Nieuwe inzichten nopen ook ACW tot het actualiseren van haar standpunten. De laatste standpunt nota 'Acht bouwstenen voor een kinderopvang in de 21ste eeuw' van 2007 vormt het vertrekpunt waarop verder wordt nagedacht.
De tekst is als volgt opgebouwd: een eerste punt beargumenteert waarom kinderopvang als sociale hefboom moet beschouwd worden. ACW neemt hier principieel standpunt in. Een tweede punt verhaalt wat nu op tafel ligt van kabinet en Kind & Gezin. Aanvullend wordt telkens het ACW-standpunt geformuleerd met het oog op een meer evenwichtig en vooral kansrijker decreet. Het laatste punt vat samen wat volgens ACW ontbreekt in de voorstellen.
In wat volgt, ligt de nadruk op de meerwaarde die een kwalitatieve opvang zou moeten hebben voor de ontwikkeling van elk kind, niet in het minst de ontwikkeling van het kansarme kind.
Hoewel de sociale en de pedagogische functie van kinderopvang sinds minister Steyaert aanvaard zijn, is dit discours verre vanzelfsprekend op operationeel niveau. In de feiten zijn kinderen uit de middenklasse oververtegenwoordigd, terwijl kinderen uit de lagere inkomensgroepen ondervertegenwoordigd zijn. Dit is te verklaren doordat kinderopvang voornamelijk als instrument beschouwd wordt voor werkende ouders. Het belang van kinderopvang in functie van de ontwikkeling van kinderen wordt nog onderschat. Daarom wil het ACW kinderopvang niet alleen benaderen als een instrument voor de ondersteuning van werkende ouders en ouders op zoek naar werk, maar ook als een hefboom in de strijd tegen armoede. Immers, kenmerkend voor de kijk op kinderopvang tot nog toe is dat de meerwaarde van een kwalitatieve kinderopvang op de verdere levensloop wordt onderschat. De meest gevoelige periode voor de taalontwikkeling situeert zich bv. tussen 3 en 9 maand. Cognitieve functies vormen zich tussen 6 maand en 4 jaar.
Tijdens die levensfases worden dus de meeste verbindingen tussen de hersenen opgebouwd. Hoe meer divers de prikkels, hoe groter de kans op meer verbindingen, hoe rijker het menselijke brein. Kansarmoede belemmert de ontwikkeling al van in het eerste levensjaar op vlak van motoriek, zelfredzaamheid, socio-emotionele ontwikkeling, cognitieve vaardigheden en taal. Ter illustratie: peuters uit een kansarm milieu kennen gemiddeld 400 woorden, een kind uit een hoger opgeleid gezin 1200 woorden. Ook al bouwt Vlaanderen een gelijke onderwijskansenbeleid uit, toch merkt men dat ondanks alle extra zorg, specifieke competenties van het onderwijzend personeel en oog voor risicokinderen, het bijzonder moeilijk is om de opgelopen achterstand in te halen.
Ook vanuit economisch oogpunt loont het om flink te investeren in het jonge kind. Amerikaanse onderzoekers rekenden uit dat elke dollar die geïnvesteerd werd in de kinderopvang over de gehele levensloop van het individu $8 opleverde. Kansarme kinderen halen tot vijfmaal meer winst uit kinderopvang, op voorwaarde dat het om kwaliteitsvolle kinderopvang gaat. Bekijkt men het investeringsbeleid van de overheden in talentontwikkeling, dan gaat het meeste geld naar de student en het minst naar het jonge kind. De maatschappij investeert verkeerd, lijkt de neuro(psycho)logische wetenschap te zeggen. Enkel preventie loont, alleen maakte Vlaanderen die keuze (nog) niet.
Het kaderdecreet komt op een scharniermoment en vormt een goede gelegenheid om de wetenschappelijke bevindingen in beleid om te zetten. Net zoals onderwijs ingezet wordt in de democratiseringstrijd, moet kinderopvang ook zo'n sociale hefboomfunctie opnemen. ACW wil dat kinderopvang niet alleen beschouwd wordt als een voorwaarde opdat ouders kunnen werken, maar evenzeer als een bewuste maatschappelijke keuze die de ontwikkeling van alle kinderen, en vooral dan een kind uit een kansarm milieu, stimuleert.
Dit principieel uitgangspunt aanvaarden, veronderstelt bijkomende competenties en middelen om het in de praktijk om te zetten.
UNICEF[5] lichtte de kwaliteit van kinderopvang i.f.v. de kinderrechten door. Wat Vlaanderen betreft, ligt de grootste uitdaging in de scholingsgraad van het personeel. UNICEF stelt dat 80 % van het betreffende personeel minstens een basisopleiding moet gevolgd hebben voordat men mag starten in het beroep. Nascholing is hierbij belangrijk. UNICEF laat na de concrete score voor Vlaanderen weer te geven[6]. UNICEF stelt ook voor om het deel van het BBP dat gereserveerd wordt voor het jonge kind tot 6 jaar, op te trekken tot 1 %. Het Vlaams BRP voor kinderopvang tikte in 2008 af op 0,16 %.
Kiezen voor een kansrijk beleid is duur. Vlaanderen In Actie, het actieplan van de Vlaamse regering roept op tot een sense of urgency. Elk talent moet ten volle gevaloriseerd worden wil Vlaanderen een kenniseconomie nastreven. Kwalitatieve kinderopvang en gezinsondersteuning bieden hiervoor de nodige fundamenten.
De vraag is of de Vlaamse overheid zijn budgetten in die zin wil herschikken zodat er voldoende middelen naar uitbreiding van kinderopvang kunnen gaan. Dit vormt de beste garantie dat er voldoende plaatsen beschikbaar komen om ook de sociale en educatieve functie te realiseren. Dit vergt simulaties, planningsoefeningen op de lange termijn en een meerjarenbegroting.
Ter voorbereiding van het decretale werk, lanceerde Kind & Gezin een interne green paper. De daarin gemaakte keuzes werden voorgelegd aan de leden van het raadgevend comité. Telkens wordt in aftoetsmomenten voorzien. Voor het paasverlof wil het kabinet een eerste principiële goedkeuring door de Vlaamse regering om dan in het najaar het decreet op de agenda van de parlementaire commissie te plaatsen.
Leeswijzer: per deelpunt wordt de visie van Kind & Gezin weergegeven in hun woorden. Cursief staat de reactie van ACW, die o.m. gebaseerd is op de ACW-nota 8 bouwstenen voor het toekomstige beleid in de kinderopvang en op intern overleg.
- Alle gezinnen kunnen er op aan dat alle voorschoolse kinderopvang op basis van dezelfde voorwaarden wordt toegelaten.
- Voldoende betaalbare (voor ouders en Vlaamse overheid) en leefbare opvangplaatsen mogelijk maken volgens behoefte.
- Ruimte voor ondernemerschap.
- Gelijke kansen op een kwaliteitsvolle opvang.
- De ontwikkelingskansen van elk kind aanspreken en ondersteunen.Bevorderen van geattesteerde competenties van medewerkers
- en omkadering op verschillende niveaus van de kinderopvangvoorzieningen.
- Verantwoordbare groepsgrootte en ratio.
- Gelijke toegang tot kwaliteitsvolle kinderopvang.
- Respect voor diversiteit.
Standpunt ACW: wetenschappelijke basis, continuïteit in nascholing en vormingstrajecten, de aantrekkelijkheid van de job via degelijke personeelsstatuten, groeipaden zowel in tijd als middelen, stellingname dat kinderopvang een niet-economische dienst van algemeen belang is en dat dus enkel sociaal ondernemerschap kan, de link naar kansenarmoede, ouderwerking en informeren over aanbod naar ouders horen eveneens tot de basisuitgangspunten van het kaderdecreet.
Vandaag is de professionele kinderopvang op drie leesten geschoeid: erkend-gesubsidieerde, zelfstandige en de enkel gemelde kinderopvang. In de toekomst moet elk initiatief voldoen aan dezelfde vergunningsvoorwaarden, eventueel gemodificeerd volgens soort opvang. Zonder vergunning kan men geen (formele) kinderopvang aanbieden.
De vergunning wordt op instellingsniveau per vestigingsplaats afgeleverd.
Uit internationaal onderzoek blijken drie factoren cruciaal voor een kwaliteitsvolle kinderopvang: de (geattesteerde) competenties van wie het kind opvangt, de groepsgrootte en de ratio gelijktijdig aanwezige kinderen per aanwezige kindbegeleider. Wat betreft de aanwezige competenties stelt Kind & Gezin dat per instellingsniveau drie groepen van functies uitgewerkt zullen moeten worden. Wat betreft het ratio ligt de piste voor om maximaal 6 gelijktijdige kinderen per begeleider toe te laten. Kind & Gezin laat wel speling toe door piekdagen te aanvaarden, werken met gemiddelden, ...
Kind & Gezin stelt dat geen enkele opvang nog geïsoleerd mag werken. Elke opvang laat zich voor pedagogische en kwalitatieve aspecten omkaderen door competent personeel. De omkadering hoort gescheiden te worden van de opvangtaken.
Standpunt ACW: ACW is voorstander van een eenduidig vergunningsysteem waarbij de spelregels zo veel als mogelijk voor alle opvangsoorten gelden. Een vergunde instelling wordt geacht 'kwaliteitsvolle' kinderopvang aan te bieden. Wat 'kwaliteitsvol' is, moet bepaald worden door wetenschappelijke expertise en niet door de historisch gegroeide realiteit. Daarom is het van belang om tegelijkertijd met het vastleggen van vergunningscriteria ook groeipaden uit te tekenen en bijkomende middelen te voorzien zodat binnen afzienbare tijd ook de bestaande initiatieven aan de kwaliteitscriteria kunnen voldoen.
Hoewel Kind & Gezin aanhaalt op wetenschappelijke basis te beslissen over de inhoud van de vergunning, wordt dit niet doorgetrokken tot op het concrete niveau. Ter illustratie: wetenschappelijke literatuur laat de ratio afhangen van zowel de draagkracht van het kind als van de begeleider. Daarom stelt ACW voor om de ratio te differentiëren volgens de leeftijd van het opgevangen kind: 1 op 3 bij kinderen < 1 jaar, 1 op 4 bij kinderen tussen 1-2 jaar, 1 op 6 voor kinderen > 2 jaar. ACW vraagt van het beleid de moed om voor die ambitieuze doelen onmiddellijk een inspanningsverplichting over een aantal jaren heen uit te werken. Met een groeipad kan gestaag maar zeker de wenselijke doelen gerealiseerd worden.
In voorliggende nota van Kind & Gezin leest ACW nergens hoe de aanwezige competenties in de sector op peil gehouden worden noch welke visie Kind & Gezin volgt inzake het intakebeleid van nieuwe krachten. De kwaliteit van de geboden opvang staat of valt met de competenties van de voorziening. Een adequaat startniveau en continue nascholing houden het peil hoog en introduceren wetenschappelijke inzichten. Wie noch via kwalificaties noch via EVC kan aantonen aan het instapniveau te voldoen, hoort een kwalificerend voortraject te volgen. Enkel zo kan overal dezelfde minimumkwaliteit gegarandeerd worden.
ACW vindt zich in de stelling dat elk initiatief zich hoort te laten ondersteunen. Een doorleefd kwaliteitsbeleid is noodzakelijk waarbij de verantwoordelijkheid en de rol van zowel de opvangvoorziening, de geaccrediteerde ondersteunende dienst als de overheid(inspectie) uitgeklaard moet worden.
Voorschoolse kinderopvang kan worden begrepen als in overleg met de ouders gedeelde zorg en opvoeding van het jonge kind wanneer de ouders, of wie hen vervangt, om welke reden dan ook er zelf niet zijn. De definitie wordt gevat in drie kenmerken:
Standpunt ACW: het professionele en sociale karakter van de dienstverlening komen niet tot uiting. Uit de definitie moet duidelijk de meerwaarde van kinderopvang voor elk kind, niet in het minste het kansarme, blijken.
