De toekomst van de dienstencheques

Een gezamenlijk standpunt van ACW, ACV, CM, Familiehulp, OKRA (KAV en KWB)

DUIDING

Vocabularium

Voor een goed begrip van deze nota en de ruimere discussie is het wezenlijk dat iedereen dezelfde terminologie hanteert. We hanteren hier de terminologie zoals omschreven in het decreet op gezinszorg en aanvullende thuiszorg, aangevuld met andere begrippen.

  • Huishoudelijke hulp met dienstencheque (DC).
  • Huishoudelijke hulp i.k.v. aanvullende thuiszorg = huishoudelijke hulp bij mensen in een zorgsituatie waarbij de huishoudhulpen enkel poetsen, maar via opleiding de juiste attitude en omkadering krijgen om te poetsen in een zorgcontext. Gebeurt niet met DC.
  • Gezinszorg = zorgtaken zoals in het decreet omschreven. Worden uitgevoerd door verzorgenden. Tarieven zijn inkomensgerelateerd. DC zijn niet toegelaten.
  • Aanvullende thuiszorg: omvat zowel huishoudelijke hulp en/of oppas en/of karwei, maar geen zorgtaken.
  • Diensten voor Gezinszorg en Aanvullende thuiszorg = volledige naam, volgens decreet.
  • Huishoudelijke hulp in zorgcontext: sluit aan bij de taken die huishoudhulpen doen i.k.v. aanvullende thuiszorg.

Probleemstelling

Het huidige systeem van de dienstencheques werd ingevoerd in 2004 met als doel de gezinnen te ondersteunen bij hun combinatie gezin-arbeid, tewerkstelling te creëren voor (vrouwelijke) werkzoekenden met een lage opleiding en het zwartwerk in de sector wit te wassen. Het systeem heeft de laatste jaren een enorme groei gekend. Anno 2010 maakten in België 760.702 mensen gebruik van dienstencheques en werkten er 136.915 DC-werknemers in deze sector. Het is dus een succesformule zowel op het vlak van tewerkstellingscreatie als op het vlak van ondersteuning van gezinnen.

Toch stellen zich heel wat problemen en vragen die onherroepelijk moeten leiden tot een herdenking van het systeem. De defederalisering van deze bevoegdheid in 2014 is een goed moment voor zo’n fundamentele herdenking.


We geven hier een kort overzicht van de problemen/uitdagingen die zich vandaag stellen:

  • de kostprijs van het hele systeem voor de federale overheid is in 2011 opgelopen tot € 1,41 mia (zonder rekening te houden met de terugverdieneffecten);
  • bij ongewijzigd beleid zou het stelsel volgens de RVA de komende jaren (tot 2015) verder doorgroeien met ca. 50 %, wat de budgettaire kosten dus evenredig laat toenemen;
  • het betreft tot op heden een open budget, zonder limieten. Elke groei wordt gehonoreerd met bijkomende middelen, ten laste van de federale begroting (waarbij het budget voor de RVA wel wordt verminderd met de vermeende terugverdieneffecten, zoals berekend door Idea Consult, maar volgens het rekenwerk van het HIVA overschat); de aanvullende thuiszorg in Vlaanderen werkt daarentegen met een wettelijk vastgelegd urencontingent, dat wettelijk gezien ieder jaar met 4 % zou moeten groeien, maar waar in de realiteit de groei al jaren beperkter is;
  • door de regionalisering van de bevoegdheid komen de kosten voor DC-systeem bij de Vlaamse regering te liggen. Het federale budget wordt voor 90 % overgeheveld, maar de verdere groei zal binnen de Vlaamse begroting moeten worden opgevangen;
  • daar waar het stelsel initieel eerder was bedoeld voor de ondersteuning van buitenhuiswerkende gezinnen, stellen we vast dat een belangrijke doelgroep vandaag bestaat uit gezinnen van niet-actieven;
  • het systeem van de dienstencheques leunt, daar waar het gaat om ondersteuning van zorgbehoevende gezinnen, in de praktijk sterk aan bij de aanvullende thuiszorg en gezinszorg. De grijze zone tussen beide systemen groeit waarbij DC-werknemers meer en meer zorgtaken opnemen bij klanten, in het bijzonder bij bejaarden en gehandicapten. Dit is een sluipende manier van commercialisering van de gezinszorg en aanvullende thuiszorg en een ondermijning van de kwaliteit van de aanvullende thuiszorg;
  • de tariefsystemen in DC en in de aanvullende thuiszorg zijn niet op elkaar afgestemd, waardoor klanten moeilijker de overstap van huishoudelijke hulp met DC naar aanvullende thuiszorg (AT) maken, omdat de aanvullende thuiszorg voor sommige cliënten fors duurder is;
  • alle DC-ondernemingen krijgen dezelfde overheidstussenkomst per DC, hoewel de kostenstructuur niet overal hetzelfde is. Hierdoor zijn sommige DC-ondernemingen niet leefbaar en andere wel. Inmiddels is wel de wettelijke basis gecreëerd voor een differentiatie van de subsidiëring, in uitvoering voor het federale regeerakkoord;
  • er is de laatste jaren een zeer sterke groei aan nieuwe DC-ondernemingen, meestal bij de handelsvennootschappen en natuurlijke personen;
  • een aantal bedrijven nemen een loopje met de loon- en arbeidsvoorwaarden van het personeel (deeltijdse en beperkte contracten, geen vergoedingen voor verplaatsingskosten,…).

