Een gezamenlijk standpunt van ACW, ACV, CM, Familiehulp, OKRA (KAV en KWB)
Voor een goed begrip van deze nota en de ruimere discussie is het wezenlijk dat iedereen dezelfde terminologie hanteert. We hanteren hier de terminologie zoals omschreven in het decreet op gezinszorg en aanvullende thuiszorg, aangevuld met andere begrippen.
Het huidige systeem van de dienstencheques werd ingevoerd in 2004 met als doel de gezinnen te ondersteunen bij hun combinatie gezin-arbeid, tewerkstelling te creëren voor (vrouwelijke) werkzoekenden met een lage opleiding en het zwartwerk in de sector wit te wassen. Het systeem heeft de laatste jaren een enorme groei gekend. Anno 2010 maakten in België 760.702 mensen gebruik van dienstencheques en werkten er 136.915 DC-werknemers in deze sector. Het is dus een succesformule zowel op het vlak van tewerkstellingscreatie als op het vlak van ondersteuning van gezinnen.
Toch stellen zich heel wat problemen en vragen die onherroepelijk moeten leiden tot een herdenking van het systeem. De defederalisering van deze bevoegdheid in 2014 is een goed moment voor zo’n fundamentele herdenking.
We geven hier een kort overzicht van de problemen/uitdagingen die zich vandaag stellen:
Het mag duidelijk zijn dat bovengestelde problemen/uitdagingen veel vragen oproepen, waar best een antwoord op gezocht wordt alvorens het systeem geregionaliseerd wordt.
De discussievragen die zich stellen zijn:
De adhoc-werkgroep Dienstencheques van het ACW is van mening dat het systeem grondig herdacht moet worden om het betaalbaar te houden voor de overheid, leefbaar voor de DC-ondernemingen, toegankelijk voor de gebruikers, toegespitst op de doelgroepen met de sterkste nood aan ondersteuning en werkbaar voor de werknemers. Het DC-systeem kan echter onmogelijk los gezien worden van maatschappelijke ontwikkelingen zoals de vergrijzing, de evolutie van de overheidsbegrotingen en de trend naar langer werken, noch van de beleidsontwikkelingen op andere domeinen zoals de aanvullende thuiszorg, de ouderenzorg en de kinderopvang. Als aan de mensen op actieve leeftijd gevraagd wordt langer te blijven werken, neemt de mantelzorg af en zal er ontegensprekelijk meer nood zijn aan professionele ondersteuning voor de ouder wordende bevolking.
Vandaag stellen we vast dat de dienstencheques een veel ruimer publiek bereiken dan de doelgroep die initieel was bedoeld: ondersteuning van buitenhuiswerkende gezinnen. Een belangrijke doelgroep bestaat vandaag uit niet-actieve gezinnen, in het bijzonder deze die behoefte hebben aan extra hulp in het huishouden. Daardoor is federaal een parallel beleid van ondersteuning van gezinnen gegroeid dat sterk interfereert met het beleid van de Gemeenschappen naar zorgbehoevende gezinnen. De defederalisering is een opportuniteit om opnieuw orde op zaken te stellen, met:
Uit deze benadering vloeit voor dat bij de defederalisering van de dienstencheques het budget dat naar Vlaanderen overkomt volgens een bepaalde verdeelsleutel:
Na een defederalisering moet een verdere groei van de uitgaven voor DC sterk ingeperkt worden. Het “open end”-beleid dat het federale beleid jarenlang kenmerkte, is niet houdbaar. Het zou de toekomstige beleidsruimte in Vlaanderen voor een groot deel opsouperen.
Een verdere sterke groei van het budget is op korte termijn niet alleen onhaalbaar (gezien de sanering van de overheidsbegrotingen), maar volgens het ACW ook onwenselijk (gezien de noden op andere terreinen).
Het ACW kiest voor het behoud van het DC-systeem, maar sterker toegespitst op de ondersteuning van huishoudelijke hulp i.k.v. de combinatie gezin en arbeid of de ondersteuning van gezinnen. De DC kunnen niet structureel worden ingezet in een zorgcontext, noch worden ingeschakeld in de aanvullende thuiszorg of gezinszorg (zie verder).
Om het budget van de DC onder controle te krijgen, stelt het ACW:
De dienstencheques hadden indertijd met name de bedoeling gezinnen te ondersteunen waar beide partners uit werken gingen (of in geval van eenoudergezinnen de alleenstaande ouder te ondersteunen).
De andere oorspronkelijke doelstellingen van het dienstenchequesysteem waren het creëren van arbeidsplaatsen voor laaggeschoolde vrouwen en het witten van zwartwerk. De statistieken tonen duidelijk aan dat de werkloosheid onder laaggeschoolde vrouwen sterk is gedaald. Toch komen niet alleen werkzoekenden in het systeem terecht. Het oefent ook een aantrekkingskracht uit op vrouwen die reeds elders tewerkgesteld waren en op vrouwen uit andere (oost-)Europese landen en zelfs op asielzoekers die toelating hebben om te werken. De federale regering zal daarom in uitvoering van het regeerakkoord 2011 de dienstenchequebedrijven verplichten voor 60 % van de vacatures uitkeringsgerechtigde werklozen en leefloongerechtigden in te schakelen.
