiteiten een eigen benadering te voorzien voor sociale activiteiten die niet door de overheid worden georganiseerd. Een economische activiteit wordt zeer breed gedefinieerd. Niet de rechtsvorm, wel de aard van de activiteit (met name of ze in principe kan worden uitgevoerd door een private partij om winst te maken) is daarbij bepalend. Ook de meeste aanbieders van gezondheidszorg en welzijnszorg worden door de EC als economische actoren beschouwd en zijn daardoor onderworpen aan de principes van de interne markt.
  2. Het Europees Hof van Justitie heeft al op diverse deelterreinen uitspraken gedaan die wel belangrijke consequenties hebben voor het de gezondheidszorg in Europa. Zo heeft het Hof geoordeeld dat:
  • de patiëntenmobiliteit binnen de EU moet vergemakkelijkt worden. Dat betekent dat:
    • patiënten voor nietgehospitaliseerde zorg in een andere lidstaten terecht moeten kunnen ZONDER voorafgaandelijke toestemming van hun verzekeringsmaatschappij of mutualiteit;
    • patiënten voor hospitalisatie eveneens in een andere lidstaat terecht kunnen. Hier kan een vereiste worden gehandhaafd van toestemming van hun mutualiteit of verzekeraar. Deze toestemming mag niet geweigerd worden als er niet even doeltreffende zorg voorhanden is binnen de lidstaat of als je niet binnen een redelijke termijn in eigen land kan geholpen worden.
    • Door de rechtstreekse toepassing van het vrij verkeer van diensten op gezondheidszorg zijn er twee naast elkaar bestaande procedures ontstaan voor grensoverschrijdende zorg. (Als een patiënt zich met voorafgaande toestemming in het buitenland laat verzorgen, wordt hij als het ware geïntegreerd in het terugbetalingssysteem van het land van verzorging maar blijft financieel ten laste van de eigen verzekering. Dit betekent dat de terugbetaling gebeurt op het niveau van het land van zorg. Indien dit financieel nadeliger is dan de terugbetaling op basis van de tarieven van het land van verzekering, moet hij een aanvulling krijgen ten belope van dit bedrag. Als de toestemming ten onrechte werd geweigerd, geldt eenzelfde redenering. Als iemand zonder toestemming naar het buitenland gaat om zich er te laten verzorgen, wordt hij terugbetaald volgens de tarieven van het land van verzekering. Dit kan in principe enkel voor de ambulante zorg of wanneer de zorg niet beschikbaar is in het eigen land.)
    • lidstaten onder bepaalde voorwaarden wel het recht hebben om de toekenning van overheidssubsidies te beperken tot nietcommerciële initiatieven (Arrest Sodemare);
    • medische specialisten door het Hof worden aanzien als ondernemingen omdat zij volgens de definitie een economische activiteit uitoefenen. Bijgevolg zijn zij onderworpen aan de mededingingsregels.

3. Hoe dan ook speelt het Europees Hof van Justitie een belangrijke rol bij zowel de interpretatie van Europese reglementering als bij de totstandkoming ervan. Het is bv. ten gevolge van de uitspraken van het Europees Hof van Justitie rond de patiëntenstromen dat er een zekere mate van rechtsonzekerheid is ontstaan: het hof regelt wel de tarieven, maar niet de minimumrechten, noch de minimale standaarden, noch de controle en de procedures in geval van betwisting. Dit brengt de Europese Commissie ertoe om een nieuw initiatief te nemen rond de interne markt voor gezondheidszorg. De eerste stap hierin is een ruime bevraging, die in 2007 moet uitmonden in een concreet voorstel. Uitgangspunt is hoe de bestaande gezondheidszorgsystemen de kosten onder controle kunnen houden, de efficiëntie kunnen verhogen, de preventie en gezondheidspromotie kunnen verhogen.

Resolutie van de Kamer en de Senaat over mobiliteit van patiënten in de EU (29/03/06)

Ook de Senaat en nadien de Kamer hebben zich over het vraagstuk van de mobiliteit van patiënten gebogen en vragen via een resolutie aan de regering volgende zaken:

  • erop toe te zien dat de toegankelijkheid en kwaliteit voor Belgische verzekerden gegarandeerd blijft;
  • erop toe te zien dat de opvang van buitenlandse patiënten verloopt binnen een raamovereenkomst met het land van oorsprong;
  • ervoor te zorgen dat de registratie van ziekenhuisopnamen een controle op de toegankelijkheid mogelijk maakt;
  • maatregelen te treffen die het mogelijk maakt een prijs aan te rekenen die minstens kostendekkend is;
  • erop toe te zien dat er geen kunstmatig gecreëerde wachtlijsten ontstaan en een gezondheidszorg met twee snelheden;
  • toe te laten dat ziekenhuizen buitenlandse patiënten behandelen zonder beroep te doen op subsidies, daarbij wel alle kwaliteitsnormen nalevend;
  • toe te laten dat Belgische ziekenhuizen uitgroeien tot referentiecentra in belang van kenniseconomie en de aantrekkingskracht van Belgische zorginstellingen;
  • samenwerkingsakkoorden te sluiten met andere landen om de referentiecentra in de verschillende lidstaten toegankelijker te maken voor patiënten uit de andere lidstaten;
  • erop toe te zien dat de overheid en de verzekeringsinstellingen passende maatregelen nemen met betrekking tot de samenwerking tussen ziekenhuizen, overheden en/of verzekeringsinstellingen van andere EU-landen.

In opvolging van deze resolutie is op 7 maart 2007 een wetsvoorstel ingediend in de Kamer, o.m. mede ondertekend door Jo Vandeurzen.

Visie-ontwikkelingen bij maatschappelijke actoren

Het VBO neemt het voortouw

Het VBO heeft in september ’06 uitgepakt met een brochure Dare and Care waarin zij diverse uitdagingen en mogelijkheden voor de sector van de gezondheidszorg aflijnt. Deze vallen allemaal onder de noemer van vermarkting.

