De toekomst van de dienstencheques

Een gezamenlijk standpunt van ACW, ACV, CM, Familiehulp, OKRA (KAV en KWB)

DUIDING

Vocabularium

Voor een goed begrip van deze nota en de ruimere discussie is het wezenlijk dat iedereen dezelfde terminologie hanteert. We hanteren hier de terminologie zoals omschreven in het decreet op gezinszorg en aanvullende thuiszorg, aangevuld met andere begrippen.

  • Huishoudelijke hulp met dienstencheque (DC).
  • Huishoudelijke hulp i.k.v. aanvullende thuiszorg = huishoudelijke hulp bij mensen in een zorgsituatie waarbij de huishoudhulpen enkel poetsen, maar via opleiding de juiste attitude en omkadering krijgen om te poetsen in een zorgcontext. Gebeurt niet met DC.
  • Gezinszorg = zorgtaken zoals in het decreet omschreven. Worden uitgevoerd door verzorgenden. Tarieven zijn inkomensgerelateerd. DC zijn niet toegelaten.
  • Aanvullende thuiszorg: omvat zowel huishoudelijke hulp en/of oppas en/of karwei, maar geen zorgtaken.
  • Diensten voor Gezinszorg en Aanvullende thuiszorg = volledige naam, volgens decreet.
  • Huishoudelijke hulp in zorgcontext: sluit aan bij de taken die huishoudhulpen doen i.k.v. aanvullende thuiszorg.

Probleemstelling

Het huidige systeem van de dienstencheques werd ingevoerd in 2004 met als doel de gezinnen te ondersteunen bij hun combinatie gezin-arbeid, tewerkstelling te creëren voor (vrouwelijke) werkzoekenden met een lage opleiding en het zwartwerk in de sector wit te wassen. Het systeem heeft de laatste jaren een enorme groei gekend. Anno 2010 maakten in België 760.702 mensen gebruik van dienstencheques en werkten er 136.915 DC-werknemers in deze sector. Het is dus een succesformule zowel op het vlak van tewerkstellingscreatie als op het vlak van ondersteuning van gezinnen.

Toch stellen zich heel wat problemen en vragen die onherroepelijk moeten leiden tot een herdenking van het systeem. De defederalisering van deze bevoegdheid in 2014 is een goed moment voor zo’n fundamentele herdenking.


We geven hier een kort overzicht van de problemen/uitdagingen die zich vandaag stellen:

  • de kostprijs van het hele systeem voor de federale overheid is in 2011 opgelopen tot € 1,41 mia (zonder rekening te houden met de terugverdieneffecten);
  • bij ongewijzigd beleid zou het stelsel volgens de RVA de komende jaren (tot 2015) verder doorgroeien met ca. 50 %, wat de budgettaire kosten dus evenredig laat toenemen;
  • het betreft tot op heden een open budget, zonder limieten. Elke groei wordt gehonoreerd met bijkomende middelen, ten laste van de federale begroting (waarbij het budget voor de RVA wel wordt verminderd met de vermeende terugverdieneffecten, zoals berekend door Idea Consult, maar volgens het rekenwerk van het HIVA overschat); de aanvullende thuiszorg in Vlaanderen werkt daarentegen met een wettelijk vastgelegd urencontingent, dat wettelijk gezien ieder jaar met 4 % zou moeten groeien, maar waar in de realiteit de groei al jaren beperkter is;
  • door de regionalisering van de bevoegdheid komen de kosten voor DC-systeem bij de Vlaamse regering te liggen. Het federale budget wordt voor 90 % overgeheveld, maar de verdere groei zal binnen de Vlaamse begroting moeten worden opgevangen;
  • daar waar het stelsel initieel eerder was bedoeld voor de ondersteuning van buitenhuiswerkende gezinnen, stellen we vast dat een belangrijke doelgroep vandaag bestaat uit gezinnen van niet-actieven;
  • het systeem van de dienstencheques leunt, daar waar het gaat om ondersteuning van zorgbehoevende gezinnen, in de praktijk sterk aan bij de aanvullende thuiszorg en gezinszorg. De grijze zone tussen beide systemen groeit waarbij DC-werknemers meer en meer zorgtaken opnemen bij klanten, in het bijzonder bij bejaarden en gehandicapten. Dit is een sluipende manier van commercialisering van de gezinszorg en aanvullende thuiszorg en een ondermijning van de kwaliteit van de aanvullende thuiszorg;
  • de tariefsystemen in DC en in de aanvullende thuiszorg zijn niet op elkaar afgestemd, waardoor klanten moeilijker de overstap van huishoudelijke hulp met DC naar aanvullende thuiszorg (AT) maken, omdat de aanvullende thuiszorg voor sommige cliënten fors duurder is;
  • alle DC-ondernemingen krijgen dezelfde overheidstussenkomst per DC, hoewel de kostenstructuur niet overal hetzelfde is. Hierdoor zijn sommige DC-ondernemingen niet leefbaar en andere wel. Inmiddels is wel de wettelijke basis gecreëerd voor een differentiatie van de subsidiëring, in uitvoering voor het federale regeerakkoord;
  • er is de laatste jaren een zeer sterke groei aan nieuwe DC-ondernemingen, meestal bij de handelsvennootschappen en natuurlijke personen;
  • een aantal bedrijven nemen een loopje met de loon- en arbeidsvoorwaarden van het personeel (deeltijdse en beperkte contracten, geen vergoedingen voor verplaatsingskosten,…).

Discussievragen

Het mag duidelijk zijn dat bovengestelde problemen/uitdagingen veel vragen oproepen, waar best een antwoord op gezocht wordt alvorens het systeem geregionaliseerd wordt.

De discussievragen die zich stellen zijn:

  1. aan welk beleidsdomein worden de DC in Vlaanderen toegekend?
  2. aanhouden van een open budget of werken met een gesloten budget?
  3. kan het budget de komende jaren nog verder groeien?
  4. is huishoudelijke hulp met DC bij gezinnen in functie van een betere combinatie gezin-arbeid nog een prioriteit? Kunnen/moeten we dit afwegen tegen de snelle vergrijzing van de bevolking en de stijgende nood aan thuiszorg?
  5. kan het takenpakket dat met DC betaald wordt, uitgebreid worden?
  6. hoe de zeer sterke groei aan ondernemingen onder controle brengen?
  7. kunnen de DC ook ingezet worden voor de financiering van de huishoudelijke hulp via diensten voor aanvullende thuiszorg?
  8. is er nog een wezenlijk onderscheid tussen huishoudelijke hulp via DC en huishoudelijke hulp via aanvullende thuiszorg?
  9. krijgen DC-ondernemingen de mogelijkheid om zich te organiseren op aanvullende thuiszorg (met bijhorende kwaliteitsgaranties)?
  10. moeten de tarieven voor huishoudelijke hulp met DC niet beter afgestemd worden op tarieven in de gezinszorg en aanvullende thuiszorg?

STANDPUNT

De adhoc-werkgroep Dienstencheques van het ACW is van mening dat het systeem grondig herdacht moet worden om het betaalbaar te houden voor de overheid, leefbaar voor de DC-ondernemingen, toegankelijk voor de gebruikers, toegespitst op de doelgroepen met de sterkste nood aan ondersteuning en werkbaar voor de werknemers. Het DC-systeem kan echter onmogelijk los gezien worden van maatschappelijke ontwikkelingen zoals de vergrijzing, de evolutie van de overheidsbegrotingen en de trend naar langer werken, noch van de beleidsontwikkelingen op andere domeinen zoals de aanvullende thuiszorg, de ouderenzorg en de kinderopvang. Als aan de mensen op actieve leeftijd gevraagd wordt langer te blijven werken, neemt de mantelzorg af en zal er ontegensprekelijk meer nood zijn aan professionele ondersteuning voor de ouder wordende bevolking.

Tweesporenbeleid

Vandaag stellen we vast dat de dienstencheques een veel ruimer publiek bereiken dan de doelgroep die initieel was bedoeld: ondersteuning van buitenhuiswerkende gezinnen. Een belangrijke doelgroep bestaat vandaag uit niet-actieve gezinnen, in het bijzonder deze die behoefte hebben aan extra hulp in het huishouden. Daardoor is federaal een parallel beleid van ondersteuning van gezinnen gegroeid dat sterk interfereert met het beleid van de Gemeenschappen naar zorgbehoevende gezinnen. De defederalisering is een opportuniteit om opnieuw orde op zaken te stellen, met:

  • een duidelijk onderscheid tussen de dienstencheques als ondersteuning van buitenhuiswerkende gezinnen, als onderdeel van het arbeidsmarktbeleid, enerzijds, en de ondersteuning van gezinnen vanuit welzijnsoogpunt, anderzijds;
  • voor wat betreft de welzijnsdoelstellingen het uittekenen van een geïntegreerd en samenhangend beleid, dat een einde maakt aan het parallelle en vandaag ook contradictoire beleid vanuit het Vlaamse beleidsdomein Welzijn aan de ene kant en het federale beleidsdomein Werk aan de andere kant.

Uit deze benadering vloeit voor dat bij de defederalisering van de dienstencheques het budget dat naar Vlaanderen overkomt volgens een bepaalde verdeelsleutel:

  • deels wordt toegewezen aan het beleidsdomein Werk en Sociale Economie om daar te worden ingeschakeld in het globale beleid ter ondersteuning van buitenhuiswerkende gezinnen (zie punt 2.2);
  • voor het andere deel wordt toegewezen aan het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, om daar bij voorrang te worden benut voor een vernieuwd en versterkt beleid ter ondersteuning van gezinnen met bijzondere zorgbehoeften (zie punt 2.3.).

Het Vlaamse DC-systeem

Het budget

Na een defederalisering moet een verdere groei van de uitgaven voor DC sterk ingeperkt worden. Het “open end”-beleid dat het federale beleid jarenlang kenmerkte, is niet houdbaar. Het zou de toekomstige beleidsruimte in Vlaanderen voor een groot deel opsouperen.

Een verdere sterke groei van het budget is op korte termijn niet alleen onhaalbaar (gezien de sanering van de overheidsbegrotingen), maar volgens het ACW ook onwenselijk (gezien de noden op andere terreinen).

Het ACW kiest voor het behoud van het DC-systeem, maar sterker toegespitst op de ondersteuning van huishoudelijke hulp i.k.v. de combinatie gezin en arbeid of de ondersteuning van gezinnen. De DC kunnen niet structureel worden ingezet in een zorgcontext, noch worden ingeschakeld in de aanvullende thuiszorg of gezinszorg (zie verder).

Om het budget van de DC onder controle te krijgen, stelt het ACW:

  • op korte termijn: enkel indexering van het budget;
  • op middellange termijn: een geprogrammeerd groeipad dat is afgestemd op de groei in de aanvullende thuiszorg, de gezinszorg en de kinderopvang;
  • de indexering van het gebruikerstarief van een DC;
  • geen bijkomende activiteiten;
  • binnen het huidige budget een gedifferentieerd tariefbeleid te voeren, waarbij elk gezin 4 uur per week aan 8,5 euro per DC kan kopen (= 208 uur per gezin i.p.v. 500 u. per persoon en 1 000 u. per gezin nu);
  • indien men bijkomende DC wenst te kopen dient men een hoger tarief te betalen ofwel deze wens te verantwoorden omwille van een specifieke zorgvraag (bv. gehandicapt kind, groeiende zorgnood);
  • degressieve afbouw van de fiscale aftrek tot een forfaitair minimum.

Het arbeidsmarktbeleid

De dienstencheques hadden indertijd met name de bedoeling gezinnen te ondersteunen waar beide partners uit werken gingen (of in geval van eenoudergezinnen de alleenstaande ouder te ondersteunen).