Discussievragen

Het mag duidelijk zijn dat bovengestelde problemen/uitdagingen veel vragen oproepen, waar best een antwoord op gezocht wordt alvorens het systeem geregionaliseerd wordt.

De discussievragen die zich stellen zijn:

  1. aan welk beleidsdomein worden de DC in Vlaanderen toegekend?
  2. aanhouden van een open budget of werken met een gesloten budget?
  3. kan het budget de komende jaren nog verder groeien?
  4. is huishoudelijke hulp met DC bij gezinnen in functie van een betere combinatie gezin-arbeid nog een prioriteit? Kunnen/moeten we dit afwegen tegen de snelle vergrijzing van de bevolking en de stijgende nood aan thuiszorg?
  5. kan het takenpakket dat met DC betaald wordt, uitgebreid worden?
  6. hoe de zeer sterke groei aan ondernemingen onder controle brengen?
  7. kunnen de DC ook ingezet worden voor de financiering van de huishoudelijke hulp via diensten voor aanvullende thuiszorg?
  8. is er nog een wezenlijk onderscheid tussen huishoudelijke hulp via DC en huishoudelijke hulp via aanvullende thuiszorg?
  9. krijgen DC-ondernemingen de mogelijkheid om zich te organiseren op aanvullende thuiszorg (met bijhorende kwaliteitsgaranties)?
  10. moeten de tarieven voor huishoudelijke hulp met DC niet beter afgestemd worden op tarieven in de gezinszorg en aanvullende thuiszorg?

STANDPUNT

De adhoc-werkgroep Dienstencheques van het ACW is van mening dat het systeem grondig herdacht moet worden om het betaalbaar te houden voor de overheid, leefbaar voor de DC-ondernemingen, toegankelijk voor de gebruikers, toegespitst op de doelgroepen met de sterkste nood aan ondersteuning en werkbaar voor de werknemers. Het DC-systeem kan echter onmogelijk los gezien worden van maatschappelijke ontwikkelingen zoals de vergrijzing, de evolutie van de overheidsbegrotingen en de trend naar langer werken, noch van de beleidsontwikkelingen op andere domeinen zoals de aanvullende thuiszorg, de ouderenzorg en de kinderopvang. Als aan de mensen op actieve leeftijd gevraagd wordt langer te blijven werken, neemt de mantelzorg af en zal er ontegensprekelijk meer nood zijn aan professionele ondersteuning voor de ouder wordende bevolking.

Tweesporenbeleid

Vandaag stellen we vast dat de dienstencheques een veel ruimer publiek bereiken dan de doelgroep die initieel was bedoeld: ondersteuning van buitenhuiswerkende gezinnen. Een belangrijke doelgroep bestaat vandaag uit niet-actieve gezinnen, in het bijzonder deze die behoefte hebben aan extra hulp in het huishouden. Daardoor is federaal een parallel beleid van ondersteuning van gezinnen gegroeid dat sterk interfereert met het beleid van de Gemeenschappen naar zorgbehoevende gezinnen. De defederalisering is een opportuniteit om opnieuw orde op zaken te stellen, met:

  • een duidelijk onderscheid tussen de dienstencheques als ondersteuning van buitenhuiswerkende gezinnen, als onderdeel van het arbeidsmarktbeleid, enerzijds, en de ondersteuning van gezinnen vanuit welzijnsoogpunt, anderzijds;
  • voor wat betreft de welzijnsdoelstellingen het uittekenen van een geïntegreerd en samenhangend beleid, dat een einde maakt aan het parallelle en vandaag ook contradictoire beleid vanuit het Vlaamse beleidsdomein Welzijn aan de ene kant en het federale beleidsdomein Werk aan de andere kant.