In het licht van een toekomstgericht arbeidsmarkt beleid stelt het ACW voor:
Het aantal DC-ondernemingen is de laatste jaren spectaculair gegroeid. Dat stelt problemen van beheersbaarheid, controle door de overheid, leefbaarheid. Het ACW is hier vragende partij voor een evolutie naar ‘minder, maar betere DC-ondernemingen’.
Het ACW stelt voor:
Vandaag spelen de sociale partners een belangrijke rol in het beheer van de dienstencheques. Zo zijn ze betrokken in het medebeheer van de middelen via de RSZ en bij de erkenning van de dienstenondernemingen via de adviescommissie in de schoot van de RVA.
Ook in een geregionaliseerd stelsel moeten de sociale partners betrokken worden bij het medebeheer van het dienstenchequestelsel en de erkenning van de dienstencheque-ondernemingen.
Aangezien de groei in de aanvullende thuiszorg al enkele jaren geblokkeerd is, moet een deel van het budget voor de DC meteen worden ingezet voor een inhaaloperatie in de aanvullende thuiszorg en een herneming van het wettelijk vastgelegde groeipad dat gelijke tred houdt met de gezinszorg. Deze groei is nodig om de druk op of de overflow naar het DC-systeem, enerzijds, en de residentiële zorg, anderzijds, te verminderen. De sector van de DC moet wel voldoende tijd krijgen om zich hierop te heroriënteren.
Het budget voor de aanvullende thuiszorg moet rekening houden met een aantal parameters, zoals:
Het ACW wenst een duidelijk onderscheid te maken tussen huishoudelijke hulp met DC, die ook in de toekomst door commerciële actoren kan worden uitgeoefend en de huishoudelijke hulp bij zorgbehoevenden via aanvullende thuiszorg, die enkel door erkende diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg kan gebeuren. Het ACW wil geen sluipende commercialisering van de gezinszorg en van de aanvullende thuiszorg via DC.
Het probleem stelt zich echter in de grijze zone tussen huishoudelijke hulp met DC en huishoudelijke hulp in een (beginnende) zorgsituatie, waarbij noch DC-ondernemingen, noch cliënten gebaat zijn bij een overstap van huishoudelijke hulp met DC naar aanvullende thuiszorg. Daar zijn verschillende redenen voor: de DC-onderneming die niet erkend is als aanvullende thuiszorgdienst verliest een klant, de gebruiker verliest een vertrouwde huishoudster. Bovendien kan de kostprijs voor een uur zorg sterk stijgen, afhankelijk van het inkomen. Daardoor krijgen mensen met een zorgbehoefte niet altijd de meest adequate en kwaliteitsvolle hulp.
Om de grens tussen huishoudelijke hulp en aanvullende thuiszorg te verduidelijken en de overgang te vergemakkelijken stelt het ACW:
Visietekst, goedgekeurd door ACW – bestuur op 21 juni 2012
1. De PWA moet geïntegreerd worden in het Vlaamse arbeidsmarktbeleid en in de Vlaamse sociale economie.
Vandaag staat de organisatie van de PWA haaks op de organisatie van de Vlaamse sociale economie. De PWA is noch georganiseerd volgens activiteit, noch volgens doelgroep. Bovendien blijven de PWA-werknemers officieel werkzoekende met behoud van hun werkloosheidsuitkering en krijgen ze daarbovenop een vergoeding. Tot slot is ook het aantal uren per maand gelimiteerd. Enkel in de Vlaamse arbeidszorg bestaat een gelijkaardig systeem (behoud uitkering + 1 euro per ‘gewerkt’ uur).
Het ACW wenst dat de PWA geleidelijk aan ingeschoven wordt in de Vlaamse sociale economie. Dat is geen evidentie en veronderstelt een aantal wijzigingen, zoals :
2. Er moet dringend een onderzoek komen naar het profiel van de PWA-werknemers, zodat de overstap naar de Vlaamse arbeidsmarkt succesvol kan georganiseerd worden.
Vandaag is er geen goed zicht op het profiel van de PWA-werknemers. De meerderheid is boven de 50 jaar, maar het is onduidelijk of het voor deze doelgroep haalbaar is meer uren per week (min. 13u) te werken. De instroomcriteria laten vermoeden van wel, omdat de instroom in PWA vandaag automatisch gebeurt na 2 jaar werkloosheid of na 6 maanden voor wie ouder is dan 45 jaar. Leefloners kunnen zich vrijwillig inschrijven.
De PWA-ers die meer uren aankunnen moeten kunnen doorstromen naar lokale diensteneconomie of sociale werkplaatsen. Voor de PWA-ers voor wie meer arbeidsuren onmogelijk is, moeten oplossingen gezocht worden binnen arbeidszorg, de toekomstige W²-trajecten. Dit biedt ook een oplossing voor de kleine jobs van enkele uren per week
Om de overgang goed te kunnen voorbereiden is het nodig een duidelijk zicht te hebben op het huidige profiel van de PWA-werknemers.