De andere oorspronkelijke doelstellingen van het dienstenchequesysteem waren het creëren van arbeidsplaatsen voor laaggeschoolde vrouwen en het witten van zwartwerk. De statistieken tonen duidelijk aan dat de werkloosheid onder laaggeschoolde vrouwen sterk is gedaald. Toch komen niet alleen werkzoekenden in het systeem terecht. Het oefent ook een aantrekkingskracht uit op vrouwen die reeds elders tewerkgesteld waren en op vrouwen uit andere (oost-)Europese landen en zelfs op asielzoekers die toelating hebben om te werken. De federale regering zal daarom in uitvoering van het regeerakkoord 2011 de dienstenchequebedrijven verplichten voor 60 % van de vacatures uitkeringsgerechtigde werklozen en leefloongerechtigden in te schakelen.

In het licht van een toekomstgericht arbeidsmarkt beleid stelt het ACW voor:

  • dat de wijziging van het DC-systeem geleidelijk aan gebeurt zodat zowel de werkzoekenden en de werknemers als de DC-ondernemingen de tijd krijgen om zich aan te passen;
  • dat er voldoende ruimte wordt gecreëerd om ook voor de DC-werknemers de loon- en arbeidsvoorwaarden te verbeteren en de daarmee verbonden koopkracht te verhogen. Daarbij denken we aan een indexering van de cliëntbijdrage;
  • dat er middelen voor opleiding en omkadering voorzien worden zodat een deel van de DC-werknemers kan omgeschoold worden tot huishoudelijke hulp in aanvullende thuiszorg.

Het ondernemerschap

Het aantal DC-ondernemingen is de laatste jaren spectaculair gegroeid. Dat stelt problemen van beheersbaarheid, controle door de overheid, leefbaarheid. Het ACW is hier vragende partij voor een evolutie naar ‘minder, maar betere DC-ondernemingen’.

Het ACW stelt voor:

  • oog te hebben voor de leefbaarheid van de DC-ondernemingen. Niet alle ondernemingen bieden dezelfde loon- en arbeidsvoorwaarden. Toch krijgt iedereen dezelfde overheidsondersteuning. Het ACW pleit voor een meer gedifferentieerde overheidssubsidie i.f.v. inspanningen voor kwaliteit, vorming en opleiding, absenteïsmebeleid en MVO (= Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen) en voor een duidelijke omschrijving welke kosten bijkomend aan de klanten mogen worden aangerekend;
  • de ondernemingen in te schakelen in het MVO-beleid van de Vlaamse regering: een beleid van MVO, dat zowel economische, sociale als ecologische doelstellingen nastreeft. Dat veronderstelt duidelijke subsidiëringsnormen voor DC-ondernemingen die een erkenning aanvragen;
  • minstens de huidige erkenningsvoorwaarden, ook degene die recent zijn toegevoegd, te behouden in het Vlaamse DC-stelsel.

Rol van de sociale partners

Vandaag spelen de sociale partners een belangrijke rol in het beheer van de dienstencheques. Zo zijn ze betrokken in het medebeheer van de middelen via de RSZ en bij de erkenning van de dienstenondernemingen via de adviescommissie in de schoot van de RVA.

Ook in een geregionaliseerd stelsel moeten de sociale partners betrokken worden bij het medebeheer van het dienstenchequestelsel en de erkenning van de dienstencheque-ondernemingen.

De verdere uitbouw van de aanvullende thuiszorg

Herneming wettelijk vastgelegd groeipad

Aangezien de groei in de aanvullende thuiszorg al enkele jaren geblokkeerd is, moet een deel van het budget voor de DC meteen worden ingezet voor een inhaaloperatie in de aanvullende thuiszorg en een herneming van het wettelijk vastgelegde groeipad dat gelijke tred houdt met de gezinszorg. Deze groei is nodig om de druk op of de overflow naar het DC-systeem, enerzijds, en de residentiële zorg, anderzijds, te verminderen. De sector van de DC moet wel voldoende tijd krijgen om zich hierop te heroriënteren.

Het budget voor de aanvullende thuiszorg moet rekening houden met een aantal parameters, zoals:

  • de omvang van de vergrijzing en het groeiritme;
  • de wachtlijsten;
  • de verhouding met de gezinszorg en de residentiële zorg;
  • de loon- en arbeidsvoorwaarden van personeel tewerkgesteld in zorgsituaties;
  • de kosten voor omkadering, begeleiding en opleiding van het personeel tewerkgesteld in zorgsituaties.

Grijze zone aanpakken

Het ACW wenst een duidelijk onderscheid te maken tussen huishoudelijke hulp met DC, die ook in de toekomst door commerciële actoren kan worden uitgeoefend en de huishoudelijke hulp bij zorgbehoevenden via aanvullende thuiszorg, die enkel door erkende diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg kan gebeuren. Het ACW wil geen sluipende commercialisering van de gezinszorg en van de aanvullende thuiszorg via DC.

Het probleem stelt zich echter in de grijze zone tussen huishoudelijke hulp met DC en huishoudelijke hulp in een (beginnende) zorgsituatie, waarbij noch DC-ondernemingen, noch cliënten gebaat zijn bij een overstap van huishoudelijke hulp met DC naar aanvullende thuiszorg. Daar zijn verschillende redenen voor: de DC-onderneming die niet erkend is als aanvullende thuiszorgdienst verliest een klant, de gebruiker verliest een vertrouwde huishoudster. Bovendien kan de kostprijs voor een uur zorg sterk stijgen, afhankelijk van het inkomen. Daardoor krijgen mensen met een zorgbehoefte niet altijd de meest adequate en kwaliteitsvolle hulp.

Om de grens tussen huishoudelijke hulp en aanvullende thuiszorg te verduidelijken en de overgang te vergemakkelijken stelt het ACW:

  • iedere gebruiker, ook zij met een zorgbehoefte, moet vrij zijn huishoudelijke hulp kunnen kiezen. Maar zodra er een reële zorgbehoefte ontstaat, kan de cliënt een indicatiestelling ondergaan (op vraag van de cliënt, zijn familie of op vraag van het DC-bedrijf) die het recht opent op aanvullende thuiszorg. Op dat moment zal de gebruiker gestimuleerd worden om gebruik te maken van de aanvullende thuiszorg.
  • om de overstap door de klant van DC naar aanvullende thuiszorg te maken zal de gebruiker financieel gestimuleerd moeten worden. De financiële prikkel bestaat erin dat de kostprijs voor ’huishoudelijke hulp in een zorgomgeving’ (= via aanvullende thuiszorg) wordt opgenomen in het zorgbudget en in de maximumfactuur voor niet-medische kosten;
  • de aanbieder van aanvullende thuiszorg krijgt een extra overheidstussenkomst om extra opleiding en extra omkadering te voorzien voor de huishoudhulpen die omschakelen van huishoudhulp naar aanvullende thuiszorg, zodat ze voorbereid zijn om in een zorgomgeving te werken. Op die manier kan de kwaliteit van de huishoudelijke hulp worden verhoogd en worden aangepast aan de zorgcontext;
  • de indicatiestelling moet gebeuren door een dienst die erkend is door de Vlaamse regering.

  Samenstelling ad hoc werkgroep: Familiehulp, ACV, ACV Voeding en Diensten, OKRA, CM, KAV en ACW

De PWA na de regionalisering

Visietekst, goedgekeurd door ACW – bestuur op 21 juni 2012

Context

  • PWA is tot op heden federale bevoegdheid en wordt vanaf 2014 regionale bevoegdheid
  • Toegankelijk voor alle werkzoekenden die 2 jaar werkzoekend zijn (of 6 mnd voor 45-plussers) en voor leefloners. Ze mogen max. 45u per maand actief zijn in PWA. Per gewerkt uur ontvangen zij een vergoeding van 4,1 euro, bovenop hun werkloosheidsvergoeding.
  • Lokaal georganiseerd en tripartite beheerd.
  • Vandaag nog 19.000 PWA-ers actief, waarvan 8782 in het Vlaams Gewest en 1748 in het BHG.
  • Gemiddeld presteert een PWA-werknemer 32,4 uur per maand.
    61 % van de PWA-uren wordt gepresteerd bij lokale overheden, scholen en lokale vzw’s. 26 % van de PWA-werknemers zijn actief bij particulieren (huishouden, tuinonderhoud of oppas kinderen).
  • Over te dragen middelen naar Vlaanderen (geschat): 19,8 mio voor PWA-beambten en werkingskosten.
  • Afspraak is dat federale overheid de financiering van de werkloosheidsuitkeringen van de PWA-werknemers verder zal zetten, beperkt tot het huidig aantal gerechtigden per gewest.

Mogelijke scenario’s

  1. Stopzetting PWA zonder alternatieven voor de doelgroep.
  2. Verderzetting PWA met huidig aantal PWA-werknemers (behoud instroom ifv uitstroom).
  3. Verderzetting PWA met huidig aantal PWA-werknemers, maar zonder nieuwe instroom (= uitdoofscenario).
  4. Opheffing PWA en inschuiving in Vlaamse sociale economie.

Ontwerpstandpunt ACW

Krachtlijnen

1. De PWA moet geïntegreerd worden in het Vlaamse arbeidsmarktbeleid en in de Vlaamse sociale economie.

Vandaag staat de organisatie van de PWA haaks op de organisatie van de Vlaamse sociale economie. De PWA is noch georganiseerd volgens activiteit, noch volgens doelgroep. Bovendien blijven de PWA-werknemers officieel werkzoekende met behoud van hun werkloosheidsuitkering en krijgen ze daarbovenop een vergoeding. Tot slot is ook het aantal uren per maand gelimiteerd. Enkel in de Vlaamse arbeidszorg bestaat een gelijkaardig systeem (behoud uitkering + 1 euro per ‘gewerkt’ uur).

Het ACW wenst dat de PWA geleidelijk aan ingeschoven wordt in de Vlaamse sociale economie. Dat is geen evidentie en veronderstelt  een aantal wijzigingen, zoals :

  • Een overstap van de PWA-werknemers naar een volwaardig arbeidscontract (in de sociale economie) of naar arbeidszorg;
  • Een verhoging van het aantal gewerkte uren door de PWA-werknemers (minimum arbeidscontract is 13 uur per week) of onbezoldigd;
  • Toegang van de PWA-werknemers tot een inkomensgarantie-uitkering;
  • Een screening van elke PWA-werknemers op zijn/haar competenties en zijn/haar afstand tot de arbeidsmarkt.

2. Er moet dringend een onderzoek komen naar het profiel van de PWA-werknemers, zodat de overstap naar de Vlaamse arbeidsmarkt succesvol kan georganiseerd worden.

Vandaag is er geen goed zicht op het profiel van de PWA-werknemers. De meerderheid is boven de 50 jaar, maar het is onduidelijk of het voor deze doelgroep haalbaar is meer uren per week (min. 13u) te werken. De instroomcriteria laten vermoeden van wel, omdat de instroom in PWA vandaag automatisch gebeurt na 2 jaar werkloosheid of na 6 maanden voor wie ouder is dan 45 jaar. Leefloners kunnen zich vrijwillig inschrijven.

De PWA-ers die meer uren aankunnen moeten kunnen doorstromen naar lokale diensteneconomie of sociale werkplaatsen. Voor de PWA-ers voor wie meer arbeidsuren onmogelijk is, moeten oplossingen gezocht worden binnen arbeidszorg, de toekomstige W²-trajecten. Dit biedt ook een oplossing voor de kleine jobs van enkele uren per week

Om de overgang goed te kunnen voorbereiden is het nodig een duidelijk zicht te hebben op het huidige profiel van de PWA-werknemers.