Het is geen recht in hoofde van het kind, in die zin dat niet elk kind per se de voorschoolse periode in de kinderopvang moet kunnen doorbrengen. De overheid investeert zowel in kinderopvang als in andere instrumenten die ouders kunnen helpen om de combinatie gezin – arbeid te maken.
Standpunt ACW: ACW onderschrijft de vrije keuze om al dan niet te opteren voor kinderopvang. Dit veronderstelt echter dat ouders voldoende geïnformeerd kunnen kiezen tussen kinderopvang of andere opvoedingssetting. Om het Mattheüseffect en culturele drempels weg te werken zijn actieve toeleidingstrategieën nodig. Ervaringsdeskundigen, OCMW's, consultatiebureaus en andere organisaties die in contact komen met onderparticiperende gezinnen kunnen het aanbod bekend maken. Kinderdagverblijven moeten zich meer vestigen in wijken waar veel gezinnen wonen die relatief weinig gebruik maken van kinderopvang en oog hebben voor een onthaalbeleid naar de ouders toe.
Op middellange termijn hoort kinderopvang hetzelfde statuut te hebben als het kleuteronderwijs.
Kind & Gezin ijvert om budget vrij te maken zodat het aantal opvangplaatsen tegemoet kan komen aan de effectieve noden. Deze behoefte wordt wetenschappelijk onderbouwd o.b.v. de nataliteit. De continue beschikbaarheid wordt versterkt door de leefbaarheid van het ondernemen te versterken. Elke vergunde capaciteit organiseert zich in een zo weinig als mogelijk overlappend zonaal infopunt dat vrije plaatsen zichtbaar maakt en gezinnen met vragen verder helpt.
Standpunt ACW: opdat meer ouders dan vandaag hun recht op kwalitatieve opvang zouden opnemen, moeten veel meer kindplaatsen gecreëerd worden. Bovendien moet vooral geïnvesteerd worden in (ook kansarme) buurten waar het aanbod afwezig is. Een buurtnabije werking werkt drempelverlagend, zeker als doelgroepouders er tewerkgesteld zijn. Merk op dat net de vestigingen in kansarme buurten (nog meer) nood hebben aan hoogcompetent personeel.
Het detecteren van de behoefte aan kinderopvang mag niet blindelings geleid worden door de nataliteit. Veel beter loont bv. de inschattingsvraag hoeveel kinderen met een welbepaald zorgprofiel verwacht worden in te stromen. Doordachte uitbreidingsgolven gekoppeld aan voorrangsregels met een kansenversterkend accent zorgen dat op middellange termijn alle kinderen die dat wensen een plaats krijgen.
De deelname aan het infopunt moet vanuit de vergunning afgedwongen worden. Bovendien moét het infopunt regiodekkend zijn. Enkel op deze manier wordt de transparantie naar ouders verzekerd.
Los van de vrije keuze van de ouders is het belangrijk een sociale mix na te streven in elke opvangvoorziening. Voldoende diversiteit hoort eveneens een verplicht werkingspunt te zijn.
Kinderopvang hoort betaald te worden o.b.v. de financiële draagkracht van het gezin. Inkomensgerelateerde kinderopvang veralgemenen zou pas kunnen, aldus Kind & Gezin, als elke opvangaanbieder een leefbaar inkomen zou gegarandeerd worden. Kind & Gezin gaat uit van een basisdagprijs van €30/kindplaats[10]. Kind & Gezin zou opvanginstanties toelaten om bovenop de basisprijs nog (weliswaar gereglementeerde) extra's te vragen als toelatingsvoorwaarden.
Standpunt ACW: ACW is voorstander van een inkomensgerelateerde kinderopvang voor alle gezinnen. Het nieuwe decreet kinderopvang pakt de scheeftrekking wat betreft berekening van de dagprijs voor ouders aan.
Discussiepunt blijft of het huidige loonplafond opgeheven dan wel verhoogd wordt. Kan het tarief voor alle ouders omhoog omwille van een verhoging van de kwaliteit? In elk geval, deze eventuele meeropbrengsten lenigen verre van de grote vraag naar meer middelen.
Het realiseren van de sociale functie van kinderopvang gaat echter ruimer dan de betaalbaarheid of een voldoende aanbod. Zoals eerder vermeld: gerichte vestigingsplaatsen en inzetten op een actieve toeleidingstrategie moeten. Daarnaast moet actief gewerkt worden aan een diversiteitsbeleid zodat met respect de dienstverlening afgestemd wordt op de noden en de cultuur van kansarmere gezinnen. Op die manier kan een sociale mix in elk initiatief gerealiseerd worden.
Dr. Jan Peeters berekende de dagprijs van een erkende en gesubsidieerde voorziening met 220 openingsdagen en kwam tot zo'n €55/kindplaats/dag. Ook hier is opnieuw een groeipad nodig om het concept 'leefbaarheid' ten volle te realiseren.
Europa verlangt gelijke toegang tot subsidies voor gelijke opvang in gelijke omstandigheden. Subsidie kan niet meer gelinkt worden aan meer kwaliteit omdat dit ongelijkheid teweegbrengt bij gezinnen. Overheidssteun is gerechtvaardigd als zonder deze steun bepaalde belangrijke doelen voor gezinnen niet zouden gerealiseerd worden. Kind & Gezin stelt voor om te werken met enerzijds een basissubsidie (minimale aanbodsgraad, gegarandeerde kwaliteit, basisequipe personeel met kwalificatievereisten en ratio, inkomensgerelateerde bijdrage) en anderzijds extra subsidies voor inclusieve, flexibele of occasionele opvang, werken met specifieke doelgroepen of doelgroepwerknemers, in een lokaal netwerk een sociaal opnamebeleid uitwerken.
Standpunt ACW: de basissubsidie dient het realiseren van de voorwaarden van de vergunning te ondersteunen. De administratie lijkt te opteren voor een minimale basisfinanciering zodat voorzieningen niet anders zouden kunnen dan zich te profileren op één van de subsidiemodules. Dit is de piste van de minste dwang, waarbij echter niet gegarandeerd wordt dat de extra zorg in elke regio dekkend aanwezig is.
Simulaties zijn nodig om de consequenties van onze ambities in te schatten. Hoeveel plaatsen moet de overheid creëren om kinderopvang voor nagenoeg alle kinderen te realiseren. Hoeveel kinderen met specifieke zorgnoden zullen professionele kinderopvang vragen? Hoe hoort het competentiebeleid vorm te krijgen en wat zullen de kosten zijn voor de geleidelijke invoering van het werknemersstatuut voor onthaalouders? Daarbij moet het gehele plaatje in rekening genomen worden: gaande van de poetshulp over de ondersteuning vanuit een dienst voor opvanggezinnen tot de overheidsinspectie. Ook de kosten voor infrastructuur moeten worden meegenomen.
Vermits al deze uitdagingen even belangrijk zijn, is het onmogelijk om in de voorgestelde meersporige aanpak prioriteiten te leggen. Aan alle maatregelen moet tegelijkertijd gewerkt worden, wil het resultaat bevredigend zijn. ACW stelt dan ook voor om de ambitieuze doelstellingen in te schrijven in het decreet en vervolgens groeipaden voor de volgende jaren uit te tekenen. Zo wordt de garantie geboden dat we vanuit de huidige situatie traag maar zeker evolueren naar de ambitieuze doelen. Op deze groeipaden hoort een eindpunt geplakt te worden. ACW stelt voor om tegen 2020 deze intenties gerealiseerd te hebben.
Minstens voor de competentiegroei, het compenseren van een realistisch leefbare dagprijs ~ de betaalde ouderbijdrage, het volwaardig werknemersstatuut, het behalen van de vergunningsvoorwaarden (d.w.z. vormings- en vergunningsbeleid, inkomensgerelateerdheid, netwerking,...) en het uitbreiden van het aantal plaatsen engageert de regering zich tot verzekerde groeipaden.
De vraagtekens rond hoe de zorg voor ouderen te organiseren, zijn vandaag niet meer te tellen. We hebben vraagtekens rond de hoeveelheid zorg die we nodig hebben maar we hebben ook vraagtekens over de wijze van zorgverlening.
Tot voor enkele jaren werd uitgegaan van het rusthuis als eindoplossing. Voorafgaand is er de oplossing van thuiszorg. Meer dan deze twee concepten hadden we niet.
Het HIVA is sinds enkele jaren op zoek naar vernieuwende concepten rond zorg voor ouderen. De woonzorgzone is daar een van. Verrassend is dat dit concept vlug een andere inhoud kreeg dan wat wetenschappers er eerst van hadden gebakken. De woonzorgzone werd vlug verengd tot een residentiële invulling.
Vanuit het ACW willen we een goed gesprek voeren over zorg voor ouderen. Daarom is het belangrijk dat we de juiste inhoud kennen van bepaalde concepten. Een woonzorgzone is immers veel rijker dan enkele gebouwen.
Een ‘woonzorgzone’ is een gewone woonwijk (of dorp) met in grote meerderheid bewoners die niet meer dan normaal gebruik maken van welzijn en dienstverlening. We spreken over een wijk of gemeente van een 10.000 inwoners groot. Belangrijk is dat het gaat over een ‘gewone’ wijk, met ‘gewone’ mensen. Een woonzorgzone is bijgevolg geen bijzondere zone. Elke wijk of gemeente kan of moet een woonzorgzone zijn/worden.
Het voornaamste is dat de bewoners in de wijk ‘gewoon’ kunnen wonen. Dat veronderstelt dat de wijk of gemeente zo georganiseerd wordt dat alle bewoners volwaardig kunnen deelnemen aan het leven in de wijk of gemeente. Mensen met een beperking maar ook kinderen moeten zich volwaardig kunnen bewegen in de wijk of gemeente. Dit veronderstelt dus een reorganisatie van straten, pleinen en gebouwen. Toegankelijkheid is één van de grote criteria. Maar het is meer dan dat alleen. Het gaat ook over aantrekkelijkheid van de omgeving, voldoende ontmoetingsplaatsen (van zitbank tot speelpleintje), voldoende activiteiten op loopafstand (van horeca tot animatie- en recreatievoorzieningen), voldoende openbaar vervoer. Dit houdt ook in dat het autoverkeer haar voorrang moet afstaan. Een woonzorgzone is dus meer dan een zone 30.
Een woonzorgzone is een concept waarmee de gemeente de ruimtelijke ordening van een wijk gaat richten. Waar komt er een bibliotheek? Hoe integreren we die in de wijk? Is die te bereiken? Heeft die nog andere functies dan bibliotheek zijn? Hoe organiseren we de bibliotheek? Is er een mobiele uitleendienst? … Al deze vragen maken duidelijk dat een woonzorgconcept een herdenking vraagt van onze wijken en de plaats en organisatie van onze voorzieningen.
De woonzorgzone is natuurlijk nog veel meer. Ze gaat er van uit dat bewoners wanneer dit nodig wordt - in hun dagelijks leven ondersteund worden door welzijnsdiensten of zorgverstrekkers. En deze zijn doelbewust georganiseerd in de wijk. Deze ondersteuning is gradueel. Een woonzorgzone-concept gaat uit van het principe dat mensen moeten ondersteund worden om zo zelfstandig mogelijk te blijven wonen. Hoe afhankelijker de mensen worden, hoe groter de ondersteuning moet zijn om ze zelfstandig te laten wonen. Het woonzorgzone-concept ontkoppelt dus wonen en zorg.