3. Er moet voor alle PWA- werknemers een oplossing gezocht worden. Werkzekerheid en continuïteit van de activiteit zijn prioritair
Vandaag zijn in Vlaanderen nog bijna 9.000 mensen actief in de PWA, waarvan 79 % ouder is dan 50 jaar en 67 % vrouwen (à rato van 32,5 uur per maand). Een doorstroming naar de sociale economie vergt een aanzienlijk groeipad in de diverse werkvormen. Zolang er geen oplossing is ivm de uitbreiding van de andere sociale economie vormen, zoals LDE, sociale werkplaatsen of arbeidszorg, moet de PWA-activiteit worden verdergezet. Het ACW wil geen plotse stopzetting van de PWA zonder volwaardig alternatief voor de PWA-werknemers.
Daarnaast moeten ook de andere kandidaten voor een job in de sociale economie niet uit het oog verloren worden. Naast de overheveling van PWA naar sociale economie moet ook nog een netto-aangroei mogelijk zijn.
4. De Vlaamse overheid moet per werkvorm in de SE een groeipad uittekenen om de PWA-werknemers op te nemen
In functie van het profiel van de huidige PWA-werknemers kan bepaald worden hoeveel PWA-ers kunnen doorschuiven naar de lokale diensteneconomie. Deze werkvorm sluit qua activiteiten en profiel van de doelgroepwerknemers het dichtste aan bij de PWA. Een verschuiving van bijna 9.000 PWA-ers naar LDE met 1700 werknemers is echter een aanzienlijke operatie. De Vlaamse overheid moet dus tijdig een groeipad uittekenen binnen LDE.
Om deze overstap vlot te laten verlopen stelt het ACW voor dat:
Voor een deel van de PWA-werknemers zal LDE geen oplossing bieden. Wanneer hun afstand tot de arbeidsmarkt te groot is of wanneer zij onmogelijk meer dan 45u per maand actief kunnen zijn, biedt arbeidszorg (of W²) mogelijks (tijdelijk) een uitkomst. Een screening door de VDAB/GTB moet dit bepalen. Ook bepaalde PWA-kantoren zouden een deel van hun activiteiten kunnen omvormen tot W²-werkvloeren. Op die manier kunnen de PWA-activiteiten voor deze PWA-werknemers worden gecontinueerd.
5. De Vlaamse overheid moet de komende jaren de nodige middelen reserveren om de overgang van PWA naar de Vlaamse arbeidsmarkt te financieren
Het PWA-stelsel wordt vandaag volledig gefinancierd door de federale overheid (werkloosheidsuitkering en PWA-beambten). Na de regionalisering zullen de middelen voor de PWA-beambten worden overgeheveld, maar de middelen voor de betaling van de PWA-werknemers niet. De federale overheid is wel bereid de financiering van de werkloosheidsuitkering van de huidige groep PWA-werknemers voort te zetten.
Deze afspraak bevat echter een enorme valkuil. Zolang de Vlaamse overheid de PWA-werking verderzet, gebeurt de financiering door de federale overheid. Op het moment dat de Vlaamse overheid de PWA wil inschuiven in haar eigen arbeidsmarktbeleid, moet ze zelf instaan voor de financiering van de loonkost. We spreken daarbij over een budget van ongeveer 85 à 90 mio euro.
Het ACW stelt voor dat de federale overheid in een overgangsfase de federale werkloosheidsuitkeringen ook inzet in de Gewesten die de PWA-werknemers laten doorschuiven naar andere stelsels. Tijdens deze overgangsfase worden de federale middelen geleidelijk afgebouwd en krijgen de Gewesten de tijd een groeipad in de sociale economie uit te bouwen.
6. De taak en de rol van de PWA-beambten
Op basis van de krachtlijnen kunnen we ook een toekomst voor de PWA-kantoren en de PWA-beambten uittekenen. Gezien de omvang van de doelgroep en van de bestaande PWA-activiteiten stelt het ACW voor dat:
Er is in ieder geval snel duidelijkheid nodig over de toekomst van de PWA om de huidige PWA-kantoren en het lokaal overleg daaromtrent voldoende dynamisch en betrokken te houden.
7. Herdynamiseren tripartite overleg op lokaal niveau
De sociale partners zijn vandaag actief betrokken bij het beheer van de PWA-kantoren. Een overheveling van PWA naar LDE maakt het model van tripartite beheer wellicht moeilijk houdbaar. Nochtans heeft dit tripartite overleg een duidelijke meerwaarde op lokaal niveau. Het ACW stelt dan ook voor om het tripartite overleg via de lokale en/of subregionale tewerkstellingsfora te herdynamiseren en dit op het meest efficiënte beleidsniveau.
8. De toekomst van de PWA in Brussel
Ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn er nog 1748 PWA-ers actief. Aangezien de bevoegdheid wordt overgedragen aan de gewesten, zal het BHG in de toekomst moeten bepalen wat er met de PWA-werknemers zal gebeuren.
Het ACW wenst in ieder geval dezelfde redenering aan te houden als voor het Vlaams Gewest en stelt voor dat de Brusselse regering opteert voor een inschuifoperatie in de Brusselse inschakelingseconomie.
Het ACW is sterk bezorgd om de verdringingsmechanismen die er op het terrein ontstaan tussen betaalde en onbetaalde arbeid. Wij wensen een beleid dat deze verdringing aanpakt en de rechtsonzekerheid bij de doelgroep-werknemers wegwerkt.