3. Er moet voor alle PWA- werknemers een oplossing gezocht worden. Werkzekerheid en continuïteit van de activiteit zijn prioritair

Vandaag zijn in Vlaanderen nog bijna 9.000 mensen actief in de PWA, waarvan 79 % ouder is dan 50 jaar en 67 % vrouwen (à rato van 32,5 uur per maand). Een doorstroming naar de sociale economie vergt een aanzienlijk groeipad in de diverse werkvormen. Zolang er geen oplossing is ivm de uitbreiding van de andere sociale economie vormen, zoals LDE, sociale werkplaatsen of arbeidszorg, moet de PWA-activiteit worden verdergezet. Het ACW wil geen plotse stopzetting van de PWA zonder volwaardig alternatief voor de PWA-werknemers.

Daarnaast moeten ook de andere kandidaten voor een job in de sociale economie niet uit het oog verloren worden. Naast de overheveling van PWA naar sociale economie moet ook nog een netto-aangroei mogelijk zijn.

4. De Vlaamse overheid moet per werkvorm in de SE een groeipad uittekenen om de PWA-werknemers op te nemen

In functie van het profiel van de huidige PWA-werknemers kan bepaald worden hoeveel PWA-ers kunnen doorschuiven naar de lokale diensteneconomie. Deze werkvorm sluit qua activiteiten en profiel van de doelgroepwerknemers het dichtste aan bij de PWA. Een verschuiving van bijna 9.000 PWA-ers naar LDE met 1700 werknemers is echter een aanzienlijke operatie. De Vlaamse overheid moet dus tijdig een groeipad uittekenen binnen LDE.

Om deze overstap vlot te laten verlopen stelt het ACW voor dat:

  • de bestaande PWA-bedrijven zich omvormen tot een LDE of aansluiten bij bestaande LDE-projecten. Op die manier kan ook het bestaande takenpakket in de PWA mee opgenomen worden in de LDE;
  • de criteria voor instroom in LDE worden aangepast. Vandaag kunnen enkel werkzoekenden met max diploma hoger secundair onderwijs en 1 jaar inschrijving in de VDAB terecht in LDE. Dit zou moeten opengesteld worden voor alle (bestaande) PWA-werknemers (ongeacht diplomaniveau).

Voor een deel van de PWA-werknemers zal LDE geen oplossing bieden. Wanneer hun afstand tot de arbeidsmarkt te groot is of wanneer zij onmogelijk meer dan 45u per maand actief kunnen zijn, biedt arbeidszorg (of W²) mogelijks (tijdelijk) een uitkomst. Een screening door de VDAB/GTB moet dit bepalen. Ook bepaalde PWA-kantoren zouden een deel van hun activiteiten kunnen omvormen tot W²-werkvloeren. Op die manier kunnen de PWA-activiteiten voor deze PWA-werknemers worden gecontinueerd.

5. De Vlaamse overheid moet de komende jaren de nodige middelen reserveren om de overgang van PWA naar de Vlaamse arbeidsmarkt te financieren

Het PWA-stelsel wordt vandaag volledig gefinancierd door de federale overheid (werkloosheidsuitkering en PWA-beambten). Na de regionalisering zullen de middelen voor de PWA-beambten worden overgeheveld, maar de middelen voor de betaling van de PWA-werknemers niet. De federale overheid is wel bereid de financiering van de werkloosheidsuitkering van de huidige groep PWA-werknemers voort te zetten.

Deze afspraak bevat echter een enorme valkuil. Zolang de Vlaamse overheid de PWA-werking verderzet, gebeurt de financiering door de federale overheid. Op het moment dat de Vlaamse overheid de PWA wil inschuiven in haar eigen arbeidsmarktbeleid, moet ze zelf instaan voor de financiering van de loonkost.  We spreken daarbij over een budget van ongeveer 85 à 90 mio euro.

Het ACW stelt voor dat de federale overheid in een overgangsfase de federale werkloosheidsuitkeringen ook inzet in de Gewesten die de PWA-werknemers laten doorschuiven naar andere stelsels. Tijdens deze overgangsfase worden de federale middelen geleidelijk afgebouwd en krijgen de Gewesten de tijd een groeipad in de sociale economie uit te bouwen.

6. De taak en de rol van de PWA-beambten

Op basis van de krachtlijnen kunnen we ook een toekomst voor de PWA-kantoren en de PWA-beambten uittekenen. Gezien de omvang van de doelgroep en van de bestaande PWA-activiteiten stelt het ACW voor dat:

  • de bestaande PWA-kantoren nagaan of ze zich kunnen omvormen tot een LDE (de financiering van de PWA-beambten kan mee ingezet worden in de klaverbladfinanciering). Per gemeente moet worden nagegaan of het PWA-kantoor aansluiting kan vinden bij een bestaande LDE, dan wel aansluit bij een naburig PWA-kantoor teneinde een voldoende schaalgrootte te realiseren;
  • een deel van de activiteiten om te vormen tot arbeidszorg/W²-werkvloer, in functie van het aantal PWA-werknemers die overstappen naar een W²-traject en in functie van een aantal kleine taken die niet kunnen omgezet worden naar volwaardige banen (bv. middagopvang op school, sneeuw of bladeren ruimen, …).

Er is in ieder geval snel duidelijkheid nodig over de toekomst van de PWA om de huidige PWA-kantoren en het lokaal overleg daaromtrent voldoende dynamisch en betrokken te houden.

7. Herdynamiseren tripartite overleg op lokaal niveau

De sociale partners zijn vandaag actief betrokken bij het beheer van de PWA-kantoren. Een overheveling van PWA naar LDE maakt het model van tripartite beheer wellicht moeilijk houdbaar. Nochtans heeft dit tripartite overleg een duidelijke meerwaarde op lokaal niveau. Het ACW stelt dan ook voor om het tripartite overleg via de lokale en/of subregionale tewerkstellingsfora te herdynamiseren en dit op het meest efficiënte beleidsniveau.

8. De toekomst van de PWA in Brussel

Ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn er nog 1748 PWA-ers actief. Aangezien de bevoegdheid wordt overgedragen aan de gewesten, zal het BHG in de toekomst moeten bepalen wat er met de PWA-werknemers zal gebeuren.

Het ACW wenst in ieder geval dezelfde redenering aan te houden als voor het Vlaams Gewest en stelt voor dat de Brusselse regering opteert voor een inschuifoperatie in de Brusselse inschakelingseconomie.

Arbeidszorg: standpunt


Het ACW is sterk bezorgd om de verdringingsmechanismen die er op het terrein ontstaan tussen betaalde en onbetaalde arbeid. Wij wensen een beleid dat deze verdringing aanpakt en de rechtsonzekerheid bij de doelgroep-werknemers wegwerkt.

1. Wat is arbeidszorg

Volgens de vertegenwoordigers van de Rondetafel Arbeidszorg is arbeidszorg “onbezoldigde arbeid, bedoeld voor mensen die niet, nog niet of niet meer terecht kunnen in het reguliere of beschermde arbeidscircuit. Arbeidszorg biedt hen arbeidsmatige activiteiten aan in een productieve of dienstverlenende werkomgeving en ondersteunt hen daarbij”. Arbeidszorg is evenwel niet gekoppeld aan een arbeidsovereenkomst en er staat geen verloning tegenover.

Ook binnen arbeidszorg is er differentiatie in de mate van arbeid en zorg, waarbij de nadruk kan overhellen naar één van beide naargelang de vraag en de mogelijkheden van de arbeidszorgmedewerker.

Arbeidszorg richt zich op mensen die slechts een laag arbeidstempo aankunnen, niet stressbestendig zijn, niet zelfstandig kunnen werken, weinig opleiding of ervaring hebben en veel begeleiding nodig hebben. Meestal hebben deze mensen een lichamelijke, mentale of psychische problematiek (of een cumul daarvan), al dan niet gecombineerd met meervoudige achterstellingsproblematiek.

 

2. Wettelijk kader

Arbeidszorg is in de tweede helft van de jaren ’90 ontwikkeld in het kader van de sociale werkplaatsen. In 2006 volgden de Beschutte Werkplaatsen. Maar als werkvorm bestaat het al langer binnen de gehandicaptensector (dagcentra en Begeleid Werken) en binnen de psychiatrie (dagactiviteitencentra, ziekenhuizen en Beschut Wonen). Ook de CAW’s, de OCMW’s hebben arbeidszorginitiatieven genomen voor hun doelgroep.

 

Wetgeving

De wetgeving rond arbeidszorg is eerder beperkt en gefragmenteerd. In sommige sectoren bestaat een duidelijke regelgeving, in andere gebeurt de organisatie van arbeidszorg eerder ad hoc.

  • Decreet Sociale Werkplaatsen regelt het kader, de financiering, de omkadering van arbeidszorg verbonden aan sociale werkplaatsen.
  • Het Meerbanenplan VR realiseert uitbreiding van AZ naar beschutte werkplaatsen, verhoogt aantal plaatsen en verruimt de opdracht AZ tot activeringsinstrument.
  • In de gehandicaptensector worden de dagcentra (+ atelierwerking), begeleid werken en enclavewerking gesubsidieerd.
  • De Geestelijke Gezondheidszorg kent geen structurele ondersteuning voor AZ. De AZ wordt gefinancierd vanuit werkingsmiddelen en is derhalve eerder een vrije keuze van de initiatiefnemer.
  • De CAW’s financieren de arbeidszorginitiatieven vanuit projectmiddelen en subsidies van lokale en provinciale overheden. Daardoor zijn de projecten permanent bestaansonzeker.
  • Ook lokale overheden en OCMW’s financieren soms zelf AZ-projecten, maar ook hier is de ondersteuning niet structureel verankerd.

Conclusie

Enkel de AZ in sociale en beschutte werkplaatsen en in de dagcentra en begeleid werken binnen de gehandicaptensector hebben een decretale onderbouw en een structurele financiering. De andere arbeidszorginitiatieven hebben geen wettelijk kader, noch structurele ondersteuning.

 

3. Politiek kader

De vorige Vlaamse regering heeft veel tijd en energie gestoken in de harmonisering van de Beschutte en Sociale werkplaatsen tot maatwerkbedrijven, maar heeft er bewust voor gekozen om arbeidszorg niet in dit concept mee op te nemen. Dat maakt dat de huidige Vlaamse regering een visie zal moeten ontwikkelen op arbeidszorg.

In de beleidsnota 2009-2014 lezen we daarover: “ Een nieuw perspectief voor arbeidszorg. Als betaalde arbeid niet mogelijk blijkt, moet er gekeken worden of er overdrachten mogelijk zijn naar alternatieve trajecten in functie van niet-arbeidsmarktgerichte activiteiten met een aangepast ver-vangingsinkomen. Het Vlaams regeerakkoord stelt duidelijk dat er moet worden ingezet op een eenduidig, geïntegreerd beleidskader met aandacht voor zorg-arbeid en arbeids-zorg. Duidelijke afspraken over de finaliteit van arbeidszorgtrajecten moet vooraf gemaakt worden om een geïntegreerd kader te realiseren. Voor wie betaalde arbeid omwille van een structurele zorgcomponent vandaag onmogelijk is, heeft alle baat bij alternatieven. Deze mensen moeten terecht kunnen in een duurzaam traject van zorgarbeid, ingebed binnen het welzijnsbeleid. Voor wie betaalde arbeid binnen een afgelijnd tijdskader met aandacht voor de zorgcomponent wel haalbaar is, kunnen het best via
arbeidszorgtrajecten groeien naar een duurzame tewerkstelling. Binnen sociale economie zullen deze arbeidszorgtrajecten met finaliteit ‘opstap naar werk’ worden gevalideerd”.

Het doel is om tegen eind 2010 een visie klaar te hebben. Diverse stake-holders, evenals de Vlaamse administratie(s) bereiden zich hier nu op voor. Zo ook ACW en ACV.