Uit deze benadering vloeit voor dat bij de defederalisering van de dienstencheques het budget dat naar Vlaanderen overkomt volgens een bepaalde verdeelsleutel:

  • deels wordt toegewezen aan het beleidsdomein Werk en Sociale Economie om daar te worden ingeschakeld in het globale beleid ter ondersteuning van buitenhuiswerkende gezinnen (zie punt 2.2);
  • voor het andere deel wordt toegewezen aan het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, om daar bij voorrang te worden benut voor een vernieuwd en versterkt beleid ter ondersteuning van gezinnen met bijzondere zorgbehoeften (zie punt 2.3.).

Het Vlaamse DC-systeem

Het budget

Na een defederalisering moet een verdere groei van de uitgaven voor DC sterk ingeperkt worden. Het “open end”-beleid dat het federale beleid jarenlang kenmerkte, is niet houdbaar. Het zou de toekomstige beleidsruimte in Vlaanderen voor een groot deel opsouperen.

Een verdere sterke groei van het budget is op korte termijn niet alleen onhaalbaar (gezien de sanering van de overheidsbegrotingen), maar volgens het ACW ook onwenselijk (gezien de noden op andere terreinen).

Het ACW kiest voor het behoud van het DC-systeem, maar sterker toegespitst op de ondersteuning van huishoudelijke hulp i.k.v. de combinatie gezin en arbeid of de ondersteuning van gezinnen. De DC kunnen niet structureel worden ingezet in een zorgcontext, noch worden ingeschakeld in de aanvullende thuiszorg of gezinszorg (zie verder).

Om het budget van de DC onder controle te krijgen, stelt het ACW:

  • op korte termijn: enkel indexering van het budget;
  • op middellange termijn: een geprogrammeerd groeipad dat is afgestemd op de groei in de aanvullende thuiszorg, de gezinszorg en de kinderopvang;
  • de indexering van het gebruikerstarief van een DC;
  • geen bijkomende activiteiten;
  • binnen het huidige budget een gedifferentieerd tariefbeleid te voeren, waarbij elk gezin 4 uur per week aan 8,5 euro per DC kan kopen (= 208 uur per gezin i.p.v. 500 u. per persoon en 1 000 u. per gezin nu);
  • indien men bijkomende DC wenst te kopen dient men een hoger tarief te betalen ofwel deze wens te verantwoorden omwille van een specifieke zorgvraag (bv. gehandicapt kind, groeiende zorgnood);
  • degressieve afbouw van de fiscale aftrek tot een forfaitair minimum.

Het arbeidsmarktbeleid

De dienstencheques hadden indertijd met name de bedoeling gezinnen te ondersteunen waar beide partners uit werken gingen (of in geval van eenoudergezinnen de alleenstaande ouder te ondersteunen).

De andere oorspronkelijke doelstellingen van het dienstenchequesysteem waren het creëren van arbeidsplaatsen voor laaggeschoolde vrouwen en het witten van zwartwerk. De statistieken tonen duidelijk aan dat de werkloosheid onder laaggeschoolde vrouwen sterk is gedaald. Toch komen niet alleen werkzoekenden in het systeem terecht. Het oefent ook een aantrekkingskracht uit op vrouwen die reeds elders tewerkgesteld waren en op vrouwen uit andere (oost-)Europese landen en zelfs op asielzoekers die toelating hebben om te werken. De federale regering zal daarom in uitvoering van het regeerakkoord 2011 de dienstenchequebedrijven verplichten voor 60 % van de vacatures uitkeringsgerechtigde werklozen en leefloongerechtigden in te schakelen.