  • Buitenlandse patiënten helpen in België: door de (toenemende) overcapaciteit van ziekenhuisbedden en van specialisten kan België op meer actieve wijze patienten rekruteren in het buitenland. Er is een capaciteit voor 50 000 extra opnames per jaar (i.e. ongeveer 1,5% van alle ziekenhuisopnames), volgens VBO.
  • Buitenlandse patiënten helpen in het buitenland: door de technologische evolutie is het mogelijk om in België een aanbod aan medische dienstverlening op afstand (telegeneeskunde) uit te bouwen
    • bv. telediagnose: analyseren van elektronisch doorgestuurde beelden (teleradiologie bestaat reeds in B., ook mogelijk voor pathologie, orthodontie, oogheelkunde, klinische dermatologie …)
    • ondersteunen van urgenties tijdens nachtdiensten in landen met een andere tijdzone
    • medische informatie en ondersteuning bij zorgverlening van personeel of cliënten op schepen of in vliegtuigen
    • opvolgen van de gezondheidstoestand van patiënten vanuit thuisomgeving (bij revalidatie, bij veroudering …)
    • robotoperaties vanuit België aangestuurd en uitgevoerd in buitenland
  • Uitbouw van gespecialiseerde centra met hoogtechnologische apparatuur voor patiënten uit binnen- en buitenland. Dit moet een efficiënter gebruik van dure apparatuur mogelijk maken evenals een beter spreidingsbeleid binnen Europa.

Het VVI

(Dit is een samenvatting standpunt VVI)

Het VVI maakt in haar standpunt een duidelijk onderscheid tussen commercialisering en vermarkting. Wat de commercialisering betreft, benadrukt het VVI dat de non-profitorganisaties een bijzondere vorm en inhoud geven aan hun maatschappelijk ondernemerschap doordat zij in dialoog gaan met de stakeholders en gericht zijn op het versterken van de sociale samenhang en solidariteit in de samenleving.

Toch geven zij aan dat de overheid een kader moet scheppen waarbinnen social-profit én for-profit instellingen kunnen opereren. Dat moet gebeuren op basis van normen met betrekking tot planning, erkenning, kwaliteit, toegankelijkheid tot en selectie van de meest aangewezen zorg, engagement tot continuïteit van zorg, verbod op uitsluiten van zorg (of van verzekering), verantwoorde prijszetting, enzovoort. Hier dient een efficiënt en effectief toezicht op georganiseerd te worden waarbij social-profit en for-profit gelijk behandeld worden en de regels steeds toegepast worden.

Op vlak van vermarkting geeft het VVI aan dat marktprikkels wel een bijdrage kunnen leveren tot het verhogen van de efficiëntie en de kwaliteit van de zorg, maar dat meer marktwerking ook risico’s inhoudt. In een vrije markt wordt immers onvoldoende rekening gehouden met de specifieke relatie tussen zorgaanbieder en gebruiker. Deze laatste bevindt zich in een kwetsbare positie. Basis voor de selectie van zorg moet een open dialoog tussen beiden zijn, met enkel de belangen van patiënt en samenleving voor ogen.

In het licht hiervan vraagt het VVI aan de overheid bijzondere aandacht voor:

  • de leefbaarheid van de voorzieningen die alle basiszorg aanbieden met respect voor het boven vermelde kader van normen en controle.
  • De ontwikkeling van commerciële initiatieven op het terrein van de wensgeneeskunde en/of export van de Belgische gezondheidszorg. Het VVI vraagt terzake een aangepaste Richtlijn voor de zorgsector.

Het VVI benadrukt dat in een situatie van schaarse middelen de socialprofit sector een extra meerwaarde heeft, net omdat zij alle gerealiseerde winsten in de maatschappelijke doelstelling van de onderneming herinvesteert, en wil vermijden dat deze schaarse middelen worden afgeleid naar de uitkering van winsten.

VCSPO : Social-profitondernemerschap en marktwerking

(één element uit hun visienota)

Het mens- en maatschappijgerichte karakter van de dienstverlening in de social-profit stelt grenzen aan de invoering van de marktwerking. Vrije prijsonderhandelingen tussen vraag en aanbod zijn veelal niet mogelijk of wenselijk om diverse redenen:

  • de complexe interactie tussen een soms kwetsbare gebruiker en de dienstverlener en de noodzaak van een goede dialoog om de behoeften te vertalen naar een professionele dienstverlening;
  • de vereiste solidariteit als basis van de dienstverlening om iedereen gelijke toegang te garanderen in verhouding tot zijn behoeften.

Het streven naar maximalisatie van de winst in een commerciële onderneming kan bovendien het complexe en delicate evenwicht tussen de essentiële functies van een social-profitactiviteit verstoren. Zelfs indien er een voldoende maatschappelijk draagvlak zou zijn voor de introductie van meer marktwerking in social-profitsectoren, dan nog zullen er sociale correcties nodig zijn om een toegankelijk en collectief aanbod te vrijwaren. Elke dienstverlener zal verplicht blijven een maatschappelijk engagement op te nemen en zich niet te richten tot een selectief doelpubliek. Social-profitsectoren zijn dus niet zomaar een markt maar hoogstens een 'gereguleerde markt'.

Voorbeelden uit het buitenland: Nederland

Nederland heeft recent (1 januari ‘06) zijn gezondheidszorgsysteem volledig hervormd en kiest voortaan een concurrentieel model.

De oude scheiding tussen particuliere verzekeringen en ziekenfondsen is volledig opgeheven. Alle zorgverzekeraars moeten voor de basisverzekering iedereen accepteren, ongeacht leeftijd, geslacht of gezondheid en iedereen betaalt eenzelfde premie.

Omgekeerd krijgen de zorgverzekeraars wel de vrijheid om met zorginstellingen of artsen contracten af te sluiten. Zij kunnen nu ook eisen stellen aan de zorgverlening en aan de kostprijs ervan. Om de ziekenhuizen en de zorgverzekeraars aan te zetten tot dit soort onderhandelingen werden heel wat medische ingrepen al omschreven, gestandaardiseerd en van een standaardprijs voorzien. Tegen 2008 wil men dat 70 % van de behandelingen onderworpen zijn aan vrije prijsonderhandelingen.

Om de concurrentie verder te stimuleren maakten twee nieuwe wetten het mogelijk dat artsen en ondernemers een kliniek of praktijk kunnen beginnen en vanaf 2012 mogen de ziekenhuizen winsten uitkeren. Voor patiënten is het makkelijker geworden om van verzekeraar te veranderen. Kinderen zijn gratis verzekerd. 