 

4. Pijnpunten in de Arbeidszorg

Het gebrek aan duidelijke regelgeving, de verspreiding van arbeidszorg over verschillende beleidsdomeinen, de historische verschillen maken dat arbeidszorg in zijn geheel een onzeker bestaan leidt. Nochtans zijn de meesten het eens over het nut en de doelstellingen van arbeidszorg.
Om aan de pijnpunten te kunnen remediëren is het nodig ze te expliciteren.

4.1 Statuut van de arbeidszorgmedewerker

  • Doordat het niet wettelijk erkend is, wordt dit statuut ook niet erkend door RVA en RIZIV. Dat betekent dat de lokale directeurs hun akkoord moeten geven aan arbeidszorgmedewerkers om in AZ aan de slag te gaan (met behoud van hun uitkering). Dit leidt tot rechtsonzekerheid.
  • De activiteit is onbezoldigd. De AZ-medewerker behoudt zijn uitkering en krijgt (soms) beperkte onkostenvergoeding bovenop. Op de werkvloer is er de facto dus grote ongelijkheid in de vergoeding van AZ-medewerkers.
  • Al of niet deelnemen aan AZ mag niet gesanctioneerd worden door de uitkeringsinstellingen, het moet op vrijwillige basis gebeuren.
  • AZ is vrijwillig maar niet vrijblijvend. Er worden wel degelijk afspraken gemaakt.

 

4.2 Doorstroom of finaliteit?

  • Van oorsprong is AZ in hoofdzaak een finaliteitstewerkstelling, ook al werd de doorstromingsgedachte vanaf het begin mee ingebouwd. Maar sinds het meerjarenbanenplan van de Vlaamse regering komt de nadruk meer te liggen op doorstroom, hoewel de doorstroomcijfers tot op heden zeer beperkt zijn.

 

4.3 Verdringing reguliere arbeid?

  • In theorie is er geen verdringing van reguliere arbeid door arbeidszorg. Arbeidszorg is immers enkel toegankelijk voor mensen die gescreend zijn door de VDAB en naar AZ worden toegeleid. In de perceptie is er echter wel sprake van verdringing en die is tweevoudig:
    • op meso-niveau: de werkgever maakt in zijn zoektocht naar nieuwe activiteiten en opdrachten de keuze of hij meedingt als sociale economieproject of als AZ-project. Deze keuze hangt op de eerste plaats samen met de moeilijkheidsgraad van de opdracht, maar wordt ook ingegeven uit economische overwegingen. De prijsofferte kan immers lager gezet worden als het om AZ-project gaat, wat een concurrentievoordeel kan opleveren t.a.v. andere werkgevers;
    • AZ-medewerkers kennen geen economische werkloosheid, werknemers in sociale of beschutte werkplaatsen wel. Dit leidt soms tot wrevel op de werkvloer tussen de werknemers in de verschillende werkvormen.

 

4.4 Geen wettelijk kader

Zoals hierboven beschreven, bestaan er diverse vormen van arbeidszorg in welzijn, sociale economie, geestelijke gezondheidszorg, elk met zijn eigen doelgroepomschrijving, financiering en reglementering. Nochtans zijn al deze vormen van arbeid zeer gelijklopend en allen te vatten onder arbeidszorg, waarbij arbeidszorg bezien wordt als een continuüm tussen arbeid en zorg. Door gebrek aan een helder wettelijk kader en eigen financiële middelen heeft arbeidszorg vandaag geen eigen positie en bevindt het zich in de grijze zone tussen werk, zorg, opleiding, stage en vrijwilligerswerk. Voor heel wat zaken moet dus (creatief) gebruik gemaakt worden van regelgeving en middelen in elk van deze beleidsdomeinen. Dat is geen gezonde situatie.

5. Standpunten verschillende stake-holders

Momenteel wordt er binnen Vlaanderen hard gewerkt aan een nieuwe visie op arbeidszorg. Dat maakt dat alle actoren trachten hun visie op te maken en naar voren te brengen. Om ook intern dit debat voor te bereiden, is het zaak om kennis te nemen van de verschillende visies. Vaak trachten deze voorstellen ook concrete oplossingen naar voren te schuiven voor de problemen in de sector.

5.1 Memorandum van sociale partners van de BW en SW (06/09)

Uitgangspunten

  • Een gedifferentieerd aanbod, zowel qua taken, setting en verhouding werkzorg.
  • Begeleiding en traject op maat, waar mogelijk gericht op betaalde tewerkstelling.
  • Flexibele doorgroei- en terugkeermogelijkheden.
  • Geen verdringing van betaalde arbeid, wel ‘stage’-mogelijkheden.

Aandachtspunten

  • AZ in BW en SW is gericht op doorstroming naar betaalde tewerkstelling, AZ in de welzijnssector is gericht op finaliteitsbezigheid.
  • Arbeidszorg moet vrijwillig blijven en mag geen aanleiding geven tot sancties o.v.v. uitkeringen.
  • Toeleiding en screening moet door VDAB gebeuren.
  • Eenvormig statuut voor AZ-medewerker zodat er rechtszekerheid komt.
  • Geen loon, enkel vergoeding van onkosten.
  • Snelle en kwaliteitsvolle toeleiding.
  • Voldoende opgeleid omkaderings- en begeleidingspersoneel.
  • Doordacht registratiesysteem voor AZ-plaatsen.

5.2 Ronde Tafel Arbeidszorg (06/09)

De Ronde Tafel Arbeidszorg heeft in de aanloop naar een nieuwe Vlaamse regering een aantal concrete voorstellen uitgewerkt. Deze voorstellen vormden op dat moment een consensus tussen de sociale partners die bij arbeidszorg betrokken zijn. Concreet gaat het om:

  • een coördinerend minister voor arbeidszorg
  • een coördinerend stafmedewerker arbeidszorg voor RTA
  • toegankelijkheid van de arbeidszorginitiatieven
  • attestering van de arbeidszorgmedewerkers
  • statuut voor de arbeidszorgmedewerker
  • transparante regelgeving
  • voldoende financiering arbeidszorginitiatieven
  • registratie van alle arbeidszorgmedewerkers

5.3 Standpunten ACV/ACW uit het verleden

  • Arbeidszorg kan enkel onbezoldigd gebeuren indien de toeleiding van doelgroepwerknemers naar arbeidszorg sterk bewaakt wordt (door VDAB).
  • Arbeidszorg als onbezoldigde arbeid is maar te verantwoorden zolang het gaat om doelgroepwerknemers die omwille van hun cumul aan problemen niet kunnen voldoen aan de rechten en plichten die verbonden zijn aan een arbeidsovereenkomst (minimale arbeidsduur, tijdig op het werk zijn, regelmatige aanwezigheid, behoorlijk arbeidsritme halen, onder gezag kunnen werken, ...).

6. Ontwerpstandpunt ACW rond arbeidszorg in de toekomst

Het ACW is sterk bezorgd om de verdringingsmechanismen die er op het terrein ontstaan tussen betaalde en onbetaalde arbeid. Wij wensen een beleid dat deze verdringing aanpakt en de rechtsonzekerheid bij de doelgroepwerknemers wegwerkt.

Tweesporenbeleid
Het ACW pleit voor een tweesporenbeleid waarbij er een onderscheid gemaakt wordt tussen (een beperkt aantal) arbeidszorgtrajecten die de AZ-medewerkers voorbereiden op doorstroming en
arbeidszorgplaatsen waar mensen actief kunnen blijven zolang ze niet klaar zijn voor doorstroming (finaliteitsgericht maar met oog voor de groeimogelijkheden van AZ-medewerkers).

Binnen beleidsdomein Welzijn dient een regeling uitgewerkt te worden die bestaande regelgevingen stroomlijnt. Dat vergt een geëigend statuut, wettelijk kader en financiering, onafhankelijk van de instelling waar arbeidszorg georganiseerd wordt (bv. gehandicaptenzorg, psychiatrie of CAW).

Verder moet binnen het domein Welzijn het aantal arbeidszorgplaatsen worden uitgebreid zodat de werkzoekenden die voor een langere periode arbeidszorg nodig hebben, effectief een plaats kunnen vinden. Het aanbod moet bovendien voldoende gedifferentieerd zijn en regionaal gespreid, zodat er werk op maat kan geleverd worden.

Arbeidszorgplaatsen gericht op doorstroming moeten beperkt zijn in de tijd. Binnen sociale economie zijn arbeidszorgplaatsen altijd gericht op doorstroming en dus tijdelijk. De arbeidszorgmedewerkers moeten op regelmatige tijdstippen gescreend worden om na te gaan of ze klaar zijn om de stap richting sociale of reguliere economie te zetten. We blijven geloven in de groeimogelijkheden van
arbeidszorgmedewerkers, maar AZ-medewerkers hebben ook recht op duidelijkheid. Als na verloop van tijd duidelijk is dat doorstroom (nog) niet (meer) tot de mogelijkheden behoort, moet er uitzicht zijn op een blijvende activiteit in AZ.

Wanneer er wel doorstroming kan gerealiseerd worden, moet er ook rekening gehouden worden met de terugkeermogelijkheden indien tewerkstelling in de sociale of reguliere economie niet lukt en moet de mogelijkheid bestaan verder door te stromen naar arbeidszorg binnen welzijn. De terugkeerregeling moet veel steviger worden uitgebouwd dan nu het geval is.

Verdringing vermijden
Arbeidszorginitiatieven mogen niet in concurrentie treden met het reguliere of sociale economiecircuit. Zij moeten zoveel mogelijk niches opzoeken van activiteiten en functies die in het betaalde circuit niet voorkomen en die de doelgroep aankan. Om verdringing te vermijden wordt het aandeel van arbeidszorg binnen sociale economie t.o.v. de totale activiteit van een sociale of beschutte werkplaats of leerwerkplaats het best wettelijk gelimiteerd. Vanuit deze optiek zou er best een link gelegd worden met het ontwerpdecreet maatwerkbedrijven.

Erkenning
De arbeidszorgmedewerkers moeten een statuut krijgen, dat ook erkend wordt in het kader van de sociale zekerheid en het arbeidsrecht en hen voldoende rechtszekerheid biedt. Er is nood aan een gemeenschappelijke sokkel op federaal niveau die geldig is in de drie gewesten. Daarbinnen moet de mogelijkheid gecreëerd worden om de arbeidszorgmedewerkers een vorm van erkenning te geven. De regeling waarbij AZ-medewerkers dezelfde beloning krijgen als werkzoekenden die VDAB-opleiding volgen kan in de hele sector veralgemeend worden.

Op basis van vrijwilligheid
De vrijwilligheid binnen AZ moet gewaarborgd blijven. Enkel op die manier kunnen arbeidszorgmedewerkers in positieve zin evolueren. Er mag ook geen koppeling zijn met sanctioneringsmechanismen in de sociale zekerheid. Het al dan niet slagen in arbeidszorgtrajecten mag niet leiden tot schrappen van uitkeringen of tot (gedwongen) uitstroom uit AZ.
De toeleiding naar arbeidszorg moet zoveel mogelijk op basis van objectieve criteria gebeuren. De bestaande screeningsinstrumenten moeten meer en consequenter worden gebruikt door VDAB en GTB, zodat de toegang tot arbeidszorg streng bewaakt wordt.

Brussel
Volgens de huidige bevoegdheidsverdeling behoort de sociale economie tot de gewestbevoegdheid en de welzijnszorg tot de gemeenschapsbevoegdheid.
In Brussel is dus het BHG bevoegd voor de wettelijke regeling en subsidiëring van de sociale economieprojecten. Er is en was in BHG geen politiek draagvlak om arbeidszorg te erkennen in het kader van hun (nieuwe) ordonnantie inzake inschakelingsondernemingen.