Centraal in de wijk is er een ‘zorgkruispunt’ dat de wijkbevolking bedient. Dit kan zowel een reëel als een virtueel kruispunt zijn. Het zorgkruispunt koppelt de vraag om ondersteuning aan de geschikte ondersteuning. Het is in feite een lokale SIT (samenwerkingsinitiatief in de thuiszorg) of SEL (Samenwerkingsinitiatieven Eerste Lijnsgezondheidszorg). Het zorgkruispunt maakt gebruik van
De ondersteuning kan veelvuldig zijn. We spreken van:
Een zorgkruispunt kan ook een zorgsteunpunt of een activiteitencentra omvatten.
De woonzorgzone zorgt dat er zorgkruispunten, zorgsteunpunten en activiteitencentra zijn en dat deze goed verspreid zijn over de wijk of gemeente. Maar dit is nog niet het volledig plaatje. In een woonzorgzone ligt het accent op het zelfstandig of ondersteund wonen. Verschillende woonvormen worden verspreid over de wijk, plekken van levenslang wonen, aangepaste woningen (eigen woning of vormen van groepswonen), aanleunwoningen (servicewoningen en sociale huisvesting) en specifieke zorgwoningen (service gecombineerd met intensievere vormen van zorg). We vinden er ook clusters voor intensieve zorg zoals het zorghotel of het verpleegtehuis.
Deze verschillende woonvormen zijn opgenomen in de gewone woonbebouwing en niet direct afzonderlijk herkenbaar.
Het woonzorgzone-concept vraagt een samenwerking tussen verschillende actoren. We kunnen spreken van de thuiszorg, de sociale huisvesting, gezondheidsdiensten, verpleegtehuizen, animatieverantwoordelijken, … Het lijstje is nog niet rond.
Belangrijk is tevens dat een woonzorgzone zowel een welzijns-, een woon- en een ruimtelijk concept is. De wijk of gemeente moet zich stedenbouwkundig voortdurend aanpassen aan de woonzorgnoden. En zoals al geschreven, deze noden zijn afkomstig van alle bewoners.
In Nederland spreekt men van sociaal structuurplan. Dit concept legt de nadruk op zowel het welzijns als het ruimtelijk verhaal. In Vlaanderen hebben we ook iets vergelijkbaars. Het lokaal sociaal beleidsplan kan de basis vormen voor een dergelijk sociaal structuurplan. Het voordeel is dat door het lokaal sociaal beleidsplan reeds heel wat ervaring is rond samenwerking. Dit zou zich nu moeten concretiseren.
Wervik is de eerste gemeente waar een beperkte vorm van een woonzorgzone is ontwikkeld. Meer toelichting vind je ook op de OCMW-website van Wervik.
Het woonzorgzone-concept biedt interessante perspectieven op een samenleving die zorg nauw in het hart draagt. Het vertrekt van een brede kijk op zorg en plaatst ondersteuning van de mens centraal. Volwaardige participatie aan de samenleving is het doel. Dit principe van volwaardig participeren is dan ook het criterium waarmee we naar verschillende ideeën rond ouderenzorg willen kijken.
Deze maand starten 16 Centra voor Kinderopvang (CKO), gespreid over Vlaanderen. Zij vervullen een één-loketfunctie voor ouders die kinderopvang zoeken. De centra hebben zicht op de vrije plaatsen en kunnen de behoefte aan kinderopvang goed inschatten. De 16 projecten lopen tot september 2008 en kunnen, na evaluatie, ruimer verspreid worden.
De Vlaamse regering ontwikkelde samen met de opvangsector en met Kind en Gezin een strategische visie voor de organisatie van de Vlaamse kinderopvang. Een belangrijk onderdeel in dit vernieuwingsproces vormt het CKO. Hoofddoel van deze hele operatie is om een betere dienstverlening aan te bieden aan de ouders en de kinderen.
Daarnaast tracht deze reorganisatie een antwoord te bieden op diverse knelpunten die zich stellen in het huidige kinderopvanglandschap (o.a. grote verschillen in kwaliteitseisen en regelgeving, ondoorzichtig voor ouders, ...) én biedt mogelijkheden om een adequaat antwoord te formuleren op toekomstige uitdagingen voor de kinderopvang (meer flexibele opvang, meer aandacht voor sociale functie kinderopvang,…).
Samenwerking realiseren in het heterogene Vlaamse opvanglandschap is niet evident. Minister Vervotte wil daarom het CKO-concept eerst uitproberen en evalueren via proefprojecten. Op die manier wil de Vlaamse Overheid zicht krijgen op de mogelijke meerwaarde, de beperkingen en de effecten van een CKO.
Het proefproject wil drie zaken bereiken:
Uit alle kandidaat-samenwerkingsverbanden werden 16 samenwerkingsverbanden geselecteerd op basis van relevante criteria. Deze zestien krijgen elk een forfait van 10.000 euro als ondersteuning van de samenwerking. De besteding moet zichtbaar zijn en kan niet gebruikt worden voor het realiseren van opvangplaatsen op zich. Kind & Gezin stelt eveneens een team van projectbegeleiders ter beschikking. Deze volgen de plaatselijke ontwikkelingen mee op, zorgen voor de periodieke verslaggeving en organiseren intervisiesessies voor alle deelnemende proefprojecten.
De 16 geselecteerden en nog meer informatie vind je op de site van Kind & Gezin. Niet getreurd voor niet weerhouden proefprojecten. Deze kunnen gerust (verder) samenwerken in de geest van CKO. Via de website van Kind & Gezin zal informatie en goede voorbeelden uit de voortgangsrapporten beschikbaar zijn voor elke geïnteresseerde.
Deze weken leggen het Gemeentebestuur en het OCMW-bestuur een laatste hand aan het lokaal sociaal beleidsplan (LSB-plan). Rond oktober zal het plan geagendeerd worden op de OCMW-raad en een maand (of twee maanden) later op de gemeenteraad.
Het zijn de laatste loodjes voor de besturen en de meewerkende organisaties. Of is er nog werk aan de winkel?
Het lokaal sociaal beleidsplan zou het resultaat moeten zijn van heel wat overleg en participatie. Van het verzamelen van heel wat gegevens over de sociale stand van zaken in de gemeente tot het synthetiseren van de verzuchtingen en verwachtingen van groepen, organisaties en burgers.
Dit plan zou vanuit een duidelijke visie een reeks concrete acties moeten bevatten. Daarom wordt het gekoppeld aan de meerjarenplanning en aan de begroting. Acties zonder middelen zijn immers meestal vrijblijvend.
Het lokaal sociaal beleidsplan moet dus een concreet verhaal brengen. Concrete doelstellingen, concrete verantwoordelijkheden, concrete inzet van mensen en middelen.
En de concreetheid maakt het mogelijk om reeds een eerste evaluatie te maken van het LSB-plan. Hoe concreter, hoe duidelijker, hoe meer zicht je krijgt op wat er gaat of niet of anders gebeuren. Maakt ook duidelijk of de acties inderdaad in samenwerking worden georganiseerd. Maakt duidelijk dat participatie niet stopt, maar verder gaat met de uitvoering van het plan. Maakt duidelijk dat de zes van het ACW (zorg voor ouderen, zorg voor kinderen, armoedebestrijding, zorg voor werk, zorg voor wonen en zorg voor integratie en samenleven) aanwezig zijn.
Een evaluatie kan kort en bondig zijn. Het gaat immers over een plan. De uitvoering zal een evaluatie apart vergen.
Maar dit betekent dat we vanaf september, wanneer het plan klaar is voor bespreking, het plan kritisch mogen bekijken en dat we –indien het niet volledig beantwoordt aan onze verwachtingen- via de OCMW-raad en de gemeenteraad kunnen bijsturen.
En dan volgt de uitvoering. Hoe gaan we dit opvolgen en stimuleren? Een welzijnsraad (in welke vorm ook) is volgens ons een nuttig instrument om bevolking en welzijnsactoren blijvend te betrekken bij het lokaal sociaal beleid. Een dergelijke raad kan een motor zijn van het sociaal beleid.
En dan hebben we nog het sociaal huis. Tegen eind 2008 moet elke gemeente een sociaal huis hebben. Vanuit het ACW hebben we steeds nadruk gelegd op mensen en netwerken en niet op stenen. Een sociaal huis is voor ons een netwerk. En daarin moet geïnvesteerd worden.
Dit houdt een actieve sociale kaart in. De welzijnspartners in de gemeente (of werkzaam in de gemeente) moeten elkaar leren kennen. En dit is meer dan een vermelding in een soort telefoongids van welzijnsactoren. Elkaar kennen betekent ook beter samenwerken en dit kan beginnen rond de cliënt, de zorgbehoevende of de hulpvrager. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de hulpvrager op een efficiënte wijze zo goed mogelijk geholpen wordt? Hierbij staat juiste doorverwijzing én het netwerken van dossiers centraal. Verschillende gemeenten zijn hier mee reeds bezig.
Lokaal sociaal beleid stopt dus duidelijk niet met het goedkeuren van een plan. Integendeel. Er is nog veel te doen. En dit werk moet opgevolgd worden. Een welzijnsraad en een welzijnsoverleg zijn daarom onontbeerlijke instrumenten voor een goed welzijnsbeleid.
Het armoededecreet is een belangrijk decreet. Het zorgt voor een structurele onderbouw van het armoedebeleid. Vanaf het begin zijn er vragen gerezen bij het armoededecreet. Doorheen de jaren zijn de vragen uitgekristalliseerd. Het aanvoelen is dat het armoedecreet teveel vanuit een bestuurscultuur is ontwikkeld en te weinig vanuit verenigingen zelf.
Voor het ACW moet het armoededecreet maatwerk mogelijk maken, meer zelfs, maatwerk moet het uitgangspunt en de uitkomst zijn. Maatwerk veronderstelt dat mensen die in armoede leven zelf eigenaar zijn en blijven. Het decreet moet hen daartoe alle mogelijkheden geven.
In de eerste plaats willen we dat het decreet rekening houdt met verenigingen die tijdelijk niet beantwoorden aan de zes criteria van een vereniging waar armen het woord nemen. Deze zes criteria zijn:
Hierbij willen we rekening houden met verenigingen die in groei zijn naar de zes criteria of die tijdelijk niet kunnen beantwoorden aan de zes criteria.
Daarnaast is het heel belangrijk dat verenigingen die vooral bezig zijn rond ontmoeting en vorming binnen het sociaal-cultureel volwassenenwerk een goede plaats vinden. Hiertoe zal dit decreet ook aangepast moeten worden. We pleiten hier ook voor een federatie van armenverenigingen binnen het sociaal-culturele volwassenenwerk en dit naar analogie van de allochtonenverenigingen.
In de tweede plaats willen we dat de Vlaamse administratie zijn verantwoordelijkheid opneemt. Een van de meest bediscussieerde punten binnen het armoededecreet is immers de bepaling dat het Vlaams Netwerk de verenigingen financieren. Het verantwoordelijk zijn voor de financiering van de verenigingen belast zeer sterk de werking van het Vlaams Netwerk. Het legt de werking plat en leidt tot onnodige spanningen. Algemeen is bij de verenigingen een draagvlak voor het uit handen geven.
We kunnen dit ondersteunen. Hierbij willen we echter duidelijk stellen dat subsidiëring vanuit de overheid de autonomie van de verenigingen bij het bepalen van hun werking en hun inhoudelijke doelstellingen niet in het gedrang mag brengen.
In de derde plaats willen we dat armoedebeleid ook een lokale invulling krijgt. Het armoededecreet moet een duidelijke link leggen met het lokaal beleid. Het armoededecreet viseert de gemeenten en OCMW’s niet. Het decreet lokaal sociaal beleid zou een antwoord moeten formuleren. Maar het lokaal sociaal beleid is teveel (en terecht) een zorgverhaal en te weinig een beleidsverhaal. Het armoededecreet daarentegen is een beleidsgericht decreet. De finaliteit is armoedebestrijding. Armoedebestrijding moet ook op het lokaal niveau gebeuren. Deze link moet daarom duidelijk gelegd worden.