Volgens de vertegenwoordigers van de Rondetafel Arbeidszorg is arbeidszorg “onbezoldigde arbeid, bedoeld voor mensen die niet, nog niet of niet meer terecht kunnen in het reguliere of beschermde arbeidscircuit. Arbeidszorg biedt hen arbeidsmatige activiteiten aan in een productieve of dienstverlenende werkomgeving en ondersteunt hen daarbij”. Arbeidszorg is evenwel niet gekoppeld aan een arbeidsovereenkomst en er staat geen verloning tegenover.
Ook binnen arbeidszorg is er differentiatie in de mate van arbeid en zorg, waarbij de nadruk kan overhellen naar één van beide naargelang de vraag en de mogelijkheden van de arbeidszorgmedewerker.
Arbeidszorg richt zich op mensen die slechts een laag arbeidstempo aankunnen, niet stressbestendig zijn, niet zelfstandig kunnen werken, weinig opleiding of ervaring hebben en veel begeleiding nodig hebben. Meestal hebben deze mensen een lichamelijke, mentale of psychische problematiek (of een cumul daarvan), al dan niet gecombineerd met meervoudige achterstellingsproblematiek.
Arbeidszorg is in de tweede helft van de jaren ’90 ontwikkeld in het kader van de sociale werkplaatsen. In 2006 volgden de Beschutte Werkplaatsen. Maar als werkvorm bestaat het al langer binnen de gehandicaptensector (dagcentra en Begeleid Werken) en binnen de psychiatrie (dagactiviteitencentra, ziekenhuizen en Beschut Wonen). Ook de CAW’s, de OCMW’s hebben arbeidszorginitiatieven genomen voor hun doelgroep.
De wetgeving rond arbeidszorg is eerder beperkt en gefragmenteerd. In sommige sectoren bestaat een duidelijke regelgeving, in andere gebeurt de organisatie van arbeidszorg eerder ad hoc.
Enkel de AZ in sociale en beschutte werkplaatsen en in de dagcentra en begeleid werken binnen de gehandicaptensector hebben een decretale onderbouw en een structurele financiering. De andere arbeidszorginitiatieven hebben geen wettelijk kader, noch structurele ondersteuning.
De vorige Vlaamse regering heeft veel tijd en energie gestoken in de harmonisering van de Beschutte en Sociale werkplaatsen tot maatwerkbedrijven, maar heeft er bewust voor gekozen om arbeidszorg niet in dit concept mee op te nemen. Dat maakt dat de huidige Vlaamse regering een visie zal moeten ontwikkelen op arbeidszorg.
In de beleidsnota 2009-2014 lezen we daarover: “ Een nieuw perspectief voor arbeidszorg. Als betaalde arbeid niet mogelijk blijkt, moet er gekeken worden of er overdrachten mogelijk zijn naar alternatieve trajecten in functie van niet-arbeidsmarktgerichte activiteiten met een aangepast ver-vangingsinkomen. Het Vlaams regeerakkoord stelt duidelijk dat er moet worden ingezet op een eenduidig, geïntegreerd beleidskader met aandacht voor zorg-arbeid en arbeids-zorg. Duidelijke afspraken over de finaliteit van arbeidszorgtrajecten moet vooraf gemaakt worden om een geïntegreerd kader te realiseren. Voor wie betaalde arbeid omwille van een structurele zorgcomponent vandaag onmogelijk is, heeft alle baat bij alternatieven. Deze mensen moeten terecht kunnen in een duurzaam traject van zorgarbeid, ingebed binnen het welzijnsbeleid. Voor wie betaalde arbeid binnen een afgelijnd tijdskader met aandacht voor de zorgcomponent wel haalbaar is, kunnen het best via
arbeidszorgtrajecten groeien naar een duurzame tewerkstelling. Binnen sociale economie zullen deze arbeidszorgtrajecten met finaliteit ‘opstap naar werk’ worden gevalideerd”.
Het doel is om tegen eind 2010 een visie klaar te hebben. Diverse stake-holders, evenals de Vlaamse administratie(s) bereiden zich hier nu op voor. Zo ook ACW en ACV.
Het gebrek aan duidelijke regelgeving, de verspreiding van arbeidszorg over verschillende beleidsdomeinen, de historische verschillen maken dat arbeidszorg in zijn geheel een onzeker bestaan leidt. Nochtans zijn de meesten het eens over het nut en de doelstellingen van arbeidszorg.
Om aan de pijnpunten te kunnen remediëren is het nodig ze te expliciteren.
Zoals hierboven beschreven, bestaan er diverse vormen van arbeidszorg in welzijn, sociale economie, geestelijke gezondheidszorg, elk met zijn eigen doelgroepomschrijving, financiering en reglementering. Nochtans zijn al deze vormen van arbeid zeer gelijklopend en allen te vatten onder arbeidszorg, waarbij arbeidszorg bezien wordt als een continuüm tussen arbeid en zorg. Door gebrek aan een helder wettelijk kader en eigen financiële middelen heeft arbeidszorg vandaag geen eigen positie en bevindt het zich in de grijze zone tussen werk, zorg, opleiding, stage en vrijwilligerswerk. Voor heel wat zaken moet dus (creatief) gebruik gemaakt worden van regelgeving en middelen in elk van deze beleidsdomeinen. Dat is geen gezonde situatie.