Hoewel arbeidszorg als werkvorm niet gekend is in Brussel en Wallonië, bestaan er wel vergelijkbare werkvormen. Deze vallen onder de bevoegdheid van welzijn en zijn dus gemeenschapsbevoegdheid. De VGC financiert AZ-projecten vanuit het Stedenfonds. Deze middelen zijn niet structureel en men kijkt dan ook naar Vlaanderen voor een structurele financiering.

Voor zover arbeidszorg georganiseerd wordt vanuit domein Welzijn, moet het gezien worden als gemeenschapsmaterie. Dat betekent dat de Vlaamse Gemeenschap (en de VGC) bevoegd zijn voor arbeidzorg in Brussel. Toekomstige structurele financiering moet ook de verdere uitbouw van AZ in Brussel mogelijk maken.

Financiële gevolgen
Er zijn vandaag 1 843 doelgroepwerknemers actief in de arbeidszorg, verbonden aan SW of BW. 680 cliënten zijn actief in Begeleid Werken. Het aantal arbeidszorgmedewerkers binnen de overige initiatiefnemers is niet gekend, evenals de subsidiebedragen noch de subsidies voor het omkaderingspersoneel. Vermoed wordt dat hier een veelvoud aan doelgroepmedewerkers aan de slag is.

In de regelgeving op de sociale werkplaatsen wordt 1 omkaderingslid voorzien voor 5 arbeidszorgmedewerkers. Daarvoor wordt een subsidie van 27 300 euro voorzien per VTE omkaderingspersoneelslid. De praktijk leert echter dat dit te weinig is om een goede begeleiding op vlak van arbeid en van zorg te bieden. In realiteit staat 1 persoon in voor de begeleiding van 11 à 12 doelgroepmedewerkers, ook voor het zorgaspect. Bovendien zijn de omkaderingssubsidies onvoldoende. De loonkost wordt wel gesubsidieerd, maar de werkingskosten niet, terwijl een AZ-project nauwelijks rendement haalt.

Bij een uitbreiding naar domein Welzijn moeten volgende elementen mee in rekening worden genomen:

  • aantal arbeidszorgmedewerkers per omkaderingslid
  • subsidie per omkaderingslid
  • minimale geldelijke erkenning van de arbeidszorgmedewerkers (bovenop hun ziekte- of werkloosheidsuitkering of leefloon) (bv. 1 euro per uur)
  • werkingsmiddelen.


BIJLAGE

Aantal organisaties en medewerkers in arbeidszorg (2008)

Sector

Aantal
organisaties
met AZ

Structurele
financiering: J/N

Aantal
medewerkers

Aantal
omkad.

Subsidie-
bedrag

Sociale werkplaatsen

48

 Ja

 1207

 42 VTE

1.000.000

 Soc. werkplaatsen – meerbanenplan

36 (5 extra)

 Ja

232

18,5 VTE

500.000

Beschutte werkplaatsen

 27

 Ja

 404

 

1.140.000

Ikv Limburgplan

4

 

 

3 VTE

77.800

AZ- GGZ

15 (2 prov)

 een

891

 

 

 AZ-VAPH

 19 (2 prov)

Ja

728

 

 

 AZ-CAW

 1 (1 prov)

 Neen

28

 

 

AZ-soc. Tewerkstel.

24 (2 prov)

neen

535

 

 

AZ-onafhank

 10 (2 prov)

neen

 

 

 

Zorgboerderijen

390

Ja

 646

 .485.810

Begeleid werken

107

 Ja

680

 

 

De kredietmaatschappijen: naar een hervorming

Aanleiding en doel nota

Vorig jaar werd een visitatie bij de kredietmaatschappijen georganiseerd. De resultaten van de visitatie gaven aanleiding tot vragen in de pers en in het Vlaams parlement. De verantwoordelijke minister heeft geantwoord dat ze de sector grondig wil hervormen. De minister wil binnenkort (eind maart) meer duidelijkheid scheppen over de hervorming. Elementen zouden zijn: fusie, meer toezicht en extra controle.

Het ACW heeft niet stil gezeten. In een ad hoc-werkgroep zijn maatschappijen van de voormalige Fortis-groep en de maatschappijen erkend door de VHM (nu VMSW) samen gebracht om na te denken hoe de hervorming er zou kunnen uitzien. Deze denkoefeningen werden ook getoetst aan de werkgroep wonen.

Deze nota geeft een zicht op de voorstellen en vraagt het bestuur instemming om verder te gaan op de ingeslagen weg.

In deze nota willen we de erkende maatschappijen situeren (punt 2), de eerste hervormingen van de sector kort duiden (punt 3), ons standpunt t.a.v. deze maatschappijen herhalen (punt 4) om dan de voorstellen te duiden.

Wat zijn en wat doen kredietmaatschappijen?

Vlaanderen telt nog 39 kredietmaatschappijen. Hun maatschappelijk doel bestaat exclusief uit het toekennen van sociale leningen aan gezinnen die een bescheiden woning willen bouwen, kopen, verbouwen of behouden. Zij kunnen deze opdracht waarmaken omdat de Vlaamse overheid borg staat voor de sociale leningen die zij verstrekken aan gezinnen, en voor de leningen die de maatschappijen zelf opnemen om hun activiteiten te financieren. Daarnaast genieten zij van een gunsttarief van 5 % voor de vennootschapsbelasting. In 2008 werden 1 822 gewaarborgde sociale leningen verstrekt. Het samengeteld vermogen van de maatschappijen bedraagt ongeveer 170 miljoen euro.

De 'gewaarborgde' sociale leningen van de erkende kredietmaatschappijen zijn niet te verwarren met de 'gesubsidieerde' sociale leningen van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) en het Vlaams Woningfonds.

Eerste hervorming van de sociale en erkende kredietmaatschappijen

De voorbije jaren zijn de kredietmaatschappijen doorheen een rationalisatie gegaan. Voorheen bestonden er sociale kredietmaatschappijen en erkende kredietmaatschappijen. De erkende waren de erfgenamen van de ASLK-Fortisgroep. De sociale werden erkend door de toenmalige VHM nadat ze uit de Fortisgroep waren gestapt.

Microkredieten en sociale consumentenkredieten

Via deze nota willen we bekendheid geven aan twee initiatieven van Hefboom (microkredieten en sociaal consumentenkrediet) en nagaan wat we vanuit het ACW kunnen doen om er meer ruchtbaarheid aan te geven.

I. Microkredieten

1. Wat zijn microkredieten

Microkrediet is volgens Wikipedia een onderdeel van het groter omvattende begrip microfinanciering. Microkredieten zijn kleine leningen (tot maximaal enkele honderden euro's) die voornamelijk worden toegekend aan kleine (vrouwelijke) ondernemers in ontwikkelingslanden die daar, door een gebrek aan onderpand, een vast maandinkomen en een gebrek aan kredietgeschiedenis niet kunnen lenen bij traditionele banken. Een microkrediet verschaft deze ondernemers de mogelijkheid te investeren in bijvoorbeeld de aanschaf van een koe, naaimachine, of een winkel en daardoor in de toekomst hun financiële positie te verbeteren. Het gaat hierbij om het helpen zichzelf te ontwikkelen (ontwikkelen van financiering) en niet alleen om het geven van geld (financiering van ontwikkeling). Microkrediet wordt zowel voor winstgeneratie alsook als non-profit initiatief aangeboden.

Zoals uit deze definitie blijkt, wordt het begrip sterk geassocieerd met ontwikkelingslanden. Maar ook in Europa zijn er toepassingsmogelijkheden en winnen microkredieten veld. Ook hier met als doel mensen met ondernemerszin die niet kredietwaardig zijn en geen krediet bij een bank kunnen krijgen, op weg te helpen. Het gaat daarbij per definitie om kleine bedragen voor bv. de aanschaf van een kleine vrachtwagen edm.

In België werken zowel Crédal (Wallonië) als Hefboom met microkredieten. We belichten hier beider modellen en geven een korte evaluatie.

1.1 Microkredieten door Crédal

Het idee om ook in Europa met microkredieten aan de slag te gaan in de strijd tegen ar-moede komt uit Frankrijk. Ook in Wallonië en Franstalig Brussel hebben ze al enkele jaren ervaring met het verstrekken van microkredieten. Hun doel is een kleine lening te verstrekken aan mensen die moeilijk toegang hebben tot de bank en hun eigen kleine onderneming willen oprichten, maar niet borg kunnen staan. Hun doelgroep zijn mensen die schuldenlast hebben, werkzoekenden, mensen die failliet zijn gegaan, werkende armen en mensen die geen waarborg kunnen bieden.

Gemiddeld verstrekken zij een krediet van 9.000 euro, die binnen een periode van 44 maanden wordt terugbetaald. In 79 % van de kredietverstrekkingen wordt er een bedrijfje opgericht en het geld dient voor de aankoop van stock, materialen, wagen, publiciteit,…

Van de 837 (eerste) aanvragen werden er in 2007 uiteindelijk 107 goedgekeurd. De aanvragen worden beoordeeld, opgemaakt en ingediend bij Crédal via lokale steunpunten. Crédal beoordeelt de aanvraag en bereidt het document voor voor het beslissingcomité.

Crédal werkt met twee soorten kredietformules:

  • de solidaire lening (betaald door fonds, beheerd door Participatiefonds + Crédal)
  • MC2 (= een starterskrediet of een kaskrediet, betaald uit eigen middelen Crédal)

Evaluatie

Wat doelgroep betreft: 66 % van de micro-ondernemers waren vroeger steuntrekkers, 30 % oefenden al een zelfstandige activiteit uit, 60 % zijn mannen en 30 % zijn jonger dan 30 jaar. Het hoogst behaalde diploma is voor 70 % het diploma van hoger middelbaar onderwijs en 36 % van de micro-ondernemers zijn gedomicilieerd in Brussel.
Uit de evaluatie blijkt dat slechts de helft van de kredieten worden terugbetaald. De indruk bestaat dat de regionale steunpunten iets te makkelijk krediet verstrekken aan een te kwetsbaar publiek.
Er moet dus blijvend gewaakt worden over een zekere terugbetalingscapaciteit.

1.2 De solidaire lening van Hefboom

Hefboom biedt sinds november 2007 microkredieten aan onder de noemer 'Solidaire Le-ning'. Dat gebeurt in een stevig partnerschap met het Participatiefonds en Dexia Foundation Belgium. Zij richten zich tot mensen met ondernemingszin die geen toegang hebben tot het klassieke bancaire krediet. Het moet dan ook beschouwd worden als een niche-instrument, geen massaproduct.

De Solidaire Lening is bestemd voor (natuurlijke) personen in Vlaanderen en in Nederlandstalig Brussel die als zelfstandige een eigen economische activiteit willen ontplooien, maar hindernissen ondervinden om voldoende startkapitaal te bekomen.

De kenmerken van het krediet zijn:

  • een lening tot € 12.500
  • zonder waarborgen
  • zonder eigen inbreng in geld
  • 3 maanden vrijstelling van terugbetaling van kapitaal
  • rentevoet van 5% (= lager dan bij reguliere banken en veel lager dan bij private banken)
  • terugbetaling op 4 jaar
  • gratis verplichte begeleiding tijdens de eerste 2 jaar van de activiteit.

De ondernemers kunnen zowel starters zijn als zelfstandigen die reeds actief zijn of zelfstandigen in bijberoep. Zij hebben allen gemeen dat zij geen krediet (zullen) krijgen bij een gewone bank omdat zij zich in een precaire situatie bevinden of een schuldenlast met zich meedragen.

Samen met het verlenen van krediet wordt er ook voorzien in verplichte begeleiding gedurende de eerste 24 maanden van de activiteit. Op die manier wil men de slaagkansen van de activiteit verhogen en zodoende ook de kans op terugbetaling van het krediet.

De middelen voor het toekennen van microkredieten zijn afkomstig van het Participatiefonds en via Dexia Foundation Belgium. Hefboom verzorgt de contacten met de kredietaanvragers.