In de vierde plaats moet het Vlaams Netwerk versterkt worden als een zelfstandige en autonome organisatie.
Vandaag wordt het Vlaams Netwerk geplet tussen de verwachtingen van het decreet en de verwachtingen van de verenigingen en van de overheid. Dit leidt tot grote frustraties langs beide zijden: zowel bij de verenigingen die het tempo niet kunnen volgen, die onvoldoende ondersteuning krijgen als bij het beleid dat te weinig input krijgt. Een uitzuivering van de taken kan enkel leiden tot een sterker Vlaams Netwerk.
Maar dan moet het armoedeoverleg anders georganiseerd worden. Het armoedeoverleg moet voor ons gebaseerd zijn op de expertise van de verenigingen zelf. Zij moeten de motor van beleidswerk zijn. Vanuit de verenigingen groeien de dossiers en worden naar de (lokale of Vlaamse en federale) overheid gebracht. Zij blijven de eigenaar van hun beleidswerk. De verenigingen worden gesubsidieerd en ondersteund om dit mogelijk te maken.
Het Vlaams Netwerk wordt dan het platform waar de verenigingen elkaar ontmoeten en waar ze voor de beleidsdossiers een draagvlak vinden en waar ze bij de andere verenigingen steun en ondersteuning vinden. Het Vlaams Netwerk ondersteunt de verenigingen door hen o.a. in contacten te brengen met andere maatschappelijke actoren. Op dit platform kan dan ook de lokale ondersteuning vanuit andere organisaties onderzocht worden (bv. vanuit basiseducatie en samenlevingsopbouw) Het Vlaams Netwerk is dan ook en vooral een netwerker, een bemiddelaar tussen de verenigingen. Ze wordt dan ook een koepel van verenigingen waar armen het woord nemen. We pleiten dus voor een sterk en zelfstandig Vlaams Netwerk dat een eigen plaats en rol heeft in het maatschappelijk veld.
In de vijfde plaats moet het ambtelijk armoedeoverleg niet op de schouders van de verenigingen rusten.
De overheid moet haar eigen beleid ter discussie durven stellen. Dit willen we doen op basis van een armoedetoets waarbij de toets bepaalt of een voorstel negatieve gevolgen heeft voor mensen die in armoede leven. De overheid moet dan een antwoord geven, m.n. op welke manier heeft ze rekening gehouden met de resultaten van de armoedetoets. Ook de lokale overheid moet gebruik maken van een dergelijke armoedetoets.
En als laatste punt willen we tweejaarlijkse bijeenkomsten die dynamiek en richting geven aan de verenigingen en aan het beleid. Dit zou een bijeenkomst van verenigingen, andere maatschappelijke actoren én overheid moeten zijn. Op deze bijeenkomst moet de overheid rekenschap geven van wat zij gedaan heeft met het armoedeoverleg en het ambtelijk overleg. Daarnaast worden de nieuwe beleidsdossiers vanuit de verenigingen aangekaart. Samenwerkingen met andere maatschappelijke actoren kunnen daar vorm krijgen.
Opvoeding staat centraal. Minister Vervotte is begonnen met de opvoedingswinkels. Tom Dehaene en Vera Jans deden een voorstel in het Vlaams parlement omtrent de organisatie van de opvoedingsondersteuning.
De bedoeling van opvoedingsondersteuning is het vergroten van de opvoedingsmogelijkheden en de kansen van gezinnen. Zware problemen kunnen hierdoor vermeden worden, ouders gesterkt en de zelfstandigheid en vaardigheden om op te voeden, vergroot. Door dit decreet wordt een stap gezet in de uitbouw van het preventieve luik van de integrale jeugdzorg, waarvan tot nu toe enkel het hulpverleningsluik (integrale jeugdhulp) werd uitgewerkt.
De uitbouw is pas mogelijk wanneer opvoedingsondersteuning laagdrempelig is, d.w.z. gemakkelijk bereikbaar, geen grote financiële inspanningen, niet-stigmatiserend en vrijblijvend moet zijn. Diegene die de opvoedingsondersteuning inhoud en vorm geven, moeten vraaggericht werken. Opvoedingsondersteuning kan niet goed zijn wanneer zij niet ‘op maat’ wordt aangeboden. Elke opvoedingsvraag moet ernstig worden genomen en verdient het een gepast antwoord te krijgen.
De opvoedingsondersteuning krijgt concreet inhoud en vorm via lokale coördinatoren opvoedingsondersteuning, het lokaal overleg opvoedingsondersteuning, opvoedingswinkels, de Vlaamse coördinatoren opvoedingsondersteuning, het bovenlokaal overleg opvoedingsondersteuning, centra voor vorming rond opvoeding en het Vlaams Expertisecentrum voor opvoedingsondersteuning.
In elke centrumstad komt er een opvoedingswinkel. Deze moet basisinformatie ter beschikking stellen over het opvoeden van kinderen in diverse levensfasen. In de opvoedingswinkel vindt men antwoorden op algemene opvoedingsvragen. Maar ook specifieke opvoedingsvragen kunnen aan bod komen. In de opvoedingswinkel vindt men tevens ontmoetingsruimten. Een opvoedingswinkel moet vormingen aanbieden. Naast deze lichte vormen van informatie moet een opvoedingswinkel ook ambulante hulp, in zowel gezins- als groepsverband, aanbieden. Daarnaast moet de opvoedingswinkel instaan voor een systematische en vroegtijdige detectie van opvoedingsonzekerheid of opvoedingsproblemen met, indien nodig, een gerichte doorverwijzing. En moet de opvoedingswinkel instaan voor een gecoördineerde, systematische en kwantitatieve gegevensverzameling.
Er is bijzonder veel aandacht voor opvoeding. Wie de kranten volgt, leest wel elke week een scherpe analyse of voorstel of aanklacht. De problemen rond de bijzondere jeugdzorg (het al dan niet kunnen opvangen van jongeren in problematische opvoedingssituaties) hebben velen wakker geschud.
In deze zin is elk initiatief dat focust op opvoedingsondersteuning meer dan welkom. Als samenleving kunnen we de gezinnen niet in de kou laten staan. De voorstellen hebben de verdienste het debat over opvoeding en ondersteuning te voeden.
Belangwekkend aan het voorstel is dat het een belangrijke rol geeft aan de gemeenten en meer bepaald aan het lokaal sociaal beleidsplan. Dit lokaal sociaal beleidsplan moet (bij actualisering) acties inzake opvoeding opnemen. Gemeenten moeten een medewerker aanduiden als verantwoordelijke.
Het lokaal sociaal beleidsplan wordt hierdoor nog meer een motor van welzijn in de gemeente. En dan is het de taak van het lokaal sociaal beleidsplan om de juiste klemtonen te leggen.
Voor het ACW ligt de klemtoon vooral op het versterken van de gezinnen. We investeren liever in versterken van de gezinnen en de informele netwerken rond de gezinnen. En dit kan enkel door gezinnen de nodige instrumenten te geven om goed op te voeden. De experimenten die bezig zijn rond “triple p” zijn daarvan een goed voorbeeld.
En hierbij kan ook gebruik gemaakt worden van de bestaande diensten. Kind & Gezin bereikt heel wat gezinnen en reikt reeds heel wat opvoedingsondersteuning aan. Op welke manier kunnen zij hun rol nog beter spelen? Ook de scholen spelen een belangrijke rol. Deze diensten en organisaties moeten zich mee ten dienste stellen van het versterken van de gezinnen.
Vandaar dat we voorzichtig willen zijn rond het organiseren van nieuwe structuren en overleggen. Vandaag is er reeds een LOKO. In welke mate kan dit overleg samenvallen met het nieuw overleg opvoedingsondersteuning? Dubbel overleg helpt meestal de gezinnen en de kinderen niet.
Ook nieuwe structuren als opvoedingswinkels worden teveel als wondermiddel naar voor geschoven. Deze kunnen een ondersteunende taak hebben maar nooit het antwoord zijn op de vele opvoedingsnoden en opvoedingsvragen van gezinnen. Opvoedingswinkels herleiden deze vragen tot een vraag naar een recept. Daarom zien we deze winkels eerder als een ondersteunende dienst voor mensen en organisaties die gezinnen echt sterker maken.
Het voorstel van decreet zal dit jaar nog besproken worden. Het biedt aanleiding, samen met de vele discussies die in de kranten gevoerd worden, tot een goed debat in het Vlaams parlement. Het voorstel van decreet legt terecht de nadruk op preventie en de rol van het lokaal sociaal beleid inzake de preventie. Het versterken van de gezinnen moet in het debat centraal staan. Niet de structuren, de diensten, de overlegorganen, …, maar wel het gezin waar de opvoeding begint.
De sector van de kinderopvang heeft de afgelopen jaren belangrijke wijzigingen ondergaan. Het aanbod werd veel flexibeler, het aantal plaatsen is verder toegenomen. Er werd begonnen met de proeftuinen rond een vernieuwd concept. Toch zijn we er nog niet. Met voorliggende tekst wil ACW de nieuwe minister van Welzijn alvast meegeven dat er nog heel wat uitdagingen zijn. Ook tijdens de tweede helft van deze legislatuur hoort de sector kinderopvang verder te groeien zodat alle ouders die nood hebben aan opvang een goede oplossing vinden. De vernieuwing die ingezet is, mag zijn elan niet verliezen en moet structureel uitgebouwd worden. Een aantal pijnpunten in de sector moeten worden aangepakt.
ACW lijst de acht – in hun ogen – belangrijkste op:
1) lenigen van de grote nood aan bijkomende plaatsen;
2) creëren van een meer gedifferentieerd aanbod;
3) een volledig en volwaardig werknemersstatuut voor onthaalouders;
4) werken aan lage instapdrempels én aan professionalisering in de sector;
5) een werkbare taakbelasting voor de diensten voor opvanggezinnen;
6) operationaliseren van de CKO-idee;
7) betaalbaarheid van professionele kinderopvang bewaken en verbeteren;
8) de patstelling omtrent het FCUD doorbreken.
Een globale aanpak, tegelijkertijd op verschillende fronten, is de enige werkzame wijze om een afdoend antwoord te bieden op bovenstaande acht uitdagingen. ACW hoopt met deze acht bouwstenen een constructieve steen in de kinderopvang-pool gegooid te hebben.
Analyse van de demografische en sociologische evolutie in Vlaanderen wijst vier oorzaken aan die aan de grond liggen van een op korte termijn stijgende vraag naar formele kinderopvang.
1) Het NIS noteert sinds 2002 een licht stijgend geboortecijfer van 2,5 %. Deze baby’s en hun ouders wensen quasi allemaal een opvangplaats drie maand na de geboorte. Daardoor zijn er 5000 kinderen meer geboren. Dit vergt een bijkomende vraag naar 2000 opvangplaatsen.
2) Het activeringsbeleid zorgt dat ook bij werkzoekenden de vraag naar kinderopvang stijgt. Gebrek aan plaats in de kinderopvang wordt niet langer aanvaard als reden om een betrekking of opleiding te weigeren.
3) Mensen blijven langer actief op de arbeidsmarkt. Deze langere activering zorgt ervoor dat de meeste 50-plussers nog werken wanneer hun kleinkinderen opgevangen dienen te worden. De Europese Top van Stockholm legt tegen 2010 de lat op 50 % arbeidsdeelname van de 55–64-jarigen.
4) De 50–60-jarigen getuigen van een andere levensvisie dan hun ouders. De bereidheid om een hele werkweek kleinkinderen op te vangen, vermindert. Het aandeel van de informele opvang zal verder eroderen.
5) Er wordt verwacht dat het aantal alleenstaande werkende moeders/vaders op korte termijn zal toenemen. Zij hebben (nog) meer nood aan flexibele opvangvormen.