Wat de gevolgen van deze omschakeling zullen zijn, is vandaag nog moeilijk in te schatten, maar dit zal zeker van nabij worden opgevolgd. Nu reeds vallen twee negatieve effecten op : er is een duidelijke evolutie van geschoolde en professionele hulp naar ongeschoolde en goedkope zorg (poetshulp), met als gevolg jobonzekerheid voor duizenden werknemers in de sector.

Engeland

Engeland heeft al een hele evolutie achter zich richting privatisering en commercialisering van de gezondheidszorg. Uit een studie van prof. A. Pollock blijkt hoe deze commercialisering stap voor stap op structurele wijze werd voorbereid en doorgevoerd door de opeenvolgende regeringen van de jaren ’80 en ’90, zonder enig debat of inspraak of duidelijkheid over de doelstellingen.

Vóór 1991 werd het National Health System gekenmerkt door een geïntegreerd systeem, gebaseerd op centraal gestuurd behoeftenonderzoek, planning en programmatie. Vanaf 1991 wordt een langetermijnstrategie uitgedokterd (aangestuurd door de exportstrategie van de VS die hierin een exportproduct zien) met daarin volgende stappen:

  • publieke sensibilisering dat ‘privatisering geen kwaad kan zolang het publiek gefinancierd blijft’;
  • introductie van managementprincipes in het beheer en minder centrale sturing door bevoegde minister (in naam van de efficiëntie);
  • creëren van een interne markt door het opsplitsen van geïntegreerde diensten in aparte diensten (ziekenhuisdiensten worden onderlinge concurrenten);
  • privatisering van de infrastructuur: eerst worden alle subsidies voor infrastructuur stopgezet, zodat de kwaliteit van het patrimonium zwaar achteruit gaat en dan worden de gebouwen verkocht. Nu moet de overheid deze gebouwen huren, met een zware kostenexplosie (X 10) tot gevolg;
  • deregulering van de loon- en arbeidsvoorwaarden en enkel onderhandelingen op lokaal niveau;
  • vermindering van het aantal ziekenhuisbedden en het aantal personeelsleden (creëren van een schaarste);
  • bemoeilijken van klachten en gerechtelijke procedures door publiek en patiënten.

Standpuntbepaling

België kent een specifiek systeem van gezondheids- en welzijnszorg. Het gaat om een unieke combinatie van vrij initiatief en overheidsregulering. Deze combinatie is verankerd in de Belgische en regionale wetgeving en heeft tot op vandaag een model opge-leverd van universeel toegankelijke en kwalitatief hoogstaande zorg, terwijl de uitgaven niet uitstijgen boven het Europese gemiddelde.
Diverse maatschappelijke evoluties zetten dit model onder druk: de toegenomen indivi-dualisering, de voortdurende technologische innovatie in de gezondheidszorg, de inter-nationalisering in het zorgaanbod, de toename van welzijnsnoden, maar ook het debat over de rol van de overheid en de vraag naar belastingverlaging …. Deze maatschappe-lijke evoluties effenen het pad voor een toenemende rol van commercieel initiatief bin-nen de gezondheids- en welzijnszorg.

Wie bezorgd is over de toekomst van de zorg, zal creatief moeten denken hoe de zorg zich kan aanpassen aan de maatschappelijke evoluties zonder hierbij afbreuk te doen aan de unieke doelstelling van een collectief gefinancierde en universeel toegankelijk zorg op hoog niveau. We zullen moeten nadenken over welke zorg we willen, een die gedicteerd wordt door de zorgindustrie, of een die gericht is op betere zorg? We zullen ook moeten onderzoeken welke instrumenten we in de toekomst kunnen hanteren om van winstbejag niet de eerste drijfveer te maken bij het aanbieden van zorg maar het belang van de zorgbehoevende centraal te kunnen blijven stellen? Hoe kunnen we diensten van algemeen belang een volwaardige plaats geven met een eigen dynamiek. Hoe kunnen we een Belgische en Vlaamse invulling geven aan de openbaredienstver-plichtingen om onze doelstellingen te vrijwaren.

Het ACW wil alvast een voorzet geven in dit debat. We zijn daarin zeker geen vragende partij tot meer commercialisering, maar we zijn evenmin blind voor de evoluties en de uitdagingen. Het zal dus een genuanceerd standpunt zijn, waarbij zowel de doelstellin-gen worden geëxpliciteerd als de concretisering ervan.

Evenzeer is dit een verhaal dat op diverse beleidsniveaus moet worden geschreven, te beginnen bij het Europese. Het is voor ons klaar en duidelijk dat Europa werk moet maken van een stevige wettelijke basis die het mogelijk maakt om diensten van alge-meen sociaal belang aan eigen doelstellingen te onderwerpen die niet louter te maken hebben met de doelstellingen geformuleerd in het Europees Verdrag inzake vrij verkeer van diensten en de vrije mededinging. Maar ook de Belgische en gewestelijke overhe-den moeten eerst duidelijk bepalen wat voor soort gezondheidszorg en welzijnszorg we in de toekomst willen en hun beleid daarop afstemmen, en niet omgekeerd. Dat dit niet zonder publiek debat en sociaal overleg met het middenveld kan, is voor ons klaar als een klontje.

De vraag om de zorg aan buitenlandse patiënten mogelijk te maken, is eerder een vraag van secundaire orde en moet volledig ingepast worden in onze visie op de orga-nisatie van de zorg. Ze staat in principe los van de vraag naar vermarkting. Het mag in ieder geval niet als een alibi gebruikt worden om de regulering inzake kwaliteit, aanbod en kostenbeheersing af te bouwen.

Principes in de Beweging

Het ACW en zijn deelorganisaties hebben in het verleden altijd gepleit voor een ge-zondheids- en welzijnszorg die:

  • KWALITEITSVOL, voor iedereen TOEGANKELIJK EN BETAALBAAR is;
  • op SOLIDAIRE basis gestoeld, waarbij dezelfde kwaliteit van zorg wordt gega-randeerd ongeacht inkomenssituatie of sociale achtergrond;
  • met kwaliteitsvolle jobs en goede loon- en arbeidsvoorwaarden voor het perso-neel;
  • zowel door openbare als private non-profit initiatiefnemers kan worden georga-niseerd;
  • met toezicht door de overheid op de naleving van de erkennings- en subsidië-ringsvoorwaarden;
  • met een verantwoorde inzet van de collectieve middelen in functie van de priori-taire noden (= programmatienormen).