Evaluatie

Hefboom sloot zijn eerste activiteitsjaar in het domein van het microkrediet boven de ver-wachtingen af. Dat bevestigt dat ook in Vlaanderen microkredieten tegemoetkomen aan een behoefte. 53 % van de micro-ondernemers die werden gefinancierd door Hefboom waren afkomstig uit West- en Oost-Vlaanderen, 60 % was mannelijk en 42 % was voordien werkloos. De meeste van deze micro-ondernemers waren tussen 18 en 39 jaar oud (76 %).

Hefboom heeft nu 1,5 jaar ervaring in Vlaanderen en wil langzaam verder groeien. Tot nu blijkt dat 95 % van de kredieten worden terugbetaald en dat men echt een andere doelgroep bereikt.

2. Standpunten ACW

Uit de eerste evaluatie blijkt dat er echt vraag is naar dit soort microkredieten. Mits een intensieve begeleiding is dit een rendabele zaak.

Hefboom wil op deze weg verder en het systeem ruimer bekend maken in Vlaanderen, zowel bij de doelgroep, maar ook bij de tussenorganisaties die in contact staan met deze doelgroep: de VDAB, het OCMW, UNIZO, Sociale economieprojecten,...

Het ACW steunt deze ontwikkeling en wil meewerken een ruimere bekendmaking en betere toeleiding van potentiële klanten via de intermediairen.

Intern werd hierover gecommuniceerd via een artikel in Bruis van november 2009. Naar de buitenwereld toe is het voorstel dat de ACW-secretarissen een (model-)brief sturen naar de ACW-mandatarissen die actief zijn in de gemeente, het OCMW en in sociale eco-nomieprojecten om ruchtbaarheid te geven aan het bestaan en de mogelijkheden van microkredieten.

II. Wat is een sociaal consumentenkrediet

Het sociaal consumentenkrediet onderscheidt zich van het microkrediet omdat het niet gericht is op het financieel ondersteunen van ondernemers. Het is een krediet dat zich richt op consumenten, maar dat een alternatief wil aanbieden voor de bestaande dure consumentenkredieten van de banken of grootwarenhuizen.

Het sociaal consumentenkrediet richt zich tot mensen met een laag inkomen die zich een essentieel, duurzaam goed moeten aanschaffen (bv. auto, rijbewijs, koelkast, wasmachine,…), maar hiervoor niet over voldoende middelen beschikken. Er wordt wel nagegaan of mensen het krediet kunnen terugbetalen. De intresten bedragen 5 % (tegenover 19 % bij commerciële banken!) op bedragen tussen 500 € en 7.500 €.

2.1 Crédal

Tot op heden kende Crédal 220 sociale consumentenkredieten toe, een activiteit die een steile opgang beleeft. Dankzij het sociaal krediet kan men een tweedehands wagen kopen, werken laten uitvoeren in zijn woning, meubels, huishoudtoestellen of een pc aankopen, zijn gezondheidszorg financieren enz. Een dergelijk klein krediet kan de leefomstandighe-den van een heel gezin verbeteren. 71 % van deze door Crédal verstrekte kredieten ging naar Wallonië, 29 % naar Brussel, en voornamelijk naar vrouwen (56 %). 70% van de aanvragen kwam van steuntrekkers. 43 % van de aanvragers was alleenstaand en 27 % was alleenstaand met een gezin. 69 % van de aanvragers had een maandelijks gezinsinkomen van minder dan 990 euro. Merk op dat het aantal schadegevallen voor sociaal begeleide kredieten bijzonder goed onder controle is.

2.2 Hefboom

Hefboom onderzoekt momenteel de mogelijkheden hiervan en wil in 2010 drie proefprojecten starten in drie verschillende types van gemeenten (grootstad, centrumstad en kleinere gemeente). Momenteel wordt nog gezocht naar financiële middelen voor de oprich-ting van een waarborgfonds en voor de begeleidingskost.

2.3 Standpunt ACW

ACW vindt het positief dat Hefboom hiermee experimenteert en kijkt uit naar de resultaten. Sociale consumentenkredieten kunnen een bijdrage leveren aan een meer sociaal rechtvaardige samenleving en een alternatief aanbieden voor de meer agressieve politiek inzake kredietverstrekking van sommige banken.

Aangezien het sociaal consumentenkrediet nog moet worden opgestart is het te vroeg om hier ruime ruchtbaarheid aan te geven.

ACW-visie op eenheidsdecreet maatwerkbedrijven

1 Huidige stand

Binnen de sociale economie zijn de beschutte werkplaatsen de oudste werkvorm. Ontstaan en gegroeid om tewerkstellingskansen te bieden aan personen met een handicap, zijn zij momenteel ook uitgegroeid tot de grootste sector in de sociale economie met 12 000 arbeidsplaatsen.

Veel recenter zijn de sociale werkplaatsen. Ontstaan als antwoord op de hoge en langdurige werkloosheid in de jaren ’90, waarbij stilaan duidelijk werd dat door de hoge eisen van de reguliere arbeidsmarkt heel wat mensen niet meer aan een job zouden geraken, ook niet in tijden van hoogconjunctuur. Ook hier zijn de instapcriteria behoorlijk hoog: minstens 5 jaar werkloosheid en geen diploma secundair onderwijs, gecumuleerd met psychische, fysieke of sociale problemen. De sociale werkplaatsen zijn uitgegroeid tot een sector met 2 766 arbeidsplaatsen (voltijds equivalent) en 553 (voltijds equivalent, omkadering) in 2007.

Hoewel beide circuits zich totaal onafhankelijk hebben ontwikkeld, zijn er toch heel wat parallellen te trekken. Zo zijn ze beide gericht op personen met een handicap en bij uitbreiding, op personen met een arbeidshandicap. Beide zoeken naar een moeilijk evenwicht tussen sociale en economische doeleinden. Beide sectoren worden sterk gesubsidieerd om de sociale doelstellingen te kunnen realiseren en ontvangen bijkomende middelen voor omkadering. Het eigen verdienvermogen is relatief beperkt.

Toch zijn er ook heel wat verschilpunten. De beschutte werkplaatsen hebben zich vooral ontwikkeld in niches van industriële sectoren. Daardoor zijn ze ook meer en meer onderhevig aan de internationale concurrentie. Een aantal kunnen zich nog moeilijk economisch handhaven. De sociale werkplaatsen daarentegen hebben zich vooral ontwikkeld in nieuwe economische niches, zoals kringloopcentra, alternatieve voedingsproductie, toerisme, fietsherstellingen edm. Ook de subsidiekanalen zijn niet helemaal gelijklopend, waarbij de sociale werkplaatsen ongeveer 77 % subsidie krijgen per tewerkstellingsplaats en de BW 72 %.

2 Visienota

Vanaf het begin van deze Vlaamse legislatuur is het de bedoeling van de ministers van Werk en Sociale economie om de regelgeving omtrent de BW en de sociale werkplaatsen meer op elkaar af te stemmen. Dit is het gevolg van een aantal opties die voordien genomen zijn:

  • de overheveling van het luik arbeid en tewerkstelling van het departement welzijn naar het departement werk, waardoor een meer geïntegreerde benadering mogelijk wordt;
  • de uitbreiding van de groep Personen met een handicap naar personen met een arbeidshandicap en de afstemming van de dienstverlening van de VDAB en het ATB daarop;
  • activering van doelgroepen, waaronder mensen met een handicap, naar werk.

Momenteel ligt er een visienota voor die het resultaat is van diverse overlegrondes met de betrokken actoren (werkgeversfederaties, sociale partners, VOSEC).

Motieven voor een éénheidsdecreet

  • Tewerkstellingskansen voor arbeidsgehandicapten verder verhogen
  • Een globale visie t.a.v. de ondersteuningsmaatregelen voor personen met een arbeidshandicap uitwerken (ook cao 26, VIP, aanpassing arbeidspost, doventolken …). Deze visie komt erop neer dat men drie pistes bewandelt:
    • ondersteuning bij tewerkstelling in reguliere circuit
    • Supported employment: reguliere tewerkstelling mét ondersteuning op de werk vloer;
    • maatwerkbedrijven: integratie BW + SW
  • De maatwerkbedrijven vormen het sluitstuk in het tewerkstellingsbeleid t.a.v. personen met een arbeidshandicap en hebben organisatorische én inhoudelijke meerwaarde voor de doelgroep en een gemeenschappelijke aanpak van de uitdagingen (vergrijzing doelgroep, nieuwe niches, nieuwe werkvormen);
  • De Europese regelgeving bepaalt mee het kader van de sociale tewerkstelling. De Europese verordening omtrent werkgelegenheidssteun maakt onderscheid tussen ‘kwetsbare werknemers’ en ‘gehandicapte werknemers’. Alnaargelang de doelgroep variëren ook de toegelaten steunpercentages. Hoe dan ook is het maximale toegelaten percentage (60 % voor gehandicapte werknemers) lager dan het huidige steunpercentage (72 %).

Krachtlijnen van het nieuwe decreet

Doelgroep

Doelgroep voor de BW en SW worden alle ‘arbeidsgehandicapten’ die op één of andere manier een door de overheid (VAPH, VDAB …) erkende aandoening/handicap hebben. Concreet gaat het over:

  • mensen met een erkenning VFSIPH;
  • rechthebbenden op een integratietegemoetkoming of inkomensvervangende tegemoetkoming;
  • recht geven op verhoogde/bijkomende kinderbijslag;
  • een uitkering krijgen van fonds voor beroepsziekten of arbeidsongeval;
  • recht hebben op een invaliditeitsuitkering van het ZIV;
  • BUSO-kwalificatie;
  • attestering van een arbeidshandicap door een gespecialiseerde arbeidsdienst (DGA, arbeidsgeneesheren van RVA, VDAB, Mutualiteit of behandelende specialist).

Binnen deze doelgroep van arbeidsgehandicapten is het aan de VDAB (en de door haar erkende partners) om te bepalen wie in aanmerking komt voor extra ondersteuningsmaatregelen. Het moet gaan om een groep mensen waarvan in beginsel of doorheen de trajectwerking duidelijk is geworden dat een baan in het reguliere circuit niet mogelijk is zonder extra ondersteuning (op structurele basis). Het element van de extra ondersteuning (hetzij rendementsondersteuning hetzij nood aan gegarandeerde begeleiding op de werkvloer) vormt dus het bepalende criterium betreffende de afbakening van de doelgroep van dit decreet. Toegang tot maatwerkbedrijven (BW en SW) en tot supported employment kan enkel na advies van de arbeidsspecialist dat extra gegarandeerde begeleiding op de werkvloer nodig is om tewerkstelling te realiseren (hetzij bij eerste contact hetzij doorheen de trajectwerking).

Mensen moeten een volwaardig contract krijgen als werknemer. Het gaat dus om mensen die toegeleid (kunnen) worden naar een volwaardige tewerkstelling in het reguliere of sociale economiecircuit, mits extra ondersteuning (rendements- en/of begeleidings-ondersteuning). Arbeidszorg valt buiten de toepassing van dit decreet.

De VDAB (of het subsidieagentschap of de inspectie) zorgt op periodieke basis voor een herevaluatie van de doelgroepwerknemers wat concreet inhoudt dat de genomen acties en beslissingen met het maatwerkbedrijf worden afgetoetst.

Financiering

Twee soorten subsidies:

  • een subsidie voor het (reële) rendementsverlies van de doelgroepwerknemer, met een max. van 60 % van de loonkost voor ‘gehandicapte’ werknemers en 50 % van de loonkost gedurende 1 jaar voor ‘kwetsbare’ werknemers (EU);
  • een compensatie voor de extra directe begeleidingskosten (in een rugzak per werknemer), met een max. van 100 % van de loonkost (EU).