Momenteel wordt er binnen Vlaanderen hard gewerkt aan een nieuwe visie op arbeidszorg. Dat maakt dat alle actoren trachten hun visie op te maken en naar voren te brengen. Om ook intern dit debat voor te bereiden, is het zaak om kennis te nemen van de verschillende visies. Vaak trachten deze voorstellen ook concrete oplossingen naar voren te schuiven voor de problemen in de sector.
Uitgangspunten
Aandachtspunten
De Ronde Tafel Arbeidszorg heeft in de aanloop naar een nieuwe Vlaamse regering een aantal concrete voorstellen uitgewerkt. Deze voorstellen vormden op dat moment een consensus tussen de sociale partners die bij arbeidszorg betrokken zijn. Concreet gaat het om:
Het ACW is sterk bezorgd om de verdringingsmechanismen die er op het terrein ontstaan tussen betaalde en onbetaalde arbeid. Wij wensen een beleid dat deze verdringing aanpakt en de rechtsonzekerheid bij de doelgroepwerknemers wegwerkt.
Tweesporenbeleid
Het ACW pleit voor een tweesporenbeleid waarbij er een onderscheid gemaakt wordt tussen (een beperkt aantal) arbeidszorgtrajecten die de AZ-medewerkers voorbereiden op doorstroming en
arbeidszorgplaatsen waar mensen actief kunnen blijven zolang ze niet klaar zijn voor doorstroming (finaliteitsgericht maar met oog voor de groeimogelijkheden van AZ-medewerkers).
Binnen beleidsdomein Welzijn dient een regeling uitgewerkt te worden die bestaande regelgevingen stroomlijnt. Dat vergt een geëigend statuut, wettelijk kader en financiering, onafhankelijk van de instelling waar arbeidszorg georganiseerd wordt (bv. gehandicaptenzorg, psychiatrie of CAW).
Verder moet binnen het domein Welzijn het aantal arbeidszorgplaatsen worden uitgebreid zodat de werkzoekenden die voor een langere periode arbeidszorg nodig hebben, effectief een plaats kunnen vinden. Het aanbod moet bovendien voldoende gedifferentieerd zijn en regionaal gespreid, zodat er werk op maat kan geleverd worden.
Arbeidszorgplaatsen gericht op doorstroming moeten beperkt zijn in de tijd. Binnen sociale economie zijn arbeidszorgplaatsen altijd gericht op doorstroming en dus tijdelijk. De arbeidszorgmedewerkers moeten op regelmatige tijdstippen gescreend worden om na te gaan of ze klaar zijn om de stap richting sociale of reguliere economie te zetten. We blijven geloven in de groeimogelijkheden van
arbeidszorgmedewerkers, maar AZ-medewerkers hebben ook recht op duidelijkheid. Als na verloop van tijd duidelijk is dat doorstroom (nog) niet (meer) tot de mogelijkheden behoort, moet er uitzicht zijn op een blijvende activiteit in AZ.
Wanneer er wel doorstroming kan gerealiseerd worden, moet er ook rekening gehouden worden met de terugkeermogelijkheden indien tewerkstelling in de sociale of reguliere economie niet lukt en moet de mogelijkheid bestaan verder door te stromen naar arbeidszorg binnen welzijn. De terugkeerregeling moet veel steviger worden uitgebouwd dan nu het geval is.
Verdringing vermijden
Arbeidszorginitiatieven mogen niet in concurrentie treden met het reguliere of sociale economiecircuit. Zij moeten zoveel mogelijk niches opzoeken van activiteiten en functies die in het betaalde circuit niet voorkomen en die de doelgroep aankan. Om verdringing te vermijden wordt het aandeel van arbeidszorg binnen sociale economie t.o.v. de totale activiteit van een sociale of beschutte werkplaats of leerwerkplaats het best wettelijk gelimiteerd. Vanuit deze optiek zou er best een link gelegd worden met het ontwerpdecreet maatwerkbedrijven.
Erkenning
De arbeidszorgmedewerkers moeten een statuut krijgen, dat ook erkend wordt in het kader van de sociale zekerheid en het arbeidsrecht en hen voldoende rechtszekerheid biedt. Er is nood aan een gemeenschappelijke sokkel op federaal niveau die geldig is in de drie gewesten. Daarbinnen moet de mogelijkheid gecreëerd worden om de arbeidszorgmedewerkers een vorm van erkenning te geven. De regeling waarbij AZ-medewerkers dezelfde beloning krijgen als werkzoekenden die VDAB-opleiding volgen kan in de hele sector veralgemeend worden.
Op basis van vrijwilligheid
De vrijwilligheid binnen AZ moet gewaarborgd blijven. Enkel op die manier kunnen arbeidszorgmedewerkers in positieve zin evolueren. Er mag ook geen koppeling zijn met sanctioneringsmechanismen in de sociale zekerheid. Het al dan niet slagen in arbeidszorgtrajecten mag niet leiden tot schrappen van uitkeringen of tot (gedwongen) uitstroom uit AZ.