In het licht van een toekomstgericht arbeidsmarkt beleid stelt het ACW voor:

  • dat de wijziging van het DC-systeem geleidelijk aan gebeurt zodat zowel de werkzoekenden en de werknemers als de DC-ondernemingen de tijd krijgen om zich aan te passen;
  • dat er voldoende ruimte wordt gecreëerd om ook voor de DC-werknemers de loon- en arbeidsvoorwaarden te verbeteren en de daarmee verbonden koopkracht te verhogen. Daarbij denken we aan een indexering van de cliëntbijdrage;
  • dat er middelen voor opleiding en omkadering voorzien worden zodat een deel van de DC-werknemers kan omgeschoold worden tot huishoudelijke hulp in aanvullende thuiszorg.

Het ondernemerschap

Het aantal DC-ondernemingen is de laatste jaren spectaculair gegroeid. Dat stelt problemen van beheersbaarheid, controle door de overheid, leefbaarheid. Het ACW is hier vragende partij voor een evolutie naar ‘minder, maar betere DC-ondernemingen’.

Het ACW stelt voor:

  • oog te hebben voor de leefbaarheid van de DC-ondernemingen. Niet alle ondernemingen bieden dezelfde loon- en arbeidsvoorwaarden. Toch krijgt iedereen dezelfde overheidsondersteuning. Het ACW pleit voor een meer gedifferentieerde overheidssubsidie i.f.v. inspanningen voor kwaliteit, vorming en opleiding, absenteïsmebeleid en MVO (= Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen) en voor een duidelijke omschrijving welke kosten bijkomend aan de klanten mogen worden aangerekend;
  • de ondernemingen in te schakelen in het MVO-beleid van de Vlaamse regering: een beleid van MVO, dat zowel economische, sociale als ecologische doelstellingen nastreeft. Dat veronderstelt duidelijke subsidiëringsnormen voor DC-ondernemingen die een erkenning aanvragen;
  • minstens de huidige erkenningsvoorwaarden, ook degene die recent zijn toegevoegd, te behouden in het Vlaamse DC-stelsel.

Rol van de sociale partners

Vandaag spelen de sociale partners een belangrijke rol in het beheer van de dienstencheques. Zo zijn ze betrokken in het medebeheer van de middelen via de RSZ en bij de erkenning van de dienstenondernemingen via de adviescommissie in de schoot van de RVA.

Ook in een geregionaliseerd stelsel moeten de sociale partners betrokken worden bij het medebeheer van het dienstenchequestelsel en de erkenning van de dienstencheque-ondernemingen.

De verdere uitbouw van de aanvullende thuiszorg

Herneming wettelijk vastgelegd groeipad

Aangezien de groei in de aanvullende thuiszorg al enkele jaren geblokkeerd is, moet een deel van het budget voor de DC meteen worden ingezet voor een inhaaloperatie in de aanvullende thuiszorg en een herneming van het wettelijk vastgelegde groeipad dat gelijke tred houdt met de gezinszorg. Deze groei is nodig om de druk op of de overflow naar het DC-systeem, enerzijds, en de residentiële zorg, anderzijds, te verminderen. De sector van de DC moet wel voldoende tijd krijgen om zich hierop te heroriënteren.

Het budget voor de aanvullende thuiszorg moet rekening houden met een aantal parameters, zoals:

  • de omvang van de vergrijzing en het groeiritme;
  • de wachtlijsten;
  • de verhouding met de gezinszorg en de residentiële zorg;
  • de loon- en arbeidsvoorwaarden van personeel tewerkgesteld in zorgsituaties;
  • de kosten voor omkadering, begeleiding en opleiding van het personeel tewerkgesteld in zorgsituaties.

Grijze zone aanpakken

Het ACW wenst een duidelijk onderscheid te maken tussen huishoudelijke hulp met DC, die ook in de toekomst door commerciële actoren kan worden uitgeoefend en de huishoudelijke hulp bij zorgbehoevenden via aanvullende thuiszorg, die enkel door erkende diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg kan gebeuren. Het ACW wil geen sluipende commercialisering van de gezinszorg en van de aanvullende thuiszorg via DC.

Het probleem stelt zich echter in de grijze zone tussen huishoudelijke hulp met DC en huishoudelijke hulp in een (beginnende) zorgsituatie, waarbij noch DC-ondernemingen, noch cliënten gebaat zijn bij een overstap van huishoudelijke hulp met DC naar aanvullende thuiszorg. Daar zijn verschillende redenen voor: de DC-onderneming die niet erkend is als aanvullende thuiszorgdienst verliest een klant, de gebruiker verliest een vertrouwde huishoudster. Bovendien kan de kostprijs voor een uur zorg sterk stijgen, afhankelijk van het inkomen. Daardoor krijgen mensen met een zorgbehoefte niet altijd de meest adequate en kwaliteitsvolle hulp.