Wat zijn de doelstellingen van de gezondheids- en welzijnszorg in België en Vlaanderen

Gezondheid- en welzijnszorg behoren ontegensprekelijk tot het publieke belang. Dat wil zeggen dat de overheid de eindverantwoordelijkheid heeft om dit publieke belang te organiseren, te financieren, te controleren en te sanctioneren. De overheid moet de voorwaarden creëren voor een goed functionerend aanbod met een bevredigende kwa-liteit en kostprijs. De uitvoering kan overgelaten worden aan het vrij initiatief of het publiek initiatief maar de eindverantwoordelijkheid ligt bij de overheid.

Meteen stelt zich de vraag wanneer we over een bevredigende dienstverlening spreken die het publieke belang voldoende borgt. Waaraan moet dan voldaan zijn? Voor het ACW moet de gezondheids- en welzijnszorg aan 5 doelstellingen voldoen. We maken daar waar nodig en relevant een onderscheid tussen de gezondheidszorg en de wel-zijnszorg.

Maar aangezien de principes alleen niet altijd even duidelijk zijn, geven we ook meteen aan hoe deze doelstellingen al dan niet kunnen gerealiseerd worden

Collectief gefinancierd op solidaire wijze

Voor het ACW betekent dit:

algemeen:

een voldoende en gewaarborgde financiering van de eerste pijler in de Sociale Zeker-heid en de gezondheidszorg is cruciaal om het systeem in de toekomst te laten bestaan en te laten evolueren in sociale zin. De financiering moet versterkt worden via alterna-tieve financieringswijzen. Dit is de beste garantie tegen privatisering. Het persoonlijk aandeel van de patiënten in de kosten voor gezondheidszorg mag niet verder stijgen.

in de gezondheidszorg (en rusthuizen):

  • alle verzekerden betalen een bijdrage aan de sociale zekerheid. Deze is gemo-duleerd naar draagkracht;
  • de betaalbaarheid van de zorg wordt voor iedereen gegarandeerd. Om met be-perkte middelen de gelijke toegang tot de gezondheidszorg te garanderen zijn selectieve maatregelen nodig zoals de maximumfactuur, voorkeurregeling, maatregelen chronisch zieken …

Betaalbaarheid voor de gebruiker

Om de betaalbaarheid voor iedereen te garanderen is zowel in de gezondheidszorg als in de welzijnszorg een ingenieus financieringssysteem gegroeid dat een combinatie is van overheidssubsidies, terugbetaling via de sociale zekerheid, privé-verzekering, en de bijdrage door patiënten of cliënten. Op die manier wordt ervoor gezorgd dat de patiën-ten in de meeste zorgsectoren bijdragen naar draagkracht, hetzij door een voorafgaan-delijke, verplichtte bijdrage aan de sociale zekerheid (bv. medische zorg bij huisarts, opname in een ziekenhuis, rusthuizen), hetzij door een tariefstelsel dat rekening houdt met het inkomen (bv. kinderopvang en gezinszorg).

Daarnaast zijn nog bijkomende beschermingsmaatregelen gecreëerd wanneer de kos-ten voor gezondheidszorg te hoog oplopen (bv. de Verhoogde Tegemoetkoming, de maximumfactuur, de zorgverzekering).

Door de groei aan commerciële initiatieven wordt in een aantal sectoren of in een aan-tal voorzieningen geen rekening meer gehouden met de draagkracht van de pati-ent/cliënt.
Bijvoorbeeld:

  • in commerciële kinderdagverblijven kan men vrij de tarieven bepalen;
  • door de groei aan hospitalisatieverzekeringen hebben artsen de neiging om hun zorgaanbod hierop af te stemmen en hetzij andere zorgpakketten aan te bieden of hogere supplementen aan te rekenen.

Betaalbaarheid betekent voor het ACW dus:

  • financieringsstelsels in alle zorgsectoren die rekening houden met de draag-kracht van de patiënt, hetzij aan de inkomstenzijde, hetzij aan de uitgavenzijde;
  • grenzen aan het aandeel dat de patiënt zelf moet betalen;
  • geen sluipende evolutie naar tweedeling via private verzekeringen. De overheid moet prioritair blijven investeren in de eerste pijler.

Kwalitatief hoogstaande zorg

Iedereen wenst kwalitatief hoogstaande zorg, maar de vraag is wat hieronder verstaan wordt. Objectief meetbare kwaliteit strookt niet altijd met de perceptie van kwaliteit. Het meten van kwaliteit moet dus steeds een combinatie maken tussen objectief meet-bare gegevens en de ervaren kwaliteit. Voor het ACW betekent dat, zowel in de gezondheidszorg als in de welzijnszorg:

  • personeelsnormen die garantie bieden op voldoende aanwezig personeel;
  • goed opgeleid personeel met een goed evenwicht tussen hoog opgeleid en logis-tiek personeel en voldoende kansen op bijscholing;
  • kwaliteitsvolle tewerkstelling: een aantrekkelijk, volwaardig en algemeen gel-dend personeelsstatuut, het recht op collectief onderhandelen en het naleven van de geldende CAO’s en van de geldende loon- en arbeidsvoorwaarden;
  • evolutie van patiëntgerichte naar patiëntgestuurde zorg, waarbij zorg op maat van de gebruiker wordt geboden;
  • aandacht voor relationele zorg: niet alleen de fysieke verzorging moet in orde zijn, er moet ook ruimte zijn voor intermenselijk contact, zowel voor de logistie-ke diensten als voor de verzorgenden en voor een aangename sfeer (bv. inkle-ding en animatie in rusthuis);Dit vergt voldoende personeelsbezetting en het verminderen van de arbeidsdruk;
  • betrokkenheid van patiënt/cliënt bij het zorgproces, door goede informatie en communicatie tussen gebruiker en zorgverlener;
  • aandacht voor nieuwe verwachtingspatronen bij de gebruikers;
  • ruimte voor tevredenheidsonderzoeken;
  • meer controle op het resultaat dan op de naleving van gedetailleerde criteria of het proces.