De toeleiding naar arbeidszorg moet zoveel mogelijk op basis van objectieve criteria gebeuren. De bestaande screeningsinstrumenten moeten meer en consequenter worden gebruikt door VDAB en GTB, zodat de toegang tot arbeidszorg streng bewaakt wordt.
Brussel
Volgens de huidige bevoegdheidsverdeling behoort de sociale economie tot de gewestbevoegdheid en de welzijnszorg tot de gemeenschapsbevoegdheid.
In Brussel is dus het BHG bevoegd voor de wettelijke regeling en subsidiëring van de sociale economieprojecten. Er is en was in BHG geen politiek draagvlak om arbeidszorg te erkennen in het kader van hun (nieuwe) ordonnantie inzake inschakelingsondernemingen.
Hoewel arbeidszorg als werkvorm niet gekend is in Brussel en Wallonië, bestaan er wel vergelijkbare werkvormen. Deze vallen onder de bevoegdheid van welzijn en zijn dus gemeenschapsbevoegdheid. De VGC financiert AZ-projecten vanuit het Stedenfonds. Deze middelen zijn niet structureel en men kijkt dan ook naar Vlaanderen voor een structurele financiering.
Voor zover arbeidszorg georganiseerd wordt vanuit domein Welzijn, moet het gezien worden als gemeenschapsmaterie. Dat betekent dat de Vlaamse Gemeenschap (en de VGC) bevoegd zijn voor arbeidzorg in Brussel. Toekomstige structurele financiering moet ook de verdere uitbouw van AZ in Brussel mogelijk maken.
Financiële gevolgen
Er zijn vandaag 1 843 doelgroepwerknemers actief in de arbeidszorg, verbonden aan SW of BW. 680 cliënten zijn actief in Begeleid Werken. Het aantal arbeidszorgmedewerkers binnen de overige initiatiefnemers is niet gekend, evenals de subsidiebedragen noch de subsidies voor het omkaderingspersoneel. Vermoed wordt dat hier een veelvoud aan doelgroepmedewerkers aan de slag is.
In de regelgeving op de sociale werkplaatsen wordt 1 omkaderingslid voorzien voor 5 arbeidszorgmedewerkers. Daarvoor wordt een subsidie van 27 300 euro voorzien per VTE omkaderingspersoneelslid. De praktijk leert echter dat dit te weinig is om een goede begeleiding op vlak van arbeid en van zorg te bieden. In realiteit staat 1 persoon in voor de begeleiding van 11 à 12 doelgroepmedewerkers, ook voor het zorgaspect. Bovendien zijn de omkaderingssubsidies onvoldoende. De loonkost wordt wel gesubsidieerd, maar de werkingskosten niet, terwijl een AZ-project nauwelijks rendement haalt.
Bij een uitbreiding naar domein Welzijn moeten volgende elementen mee in rekening worden genomen:
|
Sector |
Aantal |
Structurele |
Aantal |
Aantal |
Subsidie- |
|
Sociale werkplaatsen |
48 |
Ja |
1207 |
42 VTE |
1.000.000 |
|
Soc. werkplaatsen – meerbanenplan |
36 (5 extra) |
Ja |
232 |
18,5 VTE |
500.000 |
|
Beschutte werkplaatsen |
27 |
Ja |
404 |
|
1.140.000 |
|
Ikv Limburgplan |
4 |
|
|
3 VTE |
77.800 |
|
AZ- GGZ |
15 (2 prov) |
een |
891 |
|
|
|
AZ-VAPH |
19 (2 prov) |
Ja |
728 |
|
|
|
AZ-CAW |
1 (1 prov) |
Neen |
28 |
|
|
|
AZ-soc. Tewerkstel. |
24 (2 prov) |
neen |
535 |
|
|
|
AZ-onafhank |
10 (2 prov) |
neen |
|
|
|
|
Zorgboerderijen |
390 |
Ja |
646 |
.485.810 |
|
|
Begeleid werken |
107 |
Ja |
680 |
|
|
Vorig jaar werd een visitatie bij de kredietmaatschappijen georganiseerd. De resultaten van de visitatie gaven aanleiding tot vragen in de pers en in het Vlaams parlement. De verantwoordelijke minister heeft geantwoord dat ze de sector grondig wil hervormen. De minister wil binnenkort (eind maart) meer duidelijkheid scheppen over de hervorming. Elementen zouden zijn: fusie, meer toezicht en extra controle.
Het ACW heeft niet stil gezeten. In een ad hoc-werkgroep zijn maatschappijen van de voormalige Fortis-groep en de maatschappijen erkend door de VHM (nu VMSW) samen gebracht om na te denken hoe de hervorming er zou kunnen uitzien. Deze denkoefeningen werden ook getoetst aan de werkgroep wonen.
Deze nota geeft een zicht op de voorstellen en vraagt het bestuur instemming om verder te gaan op de ingeslagen weg.
In deze nota willen we de erkende maatschappijen situeren (punt 2), de eerste hervormingen van de sector kort duiden (punt 3), ons standpunt t.a.v. deze maatschappijen herhalen (punt 4) om dan de voorstellen te duiden.