Kind & Gezin hanteert de planningsoefening om na te gaan hoeveel bijkomende kindplaatsen op korte termijn nodig zijn. Uitgangspunten zijn de bestaande behoeften, de beleidsopties en een aantal objectieve parameters. Op basis van de gegevens in april 2005 wordt tegen 2009 een tekort van 6 957 voorschoolse opvangplaatsen voorspeld. De reeds toegekende plaatsen komen hier slechts ten dele aan tegemoet.
Het Vlaamse Regeerakkoord verklaarde de richtinggevende Barcelona-norm2 te realiseren. Anno 2007 heeft het formele aanbod op Vlaams niveau die kaap van 33 % overschreden. Maar niet zo in steden als Aalst, Antwerpen en Genk.
ACW vraagt dan ook aan de minister om een groeipad uit te tekenen voor de komende jaren zodanig dat dit voorspelde tekort in elke regio opgevangen kan worden.
Kind & Gezin extrapoleert de vraag naar BKO in april 2005 naar een verwachte vraag in 2009. Deze oefening levert een vermoedelijke onvervulde vraag naar BKO van zo’n 14000 kinderen op. Rekening houdende met het kind/plaatsratio van 2 à 3/1, waarmee K&G bedoelt dat meerdere kinderen één kindplaats zullen innemen, levert dit een tekort van 4 600 à 6 800 plaatsen op.
Alhoewel de planningsoefening van Kind & Gezin zich enkel richt op het Vlaamse Gewest, mag gesteld worden dat dezelfde noden leven in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. Een studie van de RUGent wijst uit dat er in Brussel 500 bijkomende plaatsen nodig zijn voor Nederlandstaligen. Ook voor het BHG moet een realistisch groeipad worden aangehouden.
Meer kindplaatsen leveren automatisch ook meer personeel op. Deze bijkomende arbeidsplaatsen mogen niet enkel met kinderverzorgsters ingevuld worden. Een vrijgestelde directiefunctie en logistieke ondersteuning laten toe dat de verzorgenden zich op hun kernopdracht kunnen focussen. Bijvoorbeeld, de diensten voor opvanggezinnen (DVO) hebben dringende nood aan managementfuncties ter ondersteuning van de onthaalouders. Het berekeningsmodel van de kinderdagverblijven4 moet als voorbeeld genomen worden voor de omkadering van de gehele sector. ACW stelt voor dit middenkader echter aan te bieden binnen elke CKO.
ACW gaat voor een maximale uitbouw via de erkende, gesubsidieerde sector. Deze keuze is de beste dam tegen een verdere vermarkting van de sector, biedt de beste garantie op kwaliteitsvolle kinderopvang, waaronder het uitbouwen van de drie functies, die de overheid vooropstelt. ACW is overtuigd dat een sociaal beleid het vlotst via de erkende, gesubsidieerde sector gerealiseerd zal worden.
CONCLUSIE: ACW ijvert voor 7 000 nieuwe opvangplaatsen in de voorschoolse kinderopvang en 6 000 in de buitenschoolse kinderopvang. Het merendeel van die nieuwe plaatsen moet worden gerealiseerd in de erkende, gesubsidieerde sector. ACW dringt aan om zowel voor het begrotingsjaar 2008 als 2009 zo’n €10 miljoen te investeren om te komen tot substantiële stappen in de uitbreiding.
Met het plan voor flexibele en occasionele kinderopvang is de Vlaamse overheid tegemoetgekomen aan de vraag van ouders naar een meer gedifferentieerd aanbod.
ACW vindt dat de Vlaamse Regering deze voortdurende verdere differentiatie van het aanbod moet blijven aanmoedigen. Tegelijkertijd moet bewaakt worden dat het specifieke karakter gevrijwaard blijft. De nichewerkingen mogen niet dichtslibben omwille van plaatsgebrek in het reguliere aanbod. Bijvoorbeeld: de occasionele opvang is gericht op doorstroom naar het reguliere aanbod. Dit veronderstelt een voldoende groot basisaanbod. Anders kunnen de kinderen niet doorstromen zoals voorzien.
Daarom vraagt ACW de opvolging van huidige evoluties zodat tijdig bijgestuurd kan worden wanneer blijkt dat de niches onvoldoende tegemoetkomen aan de noden van de gebruikers. Niet enkel een voldoende aanbod maar ook een correct gebruik van de gehanteerde definities houdt het misbruik tegen. Ook in het kader van het nieuwe decreet Lokale Diensteneconomie moeten de nodige initiatieven kunnen groeien. Zij kunnen een bijdrage leveren aan een grotere differentiatie van de kinderopvang. ACW wenst dat na verloop van tijd elke CKO dergelijke nichewerking standaard aan zou bieden analoog aan de lokale vraag. Deze evolutie dient nauwgezet opgevolgd te worden zodanig dat het initiële doel niet uit het oog verloren wordt.
Ondanks talrijke nieuwe initiatieven is de sector permanent in evolutie. Ook in de toekomst moet er ruimte blijven om in te spelen op nieuwe, al dan niet plaatselijke, behoeften of om nieuwe doelgroepen aan te trekken. Daarom vraagt ACW oog kinderen die nu zelden tot niet participeren aan kinderopvang. Na het inventariseren van de niet-gebruikers dient nagedacht te worden hoe kansarme gezinnen betrokken kunnen worden. De ontwikkelingsstimulerende werking van een kinderopvang zou immers bijdragen in het verhogen van gelijke (levens)kansen. Een mooi experiment zou bv. de speelleerklas zijn. Baby’s, kinderen én hun ouders worden voor één vaste dag/halve dag in de week uitgenodigd in een opvanginitiatief. Zo komen kinderen in contact met (taal en spel van) leeftijdsgenootjes, terwijl ouders op een ongedwongen wijze hun opvoedingservaringen uitwisselen. De voorziening speelt hierop in door laagdrempelige infobabbels in te richten.
CONCLUSIE: ACW vraagt ruimte voor innovatieve opvangmogelijkheden in de kinderopvang. Het experimenteren van voorzieningen stimuleert de creativiteit om vraag en aanbod beter te matchen. Bottom-up-initiatieven verdienen alle ruimte, zonder de overzichtelijkheid over boord te gooien! Opvolging van lokale initiatieven is nodig opdat de goede praktijkvoorbeelden alle kansen op groei en disseminatie zouden krijgen. Elk waardevol experiment dient na verloop van tijd in het standaardaanbod van een CKO opgenomen te worden.
Tot op vandaag de dag kiezen de onthaalouders ofwel voor een statuut van zelfstandige of sluiten ze zich aan bij een dienst voor opvangouders. Deze laatste optie brengt verlichting van administratieve rompslomp en begeleiding met zich mee. Bovendien geeft dit toegang tot het huidige tussenstatuut, met opbouw van een aantal rechten in de sociale zekerheid. Het huidige tussenstatuut is een eerste, belangrijke stap richting het werknemersstatuut. Wat betreft ACW dient dit tussenstatuut op middellange termijn organisch uit te groeien tot een volwaardig werknemersstatuut.
Om van een volwaardig werknemersstatuut te kunnen spreken, dienen eerst een aantal aspecten geregeld te worden. Overleg met de federale overheid moet daarom dringend geïnitieerd worden.
Vraag is of de uitbouw van dit werknemersstatuut geleidelijk gebeurt met een uitdoofscenario voor het bestaande tussenstatuut voor zij die nu genieten van dit tussenstatuut. Of worden alle onthaalouders verplicht om naar het werknemersstatuut over te stappen? Een geleidelijke instap lijkt sociaal en financieel het meest haalbaar. Het werknemersstatuut kan een verhoogde aantrekkingskracht betekenen om nieuwe onthaalouders te laten instappen.
CONCLUSIE: ACW bepleit de organische uitbouw van een volwaardig statuut voor de onthaalouders.
Kinderopvang zorgt er niet enkel voor dat ouders zich op de arbeidsmarkt kunnen begeven, maar creëert zelf ook tewerkstelling. Zo zijn BKO’s niet enkel in het leven geroepen om een antwoord te bieden op vragen naar buitenschoolse opvang. Ze bieden ook tewerkstellingskansen voor laaggeschoolde werkzoekenden. De functies en functievereisten in de sector zijn historisch gegroeid. Het is niet altijd mogelijk om een lijn te trekken in de gevraagde kwalificatievereisten. Voor onthaalouders worden geen diplomavereisten gesteld, voor kinderverzorgsters in kinderdagverblijven wel. Voor begeleidsters in de BKO wordt een korte opleiding voorzien, maar het ervaringsbewijs is nog niet aanvaard. Ongeacht het aanvangsdiploma spreekt het vanzelf dat iedereen die in de kinderopvang wil werken over de nodige competenties inzake opvoeden en verzorgen van kinderen moet beschikken.
Momenteel tekent er zich een spanningsveld af tussen enerzijds de vraag van de sector naar meer professionalisering, mede ondersteund door de OESO, en anderzijds het behoud van tewerkstellingskansen voor laaggeschoolden.
Volgens ACW hoeft deze vaststelling niet problematisch te zijn. Onderstaande voorbeelden bewijzen de kracht van een sterk personeelsbeleid:
Een recent opgerichte taskforce buigt zich over het professionaliseringsvraagstuk. De resultaten van deze oefeningen moeten goed doorgepraat worden met de middenveldorganisaties voordat conclusies omgezet worden naar beleidsmaatregelen. Het debat over de loon- en arbeidsvoorwaarden dient gevoerd te worden nà het algemeen aanvaarden van het n.a.v. de taskforce uitgetekende kader. Enkel zo kan een algemene herwaardering van de sector geïnitieerd worden.
CONCLUSIE: ACW onderstreept het belang van een professionaliseringsbeleid, maar met behoud van een laagdrempelige instap voor ongediplomeerden. Via een sterk competentieontwikkelingsbeleid moeten ook laaggeschoolden jobperspectief hebben in de sector van de kinderopvang.
HIVA-onderzoek toonde aan dat maar liefst 30 à 40 % van de medewerkers van de DVO’s zich doorgaans zwaar belast voelt. Deze scores liggen hoger dan deze die men vaststelt voor andere ‘contactberoepen’. Het ongenoegen wordt veroorzaakt door de problemen die voortvloeien uit het ineenweven van een ‘quasi-informele’ sector met de formele sector, het gewijzigde profiel van de dienstverantwoordelijke meer ‘probleem’dossiers, lager niveau van de onthaalouders, minder kandidaten en vluggere uitval. Ontevredenheid over het gebrek aan promotiekansen en ontberen van een middenkader per dienst zorgt voor een versterkend effect. Bij het invoeren van een volwaardig werknemersstatuut zal de DVO zich (nog) meer moeten toespitsen op het administratief-juridische luik waardoor (nog) minder tijd voor werken in de diepte rest. Het ACW merkt op dat alle initiatieven geconfronteerd worden met steeds strenger wordende regelgeving, met het uittekenen van een kwaliteitsbeleid en een competentieplan voor het personeel … Vaak nemen de verantwoordelijken dit nog eens bij naast hun begeleidingsopdracht waardoor deze voorzieningen onvoldoende de maatschappelijke verwachtingen kunnen volgen.
Uit het onderzoek werden volgende aandachtspunten voor een kwaliteitsvolle werking van de dienst voor opvanggezinnen afgeleid:
ACW wenst dat de DVO’s zich terug kunnen focussen op hun kerntaken, zijnde opvolgen en begeleiden van de aangesloten onthaalouders. Daarom moeten DVO’s voldoende personeel en middelen krijgen om bovenstaande taken te verwezenlijken. Het voorzien in organisatorische omkadering biedt hier een oplossing. Het instappen in netwerken zoals het CKO vormt een uitweg.
CONCLUSIE: ACW wil dat de overbelasting van de DVO’s weggewerkt wordt. DVO’s moeten zich terug focussen op hun kernopdracht.