specifiek in de gezondheidszorg:

  • hoogwaardige zorg (met hoogwaardige technologische ondersteuning): toegang voor iedereen tot de meest aangepaste apparatuur en de meest aangewezen artsen in functie van de noodzakelijke zorg en niet in functie van rendementsei-sen;

Omgekeerd vrezen we dat:

  • er bij commerciële instellingen minder aandacht en tijd wordt voorzien voor in-termenselijk contact (bv. strikte timing om dagelijks de kamers te kuisen, eten te geven, minder animatie …) en betrokkenheid van de bewoners;
  • commerciële instellingen minder investeren in opleiding en bijscholing van per-soneel en besparen op het aantal personeelsleden, dan wel op het aantal hoog-geschoolde en/of ervaren (en dus duurdere) personeelsleden;
  • commerciële instellingen niet het hele gamma aan zorg, maar vooral die zorg aanbieden die op rendabele manier kan georganiseerd worden, maar niet of minder investeren in dure zorg (bv. dure medische infrastructuur, zwaar zorg-behoevenden die meer personeelsinzet vergen), tenzij via niches van welgestel-de patiënten;
  • commerciële instellingen met een lagere personeelsbezetting of met slechts mi-nimale personeelsnormen zouden werken;
  • commerciële instellingen constructies zouden opzetten waardoor ze de gangbare loon- en arbeidsvoorwaarden van de sector kunnen ontwijken.

Toegankelijkheid

Dat de zorg voor iedereen toegankelijk is, is voor het ACW cruciaal. Toegankelijkheid is meer dan betaalbaarheid. Het heeft te maken met een voldoende aanbod, een gediffe-rentieerd aanbod, laagdrempeligheid, keuzevrijheid, een regionale spreiding, bereik-baarheid. Bovendien zijn daardoor vraag en aanbod vrij goed op elkaar afgestemd en is er een opwaartse druk op de kwaliteit. In de gezondheidszorg stelt deze problematiek zich anders dan in de welzijnszorg, waar er momenteel een structureel tekort aan plaatsen is.

Voor het ACW betekent toegankelijkheid concreet:

  • iedereen moet de gezondheids- en welzijnszorg krijgen die hij nodig heeft, on-geacht zijn financiële mogelijkheden, zijn culturele of sociale afkomst. Financiële en culturele drempels moeten worden weggewerkt;
  • patiënten moeten de vrije keuze hebben bij het kiezen van hun voorziening, zorgverlener en verzekeraar. Er moet voldoende aanbod zijn, zowel in de ge-zondheidszorg als in de welzijnszorg;
  • iedereen moet binnen aanvaardbare termijnen de nodige zorg krijgen, wachtlijs-ten moeten worden vermeden;
  • ook buitenlandse patiënten moeten terecht kunnen voor verzorging, mits duide-lijke samenwerkingsovereenkomsten;
  • de overheid moet blijven instaan voor de planning en programmatie (groei of afbouw in functie van de behoeften, regionale spreiding, algemeen versus ge-specialiseerde entiteiten …) en de zorg financieren op basis van zo objectief mo-gelijk vastgestelde noden;
  • de overheid moet prioriteiten durven stellen, zowel op vlak van de noden en be-hoeften (bv. wensgeneeskunde is geen prioriteit), als op vlak van doelgroepen.

Om de toegankelijkheid te blijven garanderen, moet men volgende zaken vermijden:

  • cherry-picking en risicoselectie;
  • wachtlijsten (bv. door onderbezetting van personeel of gebrek aan investerin-gen);
  • overlap of lacunes in het aanbod;
  • een sterke uitgavengroei door wensgeneeskunde of onvoldoende prioriteitenstel-ling in de gezondheidszorg;
  • een tekort aan overheidsinvesteringen, waardoor de commerciële instellingen makkelijker een eigen aanbod kunnen ontwikkelen

Via non-profitorganisaties

De huidige keuze voor non-profitorganisaties zowel voor de uitvoering van de ziekte-verzekering als voor het zorgaanbod (VZW’s, ziekenfonds, openbare diensten) is een duidelijk keuze voor organisaties die in hun missie sociale doelstellingen vooropstellen. De beperking van juridische vormen tot non-profitorganisaties is de beste garantie dat de overheidsmiddelen op zo’n efficiënte en effectieve wijze worden ingezet, dat moge-lijke overschotten of winsten worden geherinvesteerd in de organisatie, dat het alge-meen belang primeert boven het financieel belang, dat de diverse stakeholders aan bod kunnen komen (via sociaal overleg, via bewonersoverleg).

Bovendien hebben non-profitorganisaties, vanuit hun sociale doelstellingen, ook oog voor de zwakkeren in de doelgroep en kunnen zij intern middelen herverdelen ten voordele van de meest kwetsbaren (bijv. ledenbijdrage ziekenfondsen worden ook ge-bruikt voor de uitbouw van Ziekenzorg, moeilijkere doelgroepen komen aan bod door tijdswinst bij lichtere doelgroepen in de thuiszorg, ziekenhuizen verlenen elementaire zorg aan niet-verzekerden, … ).

Deze interne solidariteit binnen organisaties dreigt in een context van commercialise-ring teloor te gaan. Deze specificiteit van sociale of non profitorganisaties is weliswaar niet altijd transparant voor de buitenwereld maar heeft tot nog toe gezorgd in België voor een grote toegankelijkheid van en gelijkheid in de zorg.

Om sociale doelstellingen te laten primeren en te zorgen voor een gelijke toegang tot de zorg voor iedereen moet de terugbetaling van gezondheidskosten zowel in de ver-plichte als de aanvullende ziekteverzekering worden georganiseerd via de mutualitei-ten;

In het zorgaanbod moeten VZW’s of andere niet op winst gerichte organisatievormen de voorkeur krijgen. De nadelen van de vzw-structuur of een openbare instelling wegen niet op tegen de voordelen. Ook in een vzw-structuur of in een openbare instelling moeten voldoende prikkels worden ingebouwd om zo efficiënt en effectief mogelijk te werken en om mee te evolueren met nieuwe behoeften en noden.