Vlaanderen telt nog 39 kredietmaatschappijen. Hun maatschappelijk doel bestaat exclusief uit het toekennen van sociale leningen aan gezinnen die een bescheiden woning willen bouwen, kopen, verbouwen of behouden. Zij kunnen deze opdracht waarmaken omdat de Vlaamse overheid borg staat voor de sociale leningen die zij verstrekken aan gezinnen, en voor de leningen die de maatschappijen zelf opnemen om hun activiteiten te financieren. Daarnaast genieten zij van een gunsttarief van 5 % voor de vennootschapsbelasting. In 2008 werden 1 822 gewaarborgde sociale leningen verstrekt. Het samengeteld vermogen van de maatschappijen bedraagt ongeveer 170 miljoen euro.
De 'gewaarborgde' sociale leningen van de erkende kredietmaatschappijen zijn niet te verwarren met de 'gesubsidieerde' sociale leningen van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) en het Vlaams Woningfonds.
De voorbije jaren zijn de kredietmaatschappijen doorheen een rationalisatie gegaan. Voorheen bestonden er sociale kredietmaatschappijen en erkende kredietmaatschappijen. De erkende waren de erfgenamen van de ASLK-Fortisgroep. De sociale werden erkend door de toenmalige VHM nadat ze uit de Fortisgroep waren gestapt.
Via deze nota willen we bekendheid geven aan twee initiatieven van Hefboom (microkredieten en sociaal consumentenkrediet) en nagaan wat we vanuit het ACW kunnen doen om er meer ruchtbaarheid aan te geven.
1. Wat zijn microkredieten
Microkrediet is volgens Wikipedia een onderdeel van het groter omvattende begrip microfinanciering. Microkredieten zijn kleine leningen (tot maximaal enkele honderden euro's) die voornamelijk worden toegekend aan kleine (vrouwelijke) ondernemers in ontwikkelingslanden die daar, door een gebrek aan onderpand, een vast maandinkomen en een gebrek aan kredietgeschiedenis niet kunnen lenen bij traditionele banken. Een microkrediet verschaft deze ondernemers de mogelijkheid te investeren in bijvoorbeeld de aanschaf van een koe, naaimachine, of een winkel en daardoor in de toekomst hun financiële positie te verbeteren. Het gaat hierbij om het helpen zichzelf te ontwikkelen (ontwikkelen van financiering) en niet alleen om het geven van geld (financiering van ontwikkeling). Microkrediet wordt zowel voor winstgeneratie alsook als non-profit initiatief aangeboden.
Zoals uit deze definitie blijkt, wordt het begrip sterk geassocieerd met ontwikkelingslanden. Maar ook in Europa zijn er toepassingsmogelijkheden en winnen microkredieten veld. Ook hier met als doel mensen met ondernemerszin die niet kredietwaardig zijn en geen krediet bij een bank kunnen krijgen, op weg te helpen. Het gaat daarbij per definitie om kleine bedragen voor bv. de aanschaf van een kleine vrachtwagen edm.
In België werken zowel Crédal (Wallonië) als Hefboom met microkredieten. We belichten hier beider modellen en geven een korte evaluatie.
1.1 Microkredieten door Crédal
Het idee om ook in Europa met microkredieten aan de slag te gaan in de strijd tegen ar-moede komt uit Frankrijk. Ook in Wallonië en Franstalig Brussel hebben ze al enkele jaren ervaring met het verstrekken van microkredieten. Hun doel is een kleine lening te verstrekken aan mensen die moeilijk toegang hebben tot de bank en hun eigen kleine onderneming willen oprichten, maar niet borg kunnen staan. Hun doelgroep zijn mensen die schuldenlast hebben, werkzoekenden, mensen die failliet zijn gegaan, werkende armen en mensen die geen waarborg kunnen bieden.
Gemiddeld verstrekken zij een krediet van 9.000 euro, die binnen een periode van 44 maanden wordt terugbetaald. In 79 % van de kredietverstrekkingen wordt er een bedrijfje opgericht en het geld dient voor de aankoop van stock, materialen, wagen, publiciteit,…
Van de 837 (eerste) aanvragen werden er in 2007 uiteindelijk 107 goedgekeurd. De aanvragen worden beoordeeld, opgemaakt en ingediend bij Crédal via lokale steunpunten. Crédal beoordeelt de aanvraag en bereidt het document voor voor het beslissingcomité.
Crédal werkt met twee soorten kredietformules:
- de solidaire lening (betaald door fonds, beheerd door Participatiefonds + Crédal)
- MC2 (= een starterskrediet of een kaskrediet, betaald uit eigen middelen Crédal)
Evaluatie
Wat doelgroep betreft: 66 % van de micro-ondernemers waren vroeger steuntrekkers, 30 % oefenden al een zelfstandige activiteit uit, 60 % zijn mannen en 30 % zijn jonger dan 30 jaar. Het hoogst behaalde diploma is voor 70 % het diploma van hoger middelbaar onderwijs en 36 % van de micro-ondernemers zijn gedomicilieerd in Brussel.
Uit de evaluatie blijkt dat slechts de helft van de kredieten worden terugbetaald. De indruk bestaat dat de regionale steunpunten iets te makkelijk krediet verstrekken aan een te kwetsbaar publiek.
Er moet dus blijvend gewaakt worden over een zekere terugbetalingscapaciteit.