Om de grens tussen huishoudelijke hulp en aanvullende thuiszorg te verduidelijken en de overgang te vergemakkelijken stelt het ACW:

  • iedere gebruiker, ook zij met een zorgbehoefte, moet vrij zijn huishoudelijke hulp kunnen kiezen. Maar zodra er een reële zorgbehoefte ontstaat, kan de cliënt een indicatiestelling ondergaan (op vraag van de cliënt, zijn familie of op vraag van het DC-bedrijf) die het recht opent op aanvullende thuiszorg. Op dat moment zal de gebruiker gestimuleerd worden om gebruik te maken van de aanvullende thuiszorg.
  • om de overstap door de klant van DC naar aanvullende thuiszorg te maken zal de gebruiker financieel gestimuleerd moeten worden. De financiële prikkel bestaat erin dat de kostprijs voor ’huishoudelijke hulp in een zorgomgeving’ (= via aanvullende thuiszorg) wordt opgenomen in het zorgbudget en in de maximumfactuur voor niet-medische kosten;
  • de aanbieder van aanvullende thuiszorg krijgt een extra overheidstussenkomst om extra opleiding en extra omkadering te voorzien voor de huishoudhulpen die omschakelen van huishoudhulp naar aanvullende thuiszorg, zodat ze voorbereid zijn om in een zorgomgeving te werken. Op die manier kan de kwaliteit van de huishoudelijke hulp worden verhoogd en worden aangepast aan de zorgcontext;
  • de indicatiestelling moet gebeuren door een dienst die erkend is door de Vlaamse regering.

  Samenstelling ad hoc werkgroep: Familiehulp, ACV, ACV Voeding en Diensten, OKRA, CM, KAV en ACW

De PWA na de regionalisering

Visietekst, goedgekeurd door ACW – bestuur op 21 juni 2012

Context

  • PWA is tot op heden federale bevoegdheid en wordt vanaf 2014 regionale bevoegdheid
  • Toegankelijk voor alle werkzoekenden die 2 jaar werkzoekend zijn (of 6 mnd voor 45-plussers) en voor leefloners. Ze mogen max. 45u per maand actief zijn in PWA. Per gewerkt uur ontvangen zij een vergoeding van 4,1 euro, bovenop hun werkloosheidsvergoeding.
  • Lokaal georganiseerd en tripartite beheerd.
  • Vandaag nog 19.000 PWA-ers actief, waarvan 8782 in het Vlaams Gewest en 1748 in het BHG.
  • Gemiddeld presteert een PWA-werknemer 32,4 uur per maand.
    61 % van de PWA-uren wordt gepresteerd bij lokale overheden, scholen en lokale vzw’s. 26 % van de PWA-werknemers zijn actief bij particulieren (huishouden, tuinonderhoud of oppas kinderen).
  • Over te dragen middelen naar Vlaanderen (geschat): 19,8 mio voor PWA-beambten en werkingskosten.
  • Afspraak is dat federale overheid de financiering van de werkloosheidsuitkeringen van de PWA-werknemers verder zal zetten, beperkt tot het huidig aantal gerechtigden per gewest.

Mogelijke scenario’s

  1. Stopzetting PWA zonder alternatieven voor de doelgroep.
  2. Verderzetting PWA met huidig aantal PWA-werknemers (behoud instroom ifv uitstroom).
  3. Verderzetting PWA met huidig aantal PWA-werknemers, maar zonder nieuwe instroom (= uitdoofscenario).
  4. Opheffing PWA en inschuiving in Vlaamse sociale economie.

Ontwerpstandpunt ACW

Krachtlijnen

1. De PWA moet geïntegreerd worden in het Vlaamse arbeidsmarktbeleid en in de Vlaamse sociale economie.

Vandaag staat de organisatie van de PWA haaks op de organisatie van de Vlaamse sociale economie. De PWA is noch georganiseerd volgens activiteit, noch volgens doelgroep. Bovendien blijven de PWA-werknemers officieel werkzoekende met behoud van hun werkloosheidsuitkering en krijgen ze daarbovenop een vergoeding. Tot slot is ook het aantal uren per maand gelimiteerd. Enkel in de Vlaamse arbeidszorg bestaat een gelijkaardig systeem (behoud uitkering + 1 euro per ‘gewerkt’ uur).