De federale subsidiëring blijft behouden: structurele vermindering loonkost, SINE en Gesco’s.

Specifieke bepalingen voor de maatwerkbedrijven

  • Erkenning nodig als maatwerkbedrijf.
  • Meerderheid (75 % vlgs EU) van de werknemers zijn doelgroepwerknemers.
  • Specifieke erkenning voor specifieke methoden, zoals supported employment of enclavewerking mogelijk.
  • 1 begeleider per 10 doelgroepwerknemers.
  • Respecteren van MVO-principes.
  • Vrijheid van aanwerving van doelgroepwerknemers (mits min. 75 %, mits aandacht voor alle deeldoelgroepen).
  • Vrijheid op vlak van activiteiten.
  • De basissubsidie zal variëren naarmate een bedrijf meer inspanningen levert dan strikte naleving erkenningscriteria.
  • Een zekere schaalgrootte nastreven en een minimum aantal doelgroepwerknemers (hoeveel?) in dienst hebben, zoniet krijgt bedrijf enkel doelgroepsubsidies en geen basissubsidie.
  • Onderzocht wordt of in de toekomst ook subsidies mogelijk zijn voor investeringen in gebouwen en machines.
  • Voor innovatie moeten de maatwerkbedrijven toegang hebben tot de bestaande ondersteuningsmogelijkheden.

Supported employment

Supported employment laat toe om doelgroepwerknemers tewerk te stellen bij een reguliere werkgever in combinatie met een structurele begeleiding. Supported employment kan worden aangeboden vanuit een maatwerkbedrijf maar zou in de toekomst ook door andere organisaties kunnen worden aangeboden. Het vergt specifieke erkenningsvoorwaarden.

3 Reacties van het veld

Twee koepels zijn direct betrokken partij: SST (koepel sociale werkplaatsen) en Amfion (koepel beschutte werkplaatsen). Ook de drie vakbonden hebben een aantal elementen ingebracht. De belangrijkste bekommernissen die leven zijn:

  • de voorgestelde doelgroepafbakening van erkende arbeidsgehandicapte is te eng en zal veel langdurig werkzoekenden met veelvuldige sociale problematieken (= de huidige doelgroep van SW) uitsluiten;
  • er is een verschil in visie over supported employment en arbeidszorg: de sector beschouwt dit als methodieken die binnen een maatwerkbedrijf kunnen aangeboden worden, de minister plaatst ze ernaast, resp. erbuiten;
  • de financiering die door EU wordt toegelaten dreigt kleiner te zijn dan de huidige subsidiëring en dit zorgt voor ongerustheid;
  • de sector pleit voor behoud en subsidiëring van kleinschalige, kwaliteitsvolle initiatieven, terwijl de minister eerder voor schaalvergroting pleit.

ACV heeft in het verleden gepleit voor een harmonisering van de regelgeving van de BW en SW, met daarbij aandacht voor:

  • de doelgroepomschrijving: mag niet te ruim zijn, vermijden van deadweight effecten;
  • de verdringing van de zwaksten binnen de doelgroepen; geen verdringing naar niet-betaalde arbeidszorg;
  • de onderlinge concurrentie tussen BW’s en SW’s op het terrein (o.v.v. activiteiten, doelgroepen, klanten …);
  • harmonisering van de bestaande inschakelingspremies (VIP en cao 26) ter ondersteuning van tewerkstelling in reguliere circuit.

ACW-houding

Het ACW ondersteunt ten volle het proces dat is ingezet om te komen tot een eenheidsdecreet die de BW en SW samenbrengt en de regelgeving op elkaar afstemt. Dit biedt heel wat mogelijkheden om te komen tot meer afstemming en samenwerking, om de krachten te bundelen en om als sector verder te kunnen groeien. Het voorstel dat momenteel op tafel ligt, is een consistent werkstuk waarbij met heel wat bekommernissen van de sector en de sociale partners is rekening gehouden. Dat neemt niet weg dat er nog heel wat vragen of bemerkingen zijn, die we ook vanuit het ACW kunnen inbrengen.

  1. De doelgroepomschrijving is afgestemd op de Europese verordening werkgelegenheidssteun. Hierdoor dreigen heel wat potentiële doelgroepwerknemers die nu wel bereikt worden door de SW uit de boot te vallen. De vraag is of een attest van de VDAB-bemiddelaar dat een langdurig werkzoekenden met meerdere sociale achterstellingskenmerken niet kan opgenomen worden in de lijst van criteria voor ‘arbeidsgehandicapte’. Het ACW dringt er bij de bevoegde minister op aan alles in het werk te stellen om de subsidiëring voor langdurig werkzoekenden met sociale problematieken te vrijwaren.
  2. Door de huidige verdeling tussen gewest- en gemeenschapsbevoegdheden dreigen de Brusselse Vlamingen met een arbeidshandicap tussen de mazen van het net te vallen. Het ACW dringt er op aan dat er duidelijke afspraken worden gemaakt tussen de VDAB en Actiris (= vroegere BGDA) over de screening en toeleiding van personen met een handicap naar tewerkstelling, al dan niet in een maatwerkbedrijf. Twee principes zijn daarin belangrijk: (a) Brusselse Vlamingen met een arbeidshandicap moeten de mogelijkheid hebben om in het Vlaams gewest in een maatwerkbedrijf te gaan werken. (b) de Vlaamse rugzakfinanciering moet ook gelden voor tewerkstelling bij een werkgever buiten Vlaams gewest.
  3. De screening van de werkzoekenden met een arbeidshandicap gebeurt voortaan door een gespecialiseerde dienst van de VDAB. De arbeidsspecialist van de VDAB zal een belangrijke rol spelen in het al dan niet toekennen van loonkostsubsidie en/of begeleidingssubsidie. Hij moet over de nodige en adequate instrumenten beschikken om dit op objectieve en transparante basis te kunnen doen.
  4. Arbeidszorg wordt uitgesloten uit de toepassing van het decreet. Volgens het ACW moet arbeidszorg wel een duidelijke plaats krijgen, al dan niet met een eigen decretale onderbouw. Er moet in ieder geval over worden nagedacht welke rol arbeidszorg kan vervullen. Het discussiepunt is of arbeidszorg enkel mag dienen als springplank naar betaald werk in de sociale economie, dan wel kan fungeren als terugvalbasis en finale oplossing voor mensen die niet (meer) in staat zijn om betaald werk uit te voeren. Vraag is arbeidszorg beide doelstellingen kan verenigen. Ook de relatie met de dagactiviteitencentra moet worden uitgeklaard.
  5. Er is ook een harmonisering van de cao 26 en VIP voorzien voor de nieuwe werknemers. Volgens het ACW moet de nieuwe loonkostsubsidie zo eenvoudig en laagdrempelig mogelijk zijn, die werkgevers effectief aanzet tot aanwerving van een persoon met een handicap.
  6. Er is nog veel onduidelijkheid over het toekomstig budget. Een herstructurering kan moeilijk budgetneutraal zijn. Bovendien moet de sector ook nieuwe middelen krijgen om te groeien. Tot slot is het absoluut noodzakelijk dat de rugzakfinanciering een open budget is: elke werkzoekende die er recht op heeft, moet er een beroep op kunnen doen. Dit mag niet gecontingenteerd worden.
  7. Supported employment kan maar ten gronde worden geregeld indien de resultaten van de evaluatie bekend zijn. In ieder geval moeten we vermijden dat interimbureaus zich hiertoe geroepen zouden voelen.
  8. Bij velen leeft de onrust dat de zwakste werknemers omwille van de uitbreiding van de doelgroep zullen verdrongen worden en nog moeilijker werk zullen vinden. Dit moet worden voorkomen door de rugzakfinanciering voldoende ruim te maken.
  9. Om regionaal concurrentie tussen maatwerkbedrijven te vermijden, moet er meer worden samengewerkt. Zo moeten de maatwerkbedrijven elkaar aanvullen qua activiteiten en niet beconcurreren met dezelfde activiteiten. Ook de adviesfunctie van het RESOC (bij erkenning van dossiers) moet behouden blijven.
  10. Het aanbod moet voldoende regionaal gespreid zijn, zodat het effectief toegankelijk is voor de doelgroep.

Vermarkting van de zorg. Waar hebben we het over?

Het afgelopen jaar werd er in de pers veel gezegd en geschreven over de vermarkting van de zorg. Nu eens ging het over het verder aantrekken van buitenlandse patiënten naar Belgische ziekenhuizen, dan weer over de bouw van commerciële rusthuizen. In nog een ander artikel bleek het over de invoering van de dienstencheques in de kinderopvang te gaan. De aandachtige lezer/luisteraar heeft wellicht begrepen dat het telkens over iets anders gaat.

Als het over vermarkting van de zorg gaat, is het van groot belang eerst te achterhalen waar het over gaat. De eerste vraag die men zich moet stellen is welke vorm van vermarkting men beoogt. Meer commercieel initiatief? Minder regulering door de overheid? Beter en efficiënter beheer van de zorginstellingen? Of de inbreng van privaat kapitaal voor de bouw en/of uitbating van zorginstellingen?

De tweede vraag is of men binnen de huidige wetgeving al dan niet mogelijkheden heeft om naar meer vermarkting te gaan. Of bepleit men juist een wetswijziging om meer marktwerking toe te laten. Er is op dit punt een wezenlijk verschil tussen de verschillende deelsectoren van de zorg. Wettelijk zijn vandaag commerciële ziekenhuizen uitgesloten maar commerciële rusthuizen en kinderdagverblijven zijn wel al mogelijk. Tot voor enkele jaren waren er geen uitzendbureaus, noch commerciële werkgevers actief op het terrein van de thuiszorg, maar via de dienstencheques hebben zij een voet tussen de deur gekregen. Aanvankelijk enkel voor poetshulp, nu ook voor kinderopvang aan huis.

Ten derde moet men zich de vraag stellen wie er belang heeft bij meer vermarkting. Wie is er vandaag vragende partij? Dan blijkt al snel dat het debat aangezwengeld wordt vanuit de Europese Commissie die tot op heden vooral lippendienst bewijst aan de gezondheidszorg als Dienst van Algemeen Belang. Deze dienst is niet onderworpen aan de werking van de vrije markt maar neemt wel initiatieven om meer marktwerking mogelijk te maken. Bovendien staat de wereld rondom ons niet stil. In onze buurlanden zijn wel al commerciële ziekenhuizen actief en maken grote commerciële actoren met veel geld zich op om ook op de Belgische markt te gaan investeren. Als er financiële groepen zijn, dan zijn er ook lobbyisten, politici en drukkingsgroepen die hier oren naar hebben.

En tot slot moet men zich de vraag stellen welke effecten dit zal hebben op ons zorgmodel, zoals het in België na vele jaren van overleg is tot stand gekomen. Wat zullen de effecten zijn op de financiering van de zorg, op de toegankelijkheid en de betaalbaarheid voor de gebruiker en op de kwaliteit, zowel de kwaliteit van de zorg als de kwaliteit van het werk.

Niet elke vorm van vermarkting is te verwerpen. Niet elke vorm van vermarkting zal de fundamenten van ons zorgmodel ondergraven. De opdracht is te komen tot een helder begrip van de huidige situatie, van de gewenste en de ongewenste ontwikkelingen én van de instrumenten die de overheid voldoende houvast bieden om te kunnen blijven sturen en reguleren.

Standpunt activiteitencoöperaties

Wat zijn activiteitencoöperaties

Wat

Een activiteitencoöperatie is een redelijk jonge werkvorm binnen de sociale economie. Deze werd gelanceerd in 1999, maar de groei en ontwikkeling kwam maar langzaam op gang, zeker in Vlaanderen.