Daarnaast dient ook bekeken te worden hoe voorzien kan worden in administratieve en organisatorische omkadering van kinderopvangvoorzieningen en –diensten zodanig dat de professionele uitbouw verder gestimuleerd wordt. Samenwerking binnen een CKO biedt een goede oplossingspiste. Maar ook de financiering van het basisaanbod moet voldoende duurzaam zijn en rekening houden met de reële anciënniteitsopbouw van het personeel.
Het vernieuwd concept voor de kinderopvang biedt heel wat mogelijkheden en moet verder worden ontwikkeld. Een Centrum voor Kinderopvang biedt een antwoord op vragen als zorg op maat, vindplaatsgericht werken, maximale keuzevrijheid voor ouders en interne kwaliteitszorg. Het bevorderen van meer structurele samenwerking zal de transparantie en toegankelijkheid voor elke gebruiker ten goede komen. Door de cultuur van openheid naar zowel gebruikers als aanbiedende partners biedt een CKO de mogelijkheid om een gemeenschappelijke visie uit te werken rond o.a. kinderopvang, personeel en kwaliteit. De zelfstandige voorzieningen krijgen de mogelijkheid tot ondersteuning en begeleiding. Deze samenwerkingsvorm staat dus voor een meer efficiënte vorm van kinderopvang zonder de identiteit van elke opvangvoorziening op zich op te geven.
Opdat een CKO voor elke deelnemer een meerwaarde zou bieden, spoort het ACW de overheid aan om middelen te voorzien voor een middenkader. Door de schaalgrootte van een CKO kunnen dergelijke functies er renderen. Deze functies zijn hooggespecialiseerd en bieden een ondersteunende dienstverlening aan alle aangesloten lokale initiatieven, ook de DVO’s. Er wordt gedacht aan minstens een pedagogische functie, een permanente beschikbaarheid van een medische functie en 7 (van 8) een kwaliteitscoördinator. De medische functie maakt inzage en opvolging van medische dossiers mogelijk, iets wat tot op vandaag de dag een voelbare lacune is in de verzorging van kinderen.
CONCLUSIE: ACW onderschrijft de visie van de minister over de CKO’s. Sinds eind mei 2007 wordt het concept uitgetest. ACW hoopt dat nog deze legislatuur eerste conclusies worden getrokken waardoor het omzetten naar algemene beleidsmaatregelen mogelijk wordt. De evaluatie gaat expliciet na in welke mate de CKO’s bijdragen aan de vooropgestelde transparantie voor zowel de gebruiker als de sector zelf. Opdat het geheel groter zou zijn dan de som van de delen, wil ACW dat elke CKO de ruimte krijgt om een middenkader uit te werken. Dit middenkader staat ten dienste van alle deelnemende CKO-partners.
De Vlaamse overheid nam de optie om kinderopvang als basisvoorziening te beschouwen. Deze beslissing heeft consequenties voor de dagprijs. De erkende en gesubsidieerde sector bepaalt de dagprijs overeenkomstig de hoogte van het gezinsinkomen. De zelfstandige sector kan vrij de prijzen zetten. De rijkere tweeverdieners zijn zo vaak beter af in de zelfstandige sector, terwijl de lagere inkomens beter terecht kunnen in de – voor hen goedkopere – erkende en gesubsidieerde initiatieven. Dergelijke aanpak zou sociale segregatie in de hand kunnen werken en bevordert allerminst het samenleven. Het verschil in gezinsinkomen mag niet leiden tot een kloof wat betreft een verschil in samenstelling over de opvangvormen heen.
ACW vraagt daarom aan de CKO’s om na te denken hoe alle deelnemende partners toch een sociale mix kunnen realiseren. Van overheidswege dienen tegemoetkomingen voor de zelfstandige sector overwogen te worden zodanig dat sociaal zwakkere gezinnen een grotere keuzevrijheid krijgen. De compatibiliteit tussen het zelfstandigenstatuut en de wens om overal inkomensgerelateerde bijdragen te hanteren met dus financiële bijpassing van het inkomensverlies van de zelfstandigen, dient uitgeklaard te worden. De sociale herverdeling moet versterkt worden. Daarnaast stelt het ACW voor om onthaalouders een bijkomende vergoeding te geven voor de opvang van kansarme kinderen, analoog aan de opvang van zorgspecifieke kinderen. Het stimuleren van een kansarm kind en het begeleiden van een kansarm gezin vergen meer van een onthaalouder om kwaliteitsvol werk af te leveren.
Uit alle analyses blijkt dat de laagste inkomensgroepen het minst van al formele kinderopvang gebruiken. Als oorzaak wordt gewezen op het feit dat de financiële meerwaarde van werken quasi volledig teniet wordt gedaan door de kinderopvangkost. Daarom wordt frequenter beroep gedaan op informele opvang of blijft een ouder weg van de arbeidsmarkt.
Volgens ACW hebben de laagste inkomensgroepen nochtans baat bij formele kinderopvang omdat de focus ligt op het stimuleren van de ontwikkeling van het kind. Kinderopvang wordt in wetenschappelijke literatuur steeds meer beschouwd als een ideale springplank voor succesvolle (onderwijs)loopbanen. Kinderen worden op heel jonge leeftijd vertrouwd gemaakt met de middenklassencultuur die leeft in schoolmiddens. Hoe vroeger een taalbad Nederlands (-als-instructietaal), hoe 8 (van 8) natuurlijker een kind zich zal bewegen in de taal die verschilt van zijn moedertaal. CKO’s horen een actief beleid naar ondervertegenwoordigde kansengroepen uit te werken.
ACW stelt daarom voor om zowel voorschoolse als buitenschoolse kinderopvang helemaal gratis aan te bieden voor de – exclusief – laagste inkomensgroepen. Ook de daaraan gekoppelde bewijslast moet zo eenvoudig mogelijk blijven. Rechthebbenden die zich niet bekendmaken of niet de gewenste bewijsdocumenten kunnen voorleggen, betalen vandaag de dag toch het hoogste tarief.
De twee bovenstaande punten benadrukken de betaalbaarheid van kinderopvang voor de ouders. Dit derde punt neemt het perspectief in van de Vlaamse overheid. Ook voor de overheid is betaalbaarheid van de sector een te bewaken item. Het gebruik van dienstencheques staat niet alleen haaks op het principe van betaalbaarheid, het is ook een instrument tot verdere vermarkting van de sector van de kinderopvang. Daarom moet volgens het ACW het gebruik van de dienstencheques beperkt blijven tot de sterk beperkte doelgroep van alleenstaande ouders en met een maximum aantal cheques per jaar. De evolutie van de gestelde kwaliteitsvoorwaarden van het uitgestuurde personeel dient bovendien nauwgezet opgevolgd te worden.
CONCLUSIE: ACW beschouwt kinderopvang als een hefboom om meer mensen te laten instappen op de arbeidsmarkt. De kostprijs van kinderopvang mag niet leiden tot een gescheiden aanbod volgens gezinsinkomen. Daarom is gratis kinderopvang nodig. Een eenvoudige bewijslast verlaagt nog verder de drempel voor de doelgroepen. Van de voorzieningen verwacht ACW een actieve en open houding t.a.v. de vandaag onderparticiperende doelgroepen.
Het FCUD is een fonds dat gespijsd wordt door een bijdrage van 0,05 % op de loonmassa van werknemers. Sinds de federale top in Domein Raversijde werd + €20 miljoen extra gereserveerd voor de opvang van kinderen van werknemers. Deze middelen kunnen pas verdeeld worden wanneer de bevoegde overheden een samenwerkingsakkoord afsluiten. En daar knelt het schoentje. Zowel de bevoegde federale minister als zijn gemeenschapscollega’s en de betrokken uitvoerende instellingen (Kind & Gezin en ONE) dienen dringend tot een vergelijk te komen. Het uitgangspunt blijft het paritair beheer van de middelen.
Ten tweede moet er een oplossing komen voor de hoogte van het subsidiebedrag van de personeelsleden die door het FCUD gesubsidieerd worden. Dit is vandaag geplafonneerd. Bij het behoud van dit plafond kan het behoud van tewerkstelling niet gegarandeerd worden.
Ten derde moet het verschil in loon- en arbeidsvoorwaarden tussen het FCUDpersoneel en andere personeelsleden worden weggewerkt. Deze situatie is onhoudbaar en is te verklaren door een verschil in financieringsbron
CONCLUSIE: ACW dringt aan op een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de beide gemeenschappen en liefst zo snel mogelijk.
De vermarkting van de zorg is een vrij recent debat dat sterk wordt gestuwd en gestuurd door de Europese commissie. Ook werkgeversorganisaties, bedrijven, private zorgverstrekkers én zorgverzekeraars in heel Europa, maar ook in België, sturen hierop aan. Het debat raakt ons diep, omdat het ons zorgmodel in vraag stelt. Het Belgische zorgmodel is een solidair stelsel waarin iedereen bijdraagt naar draagkracht, wat voor iedereen betaalbaar en toegankelijk is dankzij de financiering vanuit de sociale zekerheid en uit de algemene middelen én tegelijkertijd kwalitatief hoogstaande zorg oplevert. Het gaat om een uniek samenspel tussen vrij initiatief en overheidsregulering, waarin zowel commerciële als nietcommerciële zorgverstrekkers een plaats hebben. Door het invoeren van vrijemarktprincipes in de zorgsector wordt dit zorgmodel op de helling gezet.
Toch willen we dit debat niet louter defensief benaderen. We willen het in eerste instantie ontrafelen en analyseren. De term ‘vermarkting van de zorg’ dekt immers zeer veel ladingen. In tweede instantie willen we de knelpunten en bedreigingen blootleggen, maar we willen ook de mogelijkheden en opportuniteiten onder de aandacht brengen.
Het doel van deze nota is om het debat binnen de Beweging te organiseren en te voeden door:
Vermarkting van de zorg is een zeer breed begrip dat verschillende ladingen dekt. Voor een goed begrip en om misverstanden in de communicatie te vermijden, is het beter om in de discussie meteen te verduidelijken over welk aspect van vermarkting men spreekt. Alvorens de deeldomeinen af te bakenen, willen we nog enkele begrippen verduidelijken.
Als er over vermarkting gesproken wordt, duiken ook meteen begrippen op als privatisering, commercialisering, privaat publiek, marktwerking. Hoewel ze allemaal met elkaar te maken hebben, hebben ze elk een andere betekenis. Om één en ander nog wat te bemoeilijken: éénduidige definities die door iedereen aanvaard worden, bestaan niet. We zullen dus zelf een poging doen om ze te omschrijven.
De overheid kan bij het uitvoeren van haar beleid zelf initiatief nemen (= publieke sector) of de overheidstaken gunnen aan de private sector. Daarbij heeft ze de keuze tussen private initiatieven die geen winst nastreven (= nietcommercieel privaat initiatief) en/of private initiatieven die wel winst nastreven (= commercieel privaat initiatief). Bij het gunnen van overheidstaken aan de private sector bepaalt de overheid de hoogte van de subsidies en de regelgeving en staat ze in voor de inspectie. Telkens moet de overheid uitmaken welk kwaliteitsniveau ze nastreeft.
België heeft in het verleden een duidelijke keuze gemaakt voor een mix van publiek en privaat initiatief. Bij de keuze van private partners heeft de overheid soms wel en soms niet het commercieel privaat initiatief uitgesloten of minstens afgeremd en geconditioneerd.