Het ACW wenst dat de PWA geleidelijk aan ingeschoven wordt in de Vlaamse sociale economie. Dat is geen evidentie en veronderstelt  een aantal wijzigingen, zoals :

  • Een overstap van de PWA-werknemers naar een volwaardig arbeidscontract (in de sociale economie) of naar arbeidszorg;
  • Een verhoging van het aantal gewerkte uren door de PWA-werknemers (minimum arbeidscontract is 13 uur per week) of onbezoldigd;
  • Toegang van de PWA-werknemers tot een inkomensgarantie-uitkering;
  • Een screening van elke PWA-werknemers op zijn/haar competenties en zijn/haar afstand tot de arbeidsmarkt.

2. Er moet dringend een onderzoek komen naar het profiel van de PWA-werknemers, zodat de overstap naar de Vlaamse arbeidsmarkt succesvol kan georganiseerd worden.

Vandaag is er geen goed zicht op het profiel van de PWA-werknemers. De meerderheid is boven de 50 jaar, maar het is onduidelijk of het voor deze doelgroep haalbaar is meer uren per week (min. 13u) te werken. De instroomcriteria laten vermoeden van wel, omdat de instroom in PWA vandaag automatisch gebeurt na 2 jaar werkloosheid of na 6 maanden voor wie ouder is dan 45 jaar. Leefloners kunnen zich vrijwillig inschrijven.

De PWA-ers die meer uren aankunnen moeten kunnen doorstromen naar lokale diensteneconomie of sociale werkplaatsen. Voor de PWA-ers voor wie meer arbeidsuren onmogelijk is, moeten oplossingen gezocht worden binnen arbeidszorg, de toekomstige W²-trajecten. Dit biedt ook een oplossing voor de kleine jobs van enkele uren per week

Om de overgang goed te kunnen voorbereiden is het nodig een duidelijk zicht te hebben op het huidige profiel van de PWA-werknemers.

3. Er moet voor alle PWA- werknemers een oplossing gezocht worden. Werkzekerheid en continuïteit van de activiteit zijn prioritair

Vandaag zijn in Vlaanderen nog bijna 9.000 mensen actief in de PWA, waarvan 79 % ouder is dan 50 jaar en 67 % vrouwen (à rato van 32,5 uur per maand). Een doorstroming naar de sociale economie vergt een aanzienlijk groeipad in de diverse werkvormen. Zolang er geen oplossing is ivm de uitbreiding van de andere sociale economie vormen, zoals LDE, sociale werkplaatsen of arbeidszorg, moet de PWA-activiteit worden verdergezet. Het ACW wil geen plotse stopzetting van de PWA zonder volwaardig alternatief voor de PWA-werknemers.

Daarnaast moeten ook de andere kandidaten voor een job in de sociale economie niet uit het oog verloren worden. Naast de overheveling van PWA naar sociale economie moet ook nog een netto-aangroei mogelijk zijn.

4. De Vlaamse overheid moet per werkvorm in de SE een groeipad uittekenen om de PWA-werknemers op te nemen

In functie van het profiel van de huidige PWA-werknemers kan bepaald worden hoeveel PWA-ers kunnen doorschuiven naar de lokale diensteneconomie. Deze werkvorm sluit qua activiteiten en profiel van de doelgroepwerknemers het dichtste aan bij de PWA. Een verschuiving van bijna 9.000 PWA-ers naar LDE met 1700 werknemers is echter een aanzienlijke operatie. De Vlaamse overheid moet dus tijdig een groeipad uittekenen binnen LDE.

Om deze overstap vlot te laten verlopen stelt het ACW voor dat:

  • de bestaande PWA-bedrijven zich omvormen tot een LDE of aansluiten bij bestaande LDE-projecten. Op die manier kan ook het bestaande takenpakket in de PWA mee opgenomen worden in de LDE;
  • de criteria voor instroom in LDE worden aangepast. Vandaag kunnen enkel werkzoekenden met max diploma hoger secundair onderwijs en 1 jaar inschrijving in de VDAB terecht in LDE. Dit zou moeten opengesteld worden voor alle (bestaande) PWA-werknemers (ongeacht diplomaniveau).