T.a.v. commerciële instellingen stellen we vast dat:

  • zij meer gericht zijn op rendementsverhoging en minder winstgevende (maar wel relevante) activiteiten zullen afstoten;
  • zij eerder gericht zijn op de meest kapitaalkrachtige doelgroep of op de doel-groep met het laagste risicoprofiel. Zij doen aan cherry-picking en maken het voor solidair georganiseerde organisaties moeilijker om hun sociale taak te vol-brengen (bv. concurrentie van private verzekeraars met de ziekenfondsen, con-currentie tussen de dienstenchequebedrijven).

Goed en efficiënt beheer

Alle instellingen en voorzieningen die met publieke middelen werken zijn ertoe gehou-den om deze op zo’n efficiënt en effectief mogelijke wijze in te zetten. Ze hebben bo-vendien de plicht om hierover verantwoording af te leggen bij de subsidiërende over-heid, tav de beheerders van de sociale zekerheid en tav de gemeenschap. Omgekeerd moet de overheid administratieve overlast en overreglementering vermijden. Een goed en efficiënt beheer betekent voor het ACW:

  • het ontvangen van overheidssubsidies moet gekoppeld zijn aan een verantwoor-dingsplicht en mag een efficiënt beheer niet in de weg staan. Schaalvergroting en samenwerking, zowel horizontaal als vertikaal, kunnen hiertoe bijdragen; Ook over de landsgrenzen heen;
  • transparantie, zowel op vlak van boekhouding als op vlak van tariefstelsels, prijssetting en patiëntenbeheer is essentieel;
  • doorvoeren van de principes van maatschappelijk verantwoord ondernemen met inbegrip van een stakeholdersbenadering;
  • bij faillissement: duidelijke instrumenten voor begeleiden van de overdracht van patiënten of cliënten;
  • op niveau van de beheerders en het management: vermijden van belangenver-menging (o.a. tussen financiële belangen en het zorgbeleid) door het inbouwen van onverenigbaarheden tussen de functie van beheerder en andere functies;
  • een goed personeelsbeleid.

Een goed en efficiënt beheer is niet verenigbaar met :

  • winstmaximalisatie als leidend motief bij de organisatie van gezondheidszorg of welzijnszorg. Het publiek belang moet voorop blijven staan;
  • de ontwikkeling van zorg die ten koste gaat van bepaalde actoren (bv. ten koste van de kwaliteit van de zorg voor de patiënten, ten koste van de kwaliteit van het werk);
  • verspilling van overheidsmiddelen door bovenmatige vergoeding van beheerders en/of laten wegvloeien van middelen naar winstuitkeringen voor aandeelhou-ders.
  • het opsplitsen van ziekenhuisdiensten en andere zorgdiensten in aparte entitei-ten.

Over welke instrumenten beschikt de overheid om het zorgaanbod te stu-ren, te controleren en te sanctioneren?

De overheid beschikt over heel wat instrumenten om het zorgaanbod te sturen en te controleren en op die manier de financierbaarheid, de kwaliteit en de principes van toe-gankelijkheid en betaalbaarheid voor iedereen te blijven garanderen. Deze instrumen-ten moeten gehandhaafd blijven, versterkt en daar waar nodig worden aangepast aan de gewijzigde omstandigheden.

Voor het ACW gaat het om volgende instrumenten:

  • werken met vergunningen/erkenningen: elke actor die actief is in de gezond-heids- of welzijnszorg moet over een erkenning/vergunning beschikken, onge-acht de koppeling met subsidies. De erkenning en vergunning moet borg staan dat de voorziening minimaal een zeker kwaliteitsniveau behaald;
  • planning en programmatie: zijn de belangrijkste instrumenten in het kader van kostenbeheersing en mogen niet op de helling worden gezet. De uitbouw van een parallel circuit van niet-gesubsidieerde voorzieningen bemoeilijkt de plan-ning, de programmatie en de solidaire uitbouw van de zorg; De overheid en niet de ‘markt’ moet als regelgever instaan voor het beantwoorden van de noden;
  • behoud verantwoording tav de democratische actoren (politici, parlement, mid-denveld en de gemeenschap) en niet tav de aandeelhouders;
  • vastleggen van de kwaliteitscriteria en de kwaliteitscontrole: de ‘klassieke’ in-spectie moet worden aangevuld met een dienst die niet alleen controleert, maar ook ‘borgt’, die niet alleen nagaat of de voorwaarden worden nageleefd, maar ook of het resultaat kwaliteitsvol is. Dit kan best door een onafhankelijke, pu-blieke instantie gebeuren die een kwaliteitslabel toekent aan de voorzieningen of hun diensten, die kwaliteitsvol werken en instanties aanmoedigt om de kwaliteit te blijven verbeteren (i.e. via accreditering);
  • een gelijkwaardige norm van personele middelen en personeelskader in alle voorzieningen garanderen, zodat het verlagen van de personeelsbezetting of de personeelskost beneden de standaard geen concurrentiemechanisme kan zijn;
  • het kader scheppen dat initiatiefnemers zich moeten organiseren binnen dezelf-de loon- en arbeidsvoorwaarden van de sector, zodat het verlagen van de loon- en arbeidsvoorwaarden geen concurrentiemechanisme kan zijn;
  • het uitwerken van een aanbod dat een betere zorgcontinuïteit mogelijk maakt door te werken aan een grotere integratie, een vermindering van de segmente-ring in de sector, betere afstemming van de zorg en een grotere flexibiliteit om in te spelen op (nieuwe) behoeften.
  • de prijssetting in de diverse subsectoren bepalen en garanties inbouwen op transparantie;
  • het bepalen van de meest aangewezen juridische beheersvormen:
    • de overheid moet het recht behouden om bepaalde beheersvormen (bv. kapitaalvennootschappen) uit te sluiten van activiteiten of van subsidies.
    • het aanpassen van de regelgeving voor de vzw’s in de zorgsectoren : re-cente aanpassingen aan de vzw-wetgeving laten al meer transparantie toe, maar regelen een aantal zaken onvoldoende. Zonder de vzw-wetgeving voor alle vzw’s te verzwaren, moet de overheid wel specifieke, bijkomende voorwaarden stellen aan vzw’s in de zorgsector: kwaliteitsei-sen tav leden rvb en av, taakafbakening tussen rvb en av, regels inzake vergoedingen en onverenigbaarheden, vorming van bestuurders, ...
    • onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van het coöperatief ondernemen in de zorgsector (bv. via een erkende coöperatieve) als een statuut naast de vzw en de publieke sector. Biedt dit een aanvaardbaar alternatief om private investeerders aan te trekken, maar toch sociale doelstellingen na te streven?