Dit model staat momenteel onder druk. Zowel vanuit Europa als vanuit liberale zijde groeit de vraag naar meer marktwerking. Hiermee wordt bedoeld dat het begrippenkader, de methodieken en de instrumenten uit de economische wereld worden toegepast op de welzijns- en gezondheidszorg, zoals concurrentie, vrije toegang, vrije prijsbepaling, vrije vestiging, geen planning van het aanbod, geen voorwaarden, geen kwaliteitscontrole. De marktwerking kan dan betrekking hebben op:
Het komt erop neer dat de afstemming van het aanbod op de gevraagde zorg gebeurt door private organisaties, al dan niet met winstoogmerk, die met elkaar concurreren (op prijs, op kwaliteit, op aangeboden diensten, op patiënten, op efficiëntie van de organisatie), liefst zonder al te veel inmenging van de overheid.
Commercialisering staat overigens niet per definitie gelijk aan deregulering, noch aan minder overheidsoptreden. Overheidsingrijpen en regulering blijft ook in dit model mogelijk (op vlak van toegang tot de dienst (bv. acceptatieplicht), o.v.v. de prijs (bv. vaste prijzen), o.v.v. het aanbod (programmatie en vestigingswet), o.v.v. de kwaliteit (bv. kwaliteitszorg en accreditering). Moeilijker wordt de discussie als er ook overheidsmiddelen aan gekoppeld zijn, wanneer het uitbesteden van overheidstaken ook gekoppeld is aan overheidssubsidies. Dan stelt zicht de vraag of overheidssubsidies kunnen gebruikt worden voor een privaat initiatief dat gericht is op het maken van winst en het maximaliseren van die winst (op vraag van aandeelhouders). Kan een commercieel initiatief de algemeen maatschappelijke belangen waarborgen? Zijn tussenformules mogelijk om te komen tot een social profitinitiatief?
We kunnen echter alleen maar vaststellen dat er vandaag reeds heel wat marktwerking is in de zorg, dat er op diverse deeldomeinen (bv. rusthuizen, kinderopvang) al commerciële initiatieven actief zijn en dat op andere domeinen, waar commerciële initiatieven geen toegang hebben tot overheidssubsidies (bv. ziekenhuizen en gezinshulp), er een grijze zone ontstaat tussen profit en nonprofit: de positie en macht van de vrije beroepen, de vzw’s die uitwegen zoeken om hun bestuursleden te ‘belonen’, het outsourcen van bepaalde activiteiten door nonprofitvoorzieningen aan commerciële initiatieven, de vervennootschappelijking van vrije beroepen en andere zorgverleners, de ontwikkelingen in de thuishulp met de dienstencheques...
Als er over vermarkting van zorg geschreven of gesproken wordt, is het van belang na te gaan over welk aspect men het heeft. Er zijn verschillende invullingen mogelijk die niet noodzakelijk aan elkaar gekoppeld zijn. Het kan gaan om:
Op het terrein zit men niet stil en tekenen zich vandaag al een aantal tendensen af. We maken daarbij een onderscheid tussen de gezondheidssector en de welzijnszorg, omdat de evoluties van een andere aard zijn. De ouderenzorg die te paard zit tussen gezondheids- en welzijnszorg delen we hier in onder welzijnszorg.
3. Hoe dan ook speelt het Europees Hof van Justitie een belangrijke rol bij zowel de interpretatie van Europese reglementering als bij de totstandkoming ervan. Het is bv. ten gevolge van de uitspraken van het Europees Hof van Justitie rond de patiëntenstromen dat er een zekere mate van rechtsonzekerheid is ontstaan: het hof regelt wel de tarieven, maar niet de minimumrechten, noch de minimale standaarden, noch de controle en de procedures in geval van betwisting. Dit brengt de Europese Commissie ertoe om een nieuw initiatief te nemen rond de interne markt voor gezondheidszorg. De eerste stap hierin is een ruime bevraging, die in 2007 moet uitmonden in een concreet voorstel. Uitgangspunt is hoe de bestaande gezondheidszorgsystemen de kosten onder controle kunnen houden, de efficiëntie kunnen verhogen, de preventie en gezondheidspromotie kunnen verhogen.
Ook de Senaat en nadien de Kamer hebben zich over het vraagstuk van de mobiliteit van patiënten gebogen en vragen via een resolutie aan de regering volgende zaken:
In opvolging van deze resolutie is op 7 maart 2007 een wetsvoorstel ingediend in de Kamer, o.m. mede ondertekend door Jo Vandeurzen.
Het VBO heeft in september ’06 uitgepakt met een brochure Dare and Care waarin zij diverse uitdagingen en mogelijkheden voor de sector van de gezondheidszorg aflijnt. Deze vallen allemaal onder de noemer van vermarkting.
(Dit is een samenvatting standpunt VVI)
Het VVI maakt in haar standpunt een duidelijk onderscheid tussen commercialisering en vermarkting. Wat de commercialisering betreft, benadrukt het VVI dat de non-profitorganisaties een bijzondere vorm en inhoud geven aan hun maatschappelijk ondernemerschap doordat zij in dialoog gaan met de stakeholders en gericht zijn op het versterken van de sociale samenhang en solidariteit in de samenleving.
Toch geven zij aan dat de overheid een kader moet scheppen waarbinnen social-profit én for-profit instellingen kunnen opereren. Dat moet gebeuren op basis van normen met betrekking tot planning, erkenning, kwaliteit, toegankelijkheid tot en selectie van de meest aangewezen zorg, engagement tot continuïteit van zorg, verbod op uitsluiten van zorg (of van verzekering), verantwoorde prijszetting, enzovoort. Hier dient een efficiënt en effectief toezicht op georganiseerd te worden waarbij social-profit en for-profit gelijk behandeld worden en de regels steeds toegepast worden.
Op vlak van vermarkting geeft het VVI aan dat marktprikkels wel een bijdrage kunnen leveren tot het verhogen van de efficiëntie en de kwaliteit van de zorg, maar dat meer marktwerking ook risico’s inhoudt. In een vrije markt wordt immers onvoldoende rekening gehouden met de specifieke relatie tussen zorgaanbieder en gebruiker. Deze laatste bevindt zich in een kwetsbare positie. Basis voor de selectie van zorg moet een open dialoog tussen beiden zijn, met enkel de belangen van patiënt en samenleving voor ogen.
In het licht hiervan vraagt het VVI aan de overheid bijzondere aandacht voor:
Het VVI benadrukt dat in een situatie van schaarse middelen de socialprofit sector een extra meerwaarde heeft, net omdat zij alle gerealiseerde winsten in de maatschappelijke doelstelling van de onderneming herinvesteert, en wil vermijden dat deze schaarse middelen worden afgeleid naar de uitkering van winsten.
(één element uit hun visienota)
Het mens- en maatschappijgerichte karakter van de dienstverlening in de social-profit stelt grenzen aan de invoering van de marktwerking. Vrije prijsonderhandelingen tussen vraag en aanbod zijn veelal niet mogelijk of wenselijk om diverse redenen:
Het streven naar maximalisatie van de winst in een commerciële onderneming kan bovendien het complexe en delicate evenwicht tussen de essentiële functies van een social-profitactiviteit verstoren. Zelfs indien er een voldoende maatschappelijk draagvlak zou zijn voor de introductie van meer marktwerking in social-profitsectoren, dan nog zullen er sociale correcties nodig zijn om een toegankelijk en collectief aanbod te vrijwaren. Elke dienstverlener zal verplicht blijven een maatschappelijk engagement op te nemen en zich niet te richten tot een selectief doelpubliek. Social-profitsectoren zijn dus niet zomaar een markt maar hoogstens een 'gereguleerde markt'.
Nederland heeft recent (1 januari ‘06) zijn gezondheidszorgsysteem volledig hervormd en kiest voortaan een concurrentieel model.
De oude scheiding tussen particuliere verzekeringen en ziekenfondsen is volledig opgeheven. Alle zorgverzekeraars moeten voor de basisverzekering iedereen accepteren, ongeacht leeftijd, geslacht of gezondheid en iedereen betaalt eenzelfde premie.
Omgekeerd krijgen de zorgverzekeraars wel de vrijheid om met zorginstellingen of artsen contracten af te sluiten. Zij kunnen nu ook eisen stellen aan de zorgverlening en aan de kostprijs ervan. Om de ziekenhuizen en de zorgverzekeraars aan te zetten tot dit soort onderhandelingen werden heel wat medische ingrepen al omschreven, gestandaardiseerd en van een standaardprijs voorzien. Tegen 2008 wil men dat 70 % van de behandelingen onderworpen zijn aan vrije prijsonderhandelingen.
Om de concurrentie verder te stimuleren maakten twee nieuwe wetten het mogelijk dat artsen en ondernemers een kliniek of praktijk kunnen beginnen en vanaf 2012 mogen de ziekenhuizen winsten uitkeren. Voor patiënten is het makkelijker geworden om van verzekeraar te veranderen. Kinderen zijn gratis verzekerd.
Wat de gevolgen van deze omschakeling zullen zijn, is vandaag nog moeilijk in te schatten, maar dit zal zeker van nabij worden opgevolgd. Nu reeds vallen twee negatieve effecten op : er is een duidelijke evolutie van geschoolde en professionele hulp naar ongeschoolde en goedkope zorg (poetshulp), met als gevolg jobonzekerheid voor duizenden werknemers in de sector.
Engeland heeft al een hele evolutie achter zich richting privatisering en commercialisering van de gezondheidszorg. Uit een studie van prof. A. Pollock blijkt hoe deze commercialisering stap voor stap op structurele wijze werd voorbereid en doorgevoerd door de opeenvolgende regeringen van de jaren ’80 en ’90, zonder enig debat of inspraak of duidelijkheid over de doelstellingen.
Vóór 1991 werd het National Health System gekenmerkt door een geïntegreerd systeem, gebaseerd op centraal gestuurd behoeftenonderzoek, planning en programmatie. Vanaf 1991 wordt een langetermijnstrategie uitgedokterd (aangestuurd door de exportstrategie van de VS die hierin een exportproduct zien) met daarin volgende stappen:
België kent een specifiek systeem van gezondheids- en welzijnszorg. Het gaat om een unieke combinatie van vrij initiatief en overheidsregulering. Deze combinatie is verankerd in de Belgische en regionale wetgeving en heeft tot op vandaag een model opge-leverd van universeel toegankelijke en kwalitatief hoogstaande zorg, terwijl de uitgaven niet uitstijgen boven het Europese gemiddelde.
Diverse maatschappelijke evoluties zetten dit model onder druk: de toegenomen indivi-dualisering, de voortdurende technologische innovatie in de gezondheidszorg, de inter-nationalisering in het zorgaanbod, de toename van welzijnsnoden, maar ook het debat over de rol van de overheid en de vraag naar belastingverlaging …. Deze maatschappe-lijke evoluties effenen het pad voor een toenemende rol van commercieel initiatief bin-nen de gezondheids- en welzijnszorg.
Wie bezorgd is over de toekomst van de zorg, zal creatief moeten denken hoe de zorg zich kan aanpassen aan de maatschappelijke evoluties zonder hierbij afbreuk te doen aan de unieke doelstelling van een collectief gefinancierde en universeel toegankelijk zorg op hoog niveau. We zullen moeten nadenken over welke zorg we willen, een die gedicteerd wordt door de zorgindustrie, of een die gericht is op betere zorg? We zullen ook moeten onderzoeken welke instrumenten we in de toekomst kunnen hanteren om van winstbejag niet de eerste drijfveer te maken bij het aanbieden van zorg maar het belang van de zorgbehoevende centraal te kunnen blijven stellen? Hoe kunnen we diensten van algemeen belang een volwaardige plaats geven met een eigen dynamiek. Hoe kunnen we een Belgische en Vlaamse invulling geven aan de openbaredienstver-plichtingen om onze doelstellingen te vrijwaren.
Het ACW wil alvast een voorzet geven in dit debat. We zijn daarin zeker geen vragende partij tot meer commercialisering, maar we zijn evenmin blind voor de evoluties en de uitdagingen. Het zal dus een genuanceerd standpunt zijn, waarbij zowel de doelstellin-gen worden geëxpliciteerd als de concretisering ervan.