Voor een deel van de PWA-werknemers zal LDE geen oplossing bieden. Wanneer hun afstand tot de arbeidsmarkt te groot is of wanneer zij onmogelijk meer dan 45u per maand actief kunnen zijn, biedt arbeidszorg (of W²) mogelijks (tijdelijk) een uitkomst. Een screening door de VDAB/GTB moet dit bepalen. Ook bepaalde PWA-kantoren zouden een deel van hun activiteiten kunnen omvormen tot W²-werkvloeren. Op die manier kunnen de PWA-activiteiten voor deze PWA-werknemers worden gecontinueerd.

5. De Vlaamse overheid moet de komende jaren de nodige middelen reserveren om de overgang van PWA naar de Vlaamse arbeidsmarkt te financieren

Het PWA-stelsel wordt vandaag volledig gefinancierd door de federale overheid (werkloosheidsuitkering en PWA-beambten). Na de regionalisering zullen de middelen voor de PWA-beambten worden overgeheveld, maar de middelen voor de betaling van de PWA-werknemers niet. De federale overheid is wel bereid de financiering van de werkloosheidsuitkering van de huidige groep PWA-werknemers voort te zetten.

Deze afspraak bevat echter een enorme valkuil. Zolang de Vlaamse overheid de PWA-werking verderzet, gebeurt de financiering door de federale overheid. Op het moment dat de Vlaamse overheid de PWA wil inschuiven in haar eigen arbeidsmarktbeleid, moet ze zelf instaan voor de financiering van de loonkost.  We spreken daarbij over een budget van ongeveer 85 à 90 mio euro.

Het ACW stelt voor dat de federale overheid in een overgangsfase de federale werkloosheidsuitkeringen ook inzet in de Gewesten die de PWA-werknemers laten doorschuiven naar andere stelsels. Tijdens deze overgangsfase worden de federale middelen geleidelijk afgebouwd en krijgen de Gewesten de tijd een groeipad in de sociale economie uit te bouwen.

6. De taak en de rol van de PWA-beambten

Op basis van de krachtlijnen kunnen we ook een toekomst voor de PWA-kantoren en de PWA-beambten uittekenen. Gezien de omvang van de doelgroep en van de bestaande PWA-activiteiten stelt het ACW voor dat:

  • de bestaande PWA-kantoren nagaan of ze zich kunnen omvormen tot een LDE (de financiering van de PWA-beambten kan mee ingezet worden in de klaverbladfinanciering). Per gemeente moet worden nagegaan of het PWA-kantoor aansluiting kan vinden bij een bestaande LDE, dan wel aansluit bij een naburig PWA-kantoor teneinde een voldoende schaalgrootte te realiseren;
  • een deel van de activiteiten om te vormen tot arbeidszorg/W²-werkvloer, in functie van het aantal PWA-werknemers die overstappen naar een W²-traject en in functie van een aantal kleine taken die niet kunnen omgezet worden naar volwaardige banen (bv. middagopvang op school, sneeuw of bladeren ruimen, …).

Er is in ieder geval snel duidelijkheid nodig over de toekomst van de PWA om de huidige PWA-kantoren en het lokaal overleg daaromtrent voldoende dynamisch en betrokken te houden.

7. Herdynamiseren tripartite overleg op lokaal niveau

De sociale partners zijn vandaag actief betrokken bij het beheer van de PWA-kantoren. Een overheveling van PWA naar LDE maakt het model van tripartite beheer wellicht moeilijk houdbaar. Nochtans heeft dit tripartite overleg een duidelijke meerwaarde op lokaal niveau. Het ACW stelt dan ook voor om het tripartite overleg via de lokale en/of subregionale tewerkstellingsfora te herdynamiseren en dit op het meest efficiënte beleidsniveau.

8. De toekomst van de PWA in Brussel

Ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn er nog 1748 PWA-ers actief. Aangezien de bevoegdheid wordt overgedragen aan de gewesten, zal het BHG in de toekomst moeten bepalen wat er met de PWA-werknemers zal gebeuren.

Het ACW wenst in ieder geval dezelfde redenering aan te houden als voor het Vlaams Gewest en stelt voor dat de Brusselse regering opteert voor een inschuifoperatie in de Brusselse inschakelingseconomie.

Contact opnemen

  • beweging.net - algemeen secretariaat
    Postbus 20 - 1031 Brussel
    tel. 02 246 31 11
    e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • Wegbeschrijving