Welke maatregelen moeten genomen worden ?

Het ACW wil dat:

  • er op Europees vlak geijverd wordt voor een Verdragswijziging waardoor diensten van algemeen belang een volwaardige plaats krijgen. Gezondheidszorg moet wor-den beschouwd als dienst van algemeen belang zodat een aangepaste toepassing kan worden afgedwongen van concurrentiereglementering en Europese normen in-zake vrij verkeer van diensten kunnen tot stand komen om het financieel even-wicht, de toegankelijkheid en de kwaliteit van de zorg te vrijwaren met respect voor de verscheidenheid in de verschillende lidstaten.
  • In de Belgische wetgeving wordt ingeschreven dat de activiteiten die de ziekenfond-sen in uitvoering van de ziekenfondswet uitoefenen opdrachten zijn van algemeen belang. Deze wettelijke basis moet de (Europese) garantie bieden dat ziekenfond-sen hun taak van algemeen belang kunnen blijven vervullen.
  • De overheid moet voldoende middelen ter beschikking blijven stellen in de eerste pijler om aan de groeiende behoeften tegemoet te kunnen komen en om de kwali-teitseisen en de innovatie in de zorg te blijven garanderen. Dit is de beste garantie om de commercialisering in toom te houden en niet de overhand te laten nemen.
  • De overheid een striktere reglementering maakt voor de hospitalisatieverzekerin-gen, om de huidige risico-selectie in te perken.
  • in de gezondheidszorg (incl. rusthuizen) de overheid strikte voorwaarden oplegt aan/handhaaft voor alle aanbieders op vlak van programmatie, erkenningen, kwali-teitsnormen, personeelsnormen, inspraak en informatie van gebruikers en patiën-ten, beperking winstoogmerk... Het ACW is geen vragende partij voor meer marktwerking in de gezondheidszorg.

    Concreet betekent dit dat:
    • de overheid blijft instaan voor de planning en programmatie van de bedden, de medische infrastructuur en de medische hoogtechnologische apparatuur in func-tie van de maatschappelijke noden en behoeften;
    • de overheid vermijdt dat er parallelle circuits kunnen ontstaan van private, niet-gesubsidieerde en niet-gereglementeerde gezondheidszorgdiensten, infrastruc-tuur of apparatuur;
    • In de gezondheidszorg elke praktijk van selectiviteit op basis van het vermogen om te betalen of de ernst van de gevallen moet worden uitgesloten.
  • de bevoegde overheden de regels vastleggen waaraan alle actoren in de gezond-heidszorg en in de welzijnszorg, ook de commerciële actoren, onderworpen zijn. Dit zijn regels van algemeen belang inzake financieel beheer, aanwenden van winsten, verbod of inperken van risicoselectie, prijspolitiek, bezit en beheer van infrastruc-tuur,... De overheid bepaalt de regels en staat in voor de controle van het resul-taat, de voorzieningen bepalen zelf hoe zij kwaliteitsvolle zorg zullen realiseren.

    Concreet betekent dit dat:
    • alle voorzieningen in de welzijnszorg of in de gezondheidszorg, zowel de gesub-sidieerde als de niet of beperkt gesubsidieerde voorzieningen, onderworpen zijn aan een vergunningenstelsel dat de minimale kwaliteitsvoorwaarden vastlegt;
    • de overheid de mogelijkheid moet hebben om sociale doelstellingen te bepalen en winstbejag daaraan ondergeschikt kan maken;
    • de overheid het coöperatief ondernemen (met beperkt winstoogmerk) in de wel-zijnssector mogelijk maakt;
    • de overheid de inspectie heroriënteert richting controle van de kwaliteit van het resultaat en een grotere verantwoordelijkheid legt bij de voorzieningen in de manier waarop dit resultaat wordt gehaald. Hiervoor kunnen de nodige instru-menten voorzien worden : kwaliteitsdecreet, instrumenten voor zelfevaluatie, tevredenheidsonderzoek, accreditering, visitatie,…
    • De regelgeving voor de vzw’s in de zorgsector verder wordt verstrengd om be-langenvermenging te vermijden.
    • Alle actoren onder dezelfde CAO’s en protocols ressorteren, ongeacht ze gesub-sidieerd worden of niet.
  • De nationale gezondheidssystemen mogen niet uit evenwicht worden gebracht door een grotere patiëntenmobiliteit, noch financieel noch op het vlak van capaciteits- en kwaliteitsplanning.

    Concreet betekent dat:
    • er werk moet worden gemaakt van het wetsvoorstel terzake, waarbij volgende principes vooropstaan:
    • aanpassing van de ziekenhuisfinanciering zodat aan buitenlandse patiën-ten een correcte /werkelijke vergoeding kan worden aangerekend;
    • er moet een transparant kader zijn qua aantallen en kostprijs;
    • er moet vermeden worden dat buitenlandse patiënten lucratiever zijn dan binnenlandse patiënten;
    • het mag niet ten koste gaan van de kwaliteit en wachttijd van de binnen-landse patiënten;
    • een verhoging van het aantal patiënten moet gepaard gaan met een ver-hoging van het personeelsbestand.
  • Er moet worden gestreefd naar bilaterale samenwerkingsovereenkomsten tussen (buur)landen die moeten leiden tot een gereguleerde patiëntenmobiliteit die in-speelt op de locale noden waarbij de verschillende systemen van gezondheids-zorg worden gerespecteerd.
  • In grensstreken moeten programmatienormen rekening houden met de grens-overschrijdende realiteit met het oog op efficiëntie en complementariteit.
  • Op Europees vlak moet worden gestreefd naar een wettelijk kader op vlak van Europese netwerken en excellentiecentra voor topklinische zorg waarbij een ge-lijke en eerlijke toegang tot de zorg in verhouding tot de behoeften wordt gega-randeerd en prijszetting wordt gereglementeerd.
  • Op Europees vlak moet worden gestreefd naar wederzijdse erkenning van kwali-teitssystemen door toekenning van een Europees label dat transparantie creëert voor alle partijen (ziekteverzekeraars, patiënten, zorgverstrekkers).