Evenzeer is dit een verhaal dat op diverse beleidsniveaus moet worden geschreven, te beginnen bij het Europese. Het is voor ons klaar en duidelijk dat Europa werk moet maken van een stevige wettelijke basis die het mogelijk maakt om diensten van alge-meen sociaal belang aan eigen doelstellingen te onderwerpen die niet louter te maken hebben met de doelstellingen geformuleerd in het Europees Verdrag inzake vrij verkeer van diensten en de vrije mededinging. Maar ook de Belgische en gewestelijke overhe-den moeten eerst duidelijk bepalen wat voor soort gezondheidszorg en welzijnszorg we in de toekomst willen en hun beleid daarop afstemmen, en niet omgekeerd. Dat dit niet zonder publiek debat en sociaal overleg met het middenveld kan, is voor ons klaar als een klontje.
De vraag om de zorg aan buitenlandse patiënten mogelijk te maken, is eerder een vraag van secundaire orde en moet volledig ingepast worden in onze visie op de orga-nisatie van de zorg. Ze staat in principe los van de vraag naar vermarkting. Het mag in ieder geval niet als een alibi gebruikt worden om de regulering inzake kwaliteit, aanbod en kostenbeheersing af te bouwen.
Het ACW en zijn deelorganisaties hebben in het verleden altijd gepleit voor een ge-zondheids- en welzijnszorg die:
Gezondheid- en welzijnszorg behoren ontegensprekelijk tot het publieke belang. Dat wil zeggen dat de overheid de eindverantwoordelijkheid heeft om dit publieke belang te organiseren, te financieren, te controleren en te sanctioneren. De overheid moet de voorwaarden creëren voor een goed functionerend aanbod met een bevredigende kwa-liteit en kostprijs. De uitvoering kan overgelaten worden aan het vrij initiatief of het publiek initiatief maar de eindverantwoordelijkheid ligt bij de overheid.
Meteen stelt zich de vraag wanneer we over een bevredigende dienstverlening spreken die het publieke belang voldoende borgt. Waaraan moet dan voldaan zijn? Voor het ACW moet de gezondheids- en welzijnszorg aan 5 doelstellingen voldoen. We maken daar waar nodig en relevant een onderscheid tussen de gezondheidszorg en de wel-zijnszorg.
Maar aangezien de principes alleen niet altijd even duidelijk zijn, geven we ook meteen aan hoe deze doelstellingen al dan niet kunnen gerealiseerd worden
Voor het ACW betekent dit:
algemeen:
een voldoende en gewaarborgde financiering van de eerste pijler in de Sociale Zeker-heid en de gezondheidszorg is cruciaal om het systeem in de toekomst te laten bestaan en te laten evolueren in sociale zin. De financiering moet versterkt worden via alterna-tieve financieringswijzen. Dit is de beste garantie tegen privatisering. Het persoonlijk aandeel van de patiënten in de kosten voor gezondheidszorg mag niet verder stijgen.
in de gezondheidszorg (en rusthuizen):
Om de betaalbaarheid voor iedereen te garanderen is zowel in de gezondheidszorg als in de welzijnszorg een ingenieus financieringssysteem gegroeid dat een combinatie is van overheidssubsidies, terugbetaling via de sociale zekerheid, privé-verzekering, en de bijdrage door patiënten of cliënten. Op die manier wordt ervoor gezorgd dat de patiën-ten in de meeste zorgsectoren bijdragen naar draagkracht, hetzij door een voorafgaan-delijke, verplichtte bijdrage aan de sociale zekerheid (bv. medische zorg bij huisarts, opname in een ziekenhuis, rusthuizen), hetzij door een tariefstelsel dat rekening houdt met het inkomen (bv. kinderopvang en gezinszorg).
Daarnaast zijn nog bijkomende beschermingsmaatregelen gecreëerd wanneer de kos-ten voor gezondheidszorg te hoog oplopen (bv. de Verhoogde Tegemoetkoming, de maximumfactuur, de zorgverzekering).
Door de groei aan commerciële initiatieven wordt in een aantal sectoren of in een aan-tal voorzieningen geen rekening meer gehouden met de draagkracht van de pati-ent/cliënt.
Bijvoorbeeld:
Betaalbaarheid betekent voor het ACW dus:
Iedereen wenst kwalitatief hoogstaande zorg, maar de vraag is wat hieronder verstaan wordt. Objectief meetbare kwaliteit strookt niet altijd met de perceptie van kwaliteit. Het meten van kwaliteit moet dus steeds een combinatie maken tussen objectief meet-bare gegevens en de ervaren kwaliteit. Voor het ACW betekent dat, zowel in de gezondheidszorg als in de welzijnszorg:
specifiek in de gezondheidszorg:
Omgekeerd vrezen we dat:
Dat de zorg voor iedereen toegankelijk is, is voor het ACW cruciaal. Toegankelijkheid is meer dan betaalbaarheid. Het heeft te maken met een voldoende aanbod, een gediffe-rentieerd aanbod, laagdrempeligheid, keuzevrijheid, een regionale spreiding, bereik-baarheid. Bovendien zijn daardoor vraag en aanbod vrij goed op elkaar afgestemd en is er een opwaartse druk op de kwaliteit. In de gezondheidszorg stelt deze problematiek zich anders dan in de welzijnszorg, waar er momenteel een structureel tekort aan plaatsen is.
Voor het ACW betekent toegankelijkheid concreet:
Om de toegankelijkheid te blijven garanderen, moet men volgende zaken vermijden:
De huidige keuze voor non-profitorganisaties zowel voor de uitvoering van de ziekte-verzekering als voor het zorgaanbod (VZW’s, ziekenfonds, openbare diensten) is een duidelijk keuze voor organisaties die in hun missie sociale doelstellingen vooropstellen. De beperking van juridische vormen tot non-profitorganisaties is de beste garantie dat de overheidsmiddelen op zo’n efficiënte en effectieve wijze worden ingezet, dat moge-lijke overschotten of winsten worden geherinvesteerd in de organisatie, dat het alge-meen belang primeert boven het financieel belang, dat de diverse stakeholders aan bod kunnen komen (via sociaal overleg, via bewonersoverleg).
Bovendien hebben non-profitorganisaties, vanuit hun sociale doelstellingen, ook oog voor de zwakkeren in de doelgroep en kunnen zij intern middelen herverdelen ten voordele van de meest kwetsbaren (bijv. ledenbijdrage ziekenfondsen worden ook ge-bruikt voor de uitbouw van Ziekenzorg, moeilijkere doelgroepen komen aan bod door tijdswinst bij lichtere doelgroepen in de thuiszorg, ziekenhuizen verlenen elementaire zorg aan niet-verzekerden, … ).
Deze interne solidariteit binnen organisaties dreigt in een context van commercialise-ring teloor te gaan. Deze specificiteit van sociale of non profitorganisaties is weliswaar niet altijd transparant voor de buitenwereld maar heeft tot nog toe gezorgd in België voor een grote toegankelijkheid van en gelijkheid in de zorg.
Om sociale doelstellingen te laten primeren en te zorgen voor een gelijke toegang tot de zorg voor iedereen moet de terugbetaling van gezondheidskosten zowel in de ver-plichte als de aanvullende ziekteverzekering worden georganiseerd via de mutualitei-ten;
In het zorgaanbod moeten VZW’s of andere niet op winst gerichte organisatievormen de voorkeur krijgen. De nadelen van de vzw-structuur of een openbare instelling wegen niet op tegen de voordelen. Ook in een vzw-structuur of in een openbare instelling moeten voldoende prikkels worden ingebouwd om zo efficiënt en effectief mogelijk te werken en om mee te evolueren met nieuwe behoeften en noden.
T.a.v. commerciële instellingen stellen we vast dat:
Alle instellingen en voorzieningen die met publieke middelen werken zijn ertoe gehou-den om deze op zo’n efficiënt en effectief mogelijke wijze in te zetten. Ze hebben bo-vendien de plicht om hierover verantwoording af te leggen bij de subsidiërende over-heid, tav de beheerders van de sociale zekerheid en tav de gemeenschap. Omgekeerd moet de overheid administratieve overlast en overreglementering vermijden. Een goed en efficiënt beheer betekent voor het ACW:
De overheid beschikt over heel wat instrumenten om het zorgaanbod te sturen en te controleren en op die manier de financierbaarheid, de kwaliteit en de principes van toe-gankelijkheid en betaalbaarheid voor iedereen te blijven garanderen. Deze instrumen-ten moeten gehandhaafd blijven, versterkt en daar waar nodig worden aangepast aan de gewijzigde omstandigheden.
Voor het ACW gaat het om volgende instrumenten:
Het ACW wil dat:
De Europese Commissie startte een consultatieprocedure voor o.a. de sociale partners rond een coördinatie op Europees niveau rond ‘grensoverschrijdende’ gezondheidszorg. Bepaalde vragen zijn zeer technisch specifiek; andere belichten eerder de bevoegdheidsverdeling lidstatelijk vs. EU-niveau. Deze bevraging loopt af op 31/1/2007. Ondertussen moet ook een Vlaams en federaal standpunt hierrond voorbereid worden.
ACW is samen met zijn partnerorganisaties LCM, LBC en KBG verbolgen over de liberale voorstellen ter financiering van rusthuisgebouwen voor de commerciële sector.
De VLD wenst een overheidswaarborg die de bouw van de nieuwe commerciële rusthuizen moet stimuleren. Dit als compensatie voor de versnelde uitvoering van de VIPA-procedure waardoor de gemiddelde wachttijd voor de bouw van publieke en vzw-rusthuizen van 9 jaar teruggebracht zal worden op 2 jaar.
Principieel kant ACW zich tegen elke verdere commercialisering van de rusthuissector. Vlaanderen kent 20 % commerciële rusthuizen die in ongeveer 15 % van de opvang voorzien. Uit onderstaande tabel blijkt dat de commerciële sector -ondanks haar klein marktsegment- veruit het hoogst aantal gegronde klachten in de rusthuissector voor haar rekening blijft nemen.
| Gegronde klachten volgens beheerinstantie in %, rusthuizen |
2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2004 |
| vzw | 34 | 34 | 44 | 53 | 40 |
| openbaar | 23 | 19 | 17 | 8 | 12 |
| particulier niet-vzw | 43 | 47 | 39 | 39 | 48 |
Bron: Jaarverslag 2004 van de rusthuis-infofoon
Faillissementen in de rusthuissector komen quasi steeds uit de commerciële initiatieven. De overheid zal -indien zij voor de waarborg instaat- deze risico’s volledig dragen.
Commerciële rusthuizen moeten naast de kosten die alle voorzieningen moeten doen ook winst uitkeren aan aandeelhouders en investeerders. Dit heeft onvermijdelijk invloed op de prijs-kwaliteit verhouding.
Drie mogelijkheden om toch nog winst te maken:
Prijs-kwaliteit afgemeten in functie van personeelsomkadering (België)
| Gemiddelde dagprijs |
VTE per bed |
Gemiddelde prijs per VTE |
|
| OCMW | 100 | 0,52 | 100 |
| VZW | 106 | 0,51 | 107 |
| Commercieel | 96,8 | 0,32 | 157 |
Bron: SELV (Studie-Eenheid LBC-NVK in VESOFO [Vereniging van de sociaal-economische fondsen in de non-profitsector]), 2002.
Daarom pleit het ACW voor de versterking van de investeringen van de Vlaamse overheid voor de bouw van publieke en vzw-rusthuizen. De verhoging van de beschikbare middelen voor de bouw van zorgvoorzieningen (VIPA) is een politieke en maatschappelijke keuze die moet gemaakt worden om onze kwalitatieve gezondheidszorg voor de huidige en de toekomstige generatie bewoners veilig te stellen.