Momenteel zijn er 4 AC erkend in Vlaanderen: Co-actief in Antwerpen, Ondernemersatelier in Genk, Startpunt in Gentbrugge en Take Off in Oudenburg. Het doel is 1 per provincie. Een vijfde is in oprichting in Vlaams Brabant. In Brussel heeft de vzw De Overmolen initiatief genomen.

Doel

Het doel van een activiteitencoöperatie is om werkzoekenden of leefloners een begeleide tussenstap te bieden richting ondernemerschap. Op die manier fungeert de AC als een schakel in het inschakelingstraject van werkzoekenden en leefloners richting arbeidsmarkt. Via de AC wil men meerdere doelstellingen combineren:

  • het aantal zelfstandige ondernemers verhogen;
  • het aantal werkzoekenden verlagen (via vestiging als zelfstandige);
  • de drempels wegwerken voor werkzoekenden om zich te vestigen als zelfstandige;
  • het versterken van de vaardigheden en competenties van werkzoekenden;
  • het aanbieden van een persoonlijke én professionele begeleiding aan kandidaatzelfstandigen, waardoor hun slaagkansen substantieel verhogen;
  • de overgang van het statuut van werkzoekende naar het statuut van zelfstandige vergemakkelijken;
  • het creëren van een veilige ruimte waarbinnen men kan experimenteren met een minimum aan risico’s. 

Doelgroep

De grootste groep zijn de uitkeringsgerechtigde werklozen. Maar daarnaast komen ook niet-werkende werkzoekenden aan bod, zoals leefloners, schoolverlaters, herintreedsters, personen zonder statuut en outplacementgerechtigden.

Werking

De aanpak wordt gekenmerkt door:

  • het experimenteren en uittesten van activiteiten in een reële context;
  • samen ondernemen in een coöperatief verband, o.m. door het bundelen van middelen en (logistieke) diensten;
  • ondernemen in loondienst: ondernemen met een minimum aan risico en in een veilige omgeving (m.n. in loonverband);
  • begeleiding op maat, naargelang de vraag en de noden in de loop van het project;
  • het vertrekt vanuit een ondernemerslogica, het doel is om te evolueren naar een volwaardig ondernemerschap;
  • coöperatief ondernemen, niet op niveau van de werkzoekenden, wel op niveau van de initiatiefnemers.

De activiteitencoöperatie is te onderscheiden van een tewerkstellingscoöperatie. In een tewerkstellingscoöperatie is het de bedoeling dat de kandidaat-ondernemers ook coöperant zijn en blijven. De activiteitencoöperatie is eveneens te onderscheiden van de starterscentra. Deze zijn meer gericht op het helpen oprichten van invoegbedrijven. Beide initiatieven zijn complementair. 

Juridisch kader

Er bestaat vandaag geen duidelijke juridische grond voor de activiteitencoöperaties en zeker niet voor het statuut ‘ondernemer in loondienst’. De minister van Tewerkstelling heeft wel het kader vastgelegd via een ministeriële brief en via de minister van Sociale Economie wordt er in een financiële ondersteuning voorzien.

De voorwaarden zijn:

  • de activiteiten in een AC moeten innoverend zijn of beantwoorden aan nieuwe behoeften of dienstverleningen;
  • bepaalde activiteiten worden uitgesloten;
  • opgericht zijn als vennootschap met sociaal oogmerk;
  • max. aantal maatschappelijke aandelen is 1.239,47 EUR;
  • alle aandeelhouders hebben gelijk stemrecht (één stem per aandeelhouder);
  • de maatschappelijke zetel en min. 1 uitbatingszetel moet in België gevestigd zijn;
  • per ondernemer een maandelijkse analytische boekhouding bijhouden;
  • duur van het experiment is één jaar, met mogelijkheid tot verlenging;
  • oprichten van een stuur- en begeleidingsgroep.

Statuut van de werknemer

Vandaag bestaat er geen specifiek statuut voor deze specifieke categorie van ‘ondernemer in loondienst’. Dat betekent dat men terugvalt op het werknemersstatuut. De specifieke modaliteiten zijn geregeld via een ministeriële omzendbrief van de minister van Werk. Elementen daarin zijn:

  • de AC is de werkgever van de ondernemer in loondienst;
  • elke werkzoekende kan ondernemer in loondienst worden;
  • de arbeidsovereenkomst moet minstens halftijds zijn;
  • de arbeidsovereenkomst kan van bepaalde of onbepaalde duur zijn;
  • de AC betaalt het loon en de sociale zekerheidsbijdragen, ook als de inkomsten van de ondernemer in loondienst onvoldoende hoog zijn;
  • de werkgever moet ook de werkroosters opmaken en de wettelijke verplichtingen t.a.v. de uurroosters van deeltijdsen moeten nagevolgd worden; 
  • behoud van recht op werkloosheidsuitkering conform statuut van deeltijdse werknemer;
  • de werknemer betaalt 10 % van zijn gerealiseerde omzet aan de AC.

De minister van Tewerkstelling denkt eraan een volwaardig statuut voor de activiteitencoöperaties uit te werken. In grote lijnen denkt men aan een overeenkomst tussen de kandidaat-ondernemer en de AC, die niet langer dan 18 maanden mag duren. Tijdens de duurtijd van deze overeenkomst behoudt de kandidaat-ondernemer het recht op werkloosheidsuitkering of leefloon. Daarnaast wordt ook een cumul voorzien met een vergoeding die door de AC verstrekt wordt. (gedacht wordt aan een vergoeding van 2 euro per uur de eerste 6 maanden, nadien is een verhoging mogelijk). Het opgebouwde kapitaal uit de zelfstandige activiteit zou kunnen opgespaard worden en overgeheveld na uittreding uit de AC.

Activiteiten

In principe komen alle activiteiten in aanmerking, maar de wetgever heeft een aantal activiteiten expliciet uitgesloten. Het betreft:

  • de bouw;
  • activiteiten waarvoor aanzienlijke investeringskosten nodig zijn;
  • activiteiten die niet gedekt worden door een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid door een verzekeringsmaatschappij.

Subsidies en financiering AC

De minister van Sociale Economie voorziet enkel in een startsubsidie (éénmalig) van 62.000 EUR. Meer reguliere subsidies moeten eventueel bij de gewesten aangevraagd worden. Het Vlaams gewest voorziet in een forfaitaire financiering van 100.000 euro per jaar. Het Waals gewest maakt zijn financiering afhankelijk van de kenmerken van de tewerkgestelden. Deze forfaitaire subsidie is bedoeld voor de begeleiding van de kandidaat-ondernemers.

Binnen het AC is de afspraak dat de facturatie aan de klanten via het AC gebeurt. Er wordt wel per ondernemer een aparte boekhouding bijgehouden. Voor de financiering van het secretariaat en het AC wordt er een voorheffing van 10 % op de omzet van de ondernemer afgehouden. Naarmate de inkomsten van de ondernemer groeien, groeit ook zijn bezoldiging.

Aanwezigheid in Vlaanderen

Vlaanderen telt momenteel 4 activiteitencoöperaties die samen een 100-tal werkzoekenden hebben onthaald, waarvan 25 een begeleiding kregen. Het gemiddelde resultaat voor een activiteitencoöperatie is een uitstroom van 8 deelnemers als zelfstandige, 4 in loondienst, 4 in loondienst met zelfstandige activiteit in bijberoep en 3 die een bijkomende opleiding volgen. 

Beoordeling

Mogelijkheden

  • Nieuwe werkvorm kan nieuwe doelgroep aanspreken om zelfstandige activiteit te starten.
  • Beantwoordt aan nood (experimenten in een veilige omgeving met een inkomensgarantie). Dit is van belang voor mensen met gezinslast, werkzoekenden met beperkt beginkapitaal, behoud recht op uitkering bij falen.
  • Een goede begeleiding verhoogt de slaagkansen als zelfstandige.

Moeilijkheden

  • Aantal onverenigbaarheden in het huidige combinatiestatuut van zelfstandige in loondienst: o.a. wetgeving op uurroosters van deeltijdsen, maximum arbeidstijd per week … Het voorstel van minister van Werk (doorbetalen uitkering + bijkomend ‘uurloon’) lijkt beter verdedigbaar.
  • De werkingsmiddelen voor de AC, waaronder een belangrijk deel overheidssubsidies, zijn ontoereikend voor een kwaliteitsvolle begeleiding van de zelfstandigen in loondienst.

Standpunt ACW

  • Het ACW onderschrijft de doelstelling van een activiteitencoöperatie als een schakel in het activeringstraject van werkzoekenden naar werk. Positief is dat werkzoekenden met een zekere afstand tot de arbeidsmarkt ook begeleiding en ondersteuning kunnen krijgen in hun traject naar een zelfstandige activiteit. Aangezien de AC werkzoekenden toeleidt naar het zelfstandig ondernemen, is het wel noodzakelijk dat niet alleen het SZ-stelsel van de werknemers, maar ook het SZ-stelsel van de zelfstandigen bijdraagt aan de financiering van de AC en het statuut.
  • De activiteitencoöperatieve vult een niche tussen de coöperatieve (samen ondernemen met een sociaal oogmerk) en een sociaal economieproject. Daarnaast moet er ook nog werk gemaakt worden van andere varianten, zoals de tewerkstellingscoöperatie en de coöperatieve met sociale tewerkstelling.
  • Het takenpakket van AC is zinvol en waardevol (screening, begeleiding, ondersteuning ...), mits het gericht blijft op de meer kwetsbare groepen die een zekere afstand hebben tot de arbeidsmarkt.
  • De AC’s zijn complementair aan de starterscentra: samenwerking/integratie van beide is nodig, er moet geen apart circuit worden uitgebouwd.
  • Er moet werk gemaakt worden van het statuut van de kandidaat-ondernemer in AC. ACW is geen voorstander van een nieuw soort tussenstatuut. Een tijdelijk statuut waarbij de uitkering wordt doorbetaald en aangevuld met een inkomen per uur ligt meer in de lijn van andere stelsels (PWA, activering uitkeringen ...).
  • De MVO-gedachte moet meer ingebed worden in de werking van de AC, minstens op het niveau van de AC zelf.
  • De begeleiding door een AC leidt tot nieuwe competenties voor de werkzoekenden. Deze moeten via EVC worden gevaloriseerd en leiden tot het afleveren van een ervaringsbewijs of een deelbewijs tot ondernemerschap.
  • Er moet regionaal een goede samenwerking zijn met de organisaties die zich bezig houden met toeleiding, begeleiding en opleiding van werkzoekenden en begeleiding en opleiding van zelfstandigen, zodat overlap vermeden wordt, maar er in tegendeel een gerichte doorverwijzing kan gebeuren (i.c. VDAB, Unizo, Syntra). Dit vergt duidelijke afspraken, temeer om onterechte doorverwijzing van ‘moeilijke’ doelgroepen naar AC enerzijds en afroming door AC anderzijds te vermijden. Gezien het verschil in doelpubliek kunnen de uitstroomcijfers van AC en van andere organisaties voor zelfstandigen niet vergeleken worden.
  • 1 AC per provincie is voor deze doelgroep wellicht onvoldoende laagdrempelig. De intensieve begeleiding vergt heel wat verplaatsingen naar het AC. Wellicht is 1 AC per centrumstad meer op maat van de doelgroep.
  • De financiering van de AC moet meer worden afgestemd op de kenmerken van de werkzoekenden die in begeleiding zijn. Naarmate de afstand tot de arbeidsmarkt groter is, is ook de tegemoetkoming hoger. 

 

Pagina top 5

Wat is ACW ? (25158 views)
Herfst 2013 (21181 views)
Vacatures (16788 views)
Downloads (14231 views)

Contact opnemen

  • ACW algemeen secretariaat
    Postbus 20 - 1031 Brussel
    tel. 02 246 31 11
    e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • Wegbeschrijving