 

 

 

 

Werking rond EU-interne markt voor gezondheidszorg

Contextschets

De Europese Commissie startte een consultatieprocedure voor o.a. de sociale partners rond een coördinatie op Europees niveau rond ‘grensoverschrijdende’ gezondheidszorg. Bepaalde vragen zijn zeer technisch specifiek; andere belichten eerder de bevoegdheidsverdeling lidstatelijk vs. EU-niveau. Deze bevraging loopt af op 31/1/2007. Ondertussen moet ook een Vlaams en federaal standpunt hierrond voorbereid worden.

ACW-werking hierrond

  • Binnen de ACW-werkgroep werd op 5/12 een toelichting gegeven over de huidige s stand van zaken rond die grensoverschrijdende gezondheidszorg.
  • Er werd ook een eerste insteek gedaan qua antwoorden op de vragenlijst. Deze insteek werd meegenomen door Helga Pletzers (CD&V-studiedienst) en zal mee gebruikt worden ter opbouw van het Vlaams standpunt (waarvoor Vervotte verantwoordelijk is).
  • Er werd besloten om een ad-hocwerkgroep hierover in te richten op 20/12: ook CM, MC en MOC zullen hieraan hun medewerking verlenen, dit om de consultatie van de Commissie op een gedetailleerde manier te kunnen invullen. We gaan hierover ook een standpunt ontwikkelen dat vertrekt vanuit het bredere kader van ‘diensten algemeen belang’. Nadien worden die antwoorden overgemaakt aan de Commissie. Via de politieke werkgroep van EUCDW wordt deze aan Europarlementairen overgemaakt. Ook Ivo Belet en zijn medewerkster worden betrokken bij de ad-hocwerkgroep zodat het standpunt ook via dat kanaal in een later stadium kan gebruikt worden.
  • Er komt ook een bredere werkgroep rond ‘vermarkting van de zorg’, dit om het thema verder open te trekken en te onderzoeken.

Geen overheidssteun voor bouw van commerciële rusthuizen

ACW is samen met zijn partnerorganisaties LCM, LBC en KBG verbolgen over de liberale voorstellen ter financiering van rusthuisgebouwen voor de commerciële sector.

De VLD wenst een overheidswaarborg die de bouw van de nieuwe commerciële rusthuizen moet stimuleren. Dit als compensatie voor de versnelde uitvoering van de VIPA-procedure waardoor de gemiddelde wachttijd voor de bouw van publieke en vzw-rusthuizen van 9 jaar teruggebracht zal worden op 2 jaar.

Principieel kant ACW zich tegen elke verdere commercialisering van de rusthuissector. Vlaanderen kent 20 % commerciële rusthuizen die in ongeveer 15 % van de opvang voorzien. Uit onderstaande tabel blijkt dat de commerciële sector -ondanks haar klein marktsegment- veruit het hoogst aantal gegronde klachten in de rusthuissector voor haar rekening blijft nemen.

Gegronde klachten volgens
beheerinstantie in %, rusthuizen
2000 2001 2002 2003 2004
vzw 34 34 44 53 40
openbaar 23 19 17 8 12
particulier niet-vzw 43 47 39 39 48

Bron: Jaarverslag 2004 van de rusthuis-infofoon

Faillissementen in de rusthuissector komen quasi steeds uit de commerciële initiatieven. De overheid zal -indien zij voor de waarborg instaat- deze risico’s volledig dragen.

Commerciële rusthuizen moeten naast de kosten die alle voorzieningen moeten doen ook winst uitkeren aan aandeelhouders en investeerders. Dit heeft onvermijdelijk invloed op de prijs-kwaliteit verhouding.

 Drie mogelijkheden om toch nog winst te maken:

  • niettegenstaande de commerciële dagprijzen de laagste uit de sector zijn, wordt er duchtig bespaard op de personeelsomkadering. Uit onderstaande tabel blijkt duidelijk dat de personeelsomkadering per bed ongeveer 40 % lager ligt dan in de publieke en non-profitsector. De prijs-kwaliteit verhouding is dan ook het slechts voor de bewoners in commerciële rusthuizen

Prijs-kwaliteit afgemeten in functie van personeelsomkadering (België)

Gemiddelde
dagprijs
VTE
per bed
Gemiddelde prijs
per VTE
OCMW 100 0,52 100
VZW 106 0,51 107
Commercieel 96,8 0,32 157

Bron: SELV (Studie-Eenheid LBC-NVK in VESOFO [Vereniging van de sociaal-economische fondsen in de non-profitsector]), 2002.

  • de dagprijs die bewoners en hun familie betalen dekt slechts een deel van de kosten van het verblijf in een rusthuis. Wanneer commerciële instellingen erg lage dagprijzen afficheren, waarschuwen we toekomstige bewoners. Ze dienen zich goed te bevragen over de supplementen die aangerekend worden. Het voornemen van minister Vervotte om de totale kostprijs transparant te maken is terecht!
  • een derde mogelijkheid blijft de sterkere oriëntering op niet-zorgbehoevende bewoners. Men haalt m.a.w. de krenten uit de markt. Doordat er zich in de commerciële sector bovendien veel kleine initiatieven bevinden, kunnen ze makkelijker voor bewoners die zorgbehoevend worden een meer passende oplossing zoeken.

Daarom pleit het ACW voor de versterking van de investeringen van de Vlaamse overheid voor de bouw van publieke en vzw-rusthuizen. De verhoging van de beschikbare middelen voor de bouw van zorgvoorzieningen (VIPA) is een politieke en maatschappelijke keuze die moet gemaakt worden om onze kwalitatieve gezondheidszorg voor de huidige en de toekomstige generatie bewoners veilig te stellen. 

Wij roepen de Vlaamse Regering op om niet in te gaan op het voorstel van de commerciële rusthuissector.

Contact opnemen

  • beweging.net - algemeen secretariaat
    Postbus 20 - 1031 Brussel
    tel. 02 246 31 11
    e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • Wegbeschrijving