1.2 De solidaire lening van Hefboom
Hefboom biedt sinds november 2007 microkredieten aan onder de noemer 'Solidaire Le-ning'. Dat gebeurt in een stevig partnerschap met het Participatiefonds en Dexia Foundation Belgium. Zij richten zich tot mensen met ondernemingszin die geen toegang hebben tot het klassieke bancaire krediet. Het moet dan ook beschouwd worden als een niche-instrument, geen massaproduct.
De Solidaire Lening is bestemd voor (natuurlijke) personen in Vlaanderen en in Nederlandstalig Brussel die als zelfstandige een eigen economische activiteit willen ontplooien, maar hindernissen ondervinden om voldoende startkapitaal te bekomen.
De kenmerken van het krediet zijn:
- een lening tot € 12.500
- zonder waarborgen
- zonder eigen inbreng in geld
- 3 maanden vrijstelling van terugbetaling van kapitaal
- rentevoet van 5% (= lager dan bij reguliere banken en veel lager dan bij private banken)
- terugbetaling op 4 jaar
- gratis verplichte begeleiding tijdens de eerste 2 jaar van de activiteit.
De ondernemers kunnen zowel starters zijn als zelfstandigen die reeds actief zijn of zelfstandigen in bijberoep. Zij hebben allen gemeen dat zij geen krediet (zullen) krijgen bij een gewone bank omdat zij zich in een precaire situatie bevinden of een schuldenlast met zich meedragen.
Samen met het verlenen van krediet wordt er ook voorzien in verplichte begeleiding gedurende de eerste 24 maanden van de activiteit. Op die manier wil men de slaagkansen van de activiteit verhogen en zodoende ook de kans op terugbetaling van het krediet.
De middelen voor het toekennen van microkredieten zijn afkomstig van het Participatiefonds en via Dexia Foundation Belgium. Hefboom verzorgt de contacten met de kredietaanvragers.
Evaluatie
Hefboom sloot zijn eerste activiteitsjaar in het domein van het microkrediet boven de ver-wachtingen af. Dat bevestigt dat ook in Vlaanderen microkredieten tegemoetkomen aan een behoefte. 53 % van de micro-ondernemers die werden gefinancierd door Hefboom waren afkomstig uit West- en Oost-Vlaanderen, 60 % was mannelijk en 42 % was voordien werkloos. De meeste van deze micro-ondernemers waren tussen 18 en 39 jaar oud (76 %).
Hefboom heeft nu 1,5 jaar ervaring in Vlaanderen en wil langzaam verder groeien. Tot nu blijkt dat 95 % van de kredieten worden terugbetaald en dat men echt een andere doelgroep bereikt.
2. Standpunten ACW
Uit de eerste evaluatie blijkt dat er echt vraag is naar dit soort microkredieten. Mits een intensieve begeleiding is dit een rendabele zaak.
Hefboom wil op deze weg verder en het systeem ruimer bekend maken in Vlaanderen, zowel bij de doelgroep, maar ook bij de tussenorganisaties die in contact staan met deze doelgroep: de VDAB, het OCMW, UNIZO, Sociale economieprojecten,...
Het ACW steunt deze ontwikkeling en wil meewerken een ruimere bekendmaking en betere toeleiding van potentiële klanten via de intermediairen.
Intern werd hierover gecommuniceerd via een artikel in Bruis van november 2009. Naar de buitenwereld toe is het voorstel dat de ACW-secretarissen een (model-)brief sturen naar de ACW-mandatarissen die actief zijn in de gemeente, het OCMW en in sociale eco-nomieprojecten om ruchtbaarheid te geven aan het bestaan en de mogelijkheden van microkredieten.
Het sociaal consumentenkrediet onderscheidt zich van het microkrediet omdat het niet gericht is op het financieel ondersteunen van ondernemers. Het is een krediet dat zich richt op consumenten, maar dat een alternatief wil aanbieden voor de bestaande dure consumentenkredieten van de banken of grootwarenhuizen.
Het sociaal consumentenkrediet richt zich tot mensen met een laag inkomen die zich een essentieel, duurzaam goed moeten aanschaffen (bv. auto, rijbewijs, koelkast, wasmachine,…), maar hiervoor niet over voldoende middelen beschikken. Er wordt wel nagegaan of mensen het krediet kunnen terugbetalen. De intresten bedragen 5 % (tegenover 19 % bij commerciële banken!) op bedragen tussen 500 € en 7.500 €.
2.1 Crédal
Tot op heden kende Crédal 220 sociale consumentenkredieten toe, een activiteit die een steile opgang beleeft. Dankzij het sociaal krediet kan men een tweedehands wagen kopen, werken laten uitvoeren in zijn woning, meubels, huishoudtoestellen of een pc aankopen, zijn gezondheidszorg financieren enz. Een dergelijk klein krediet kan de leefomstandighe-den van een heel gezin verbeteren. 71 % van deze door Crédal verstrekte kredieten ging naar Wallonië, 29 % naar Brussel, en voornamelijk naar vrouwen (56 %). 70% van de aanvragen kwam van steuntrekkers. 43 % van de aanvragers was alleenstaand en 27 % was alleenstaand met een gezin. 69 % van de aanvragers had een maandelijks gezinsinkomen van minder dan 990 euro. Merk op dat het aantal schadegevallen voor sociaal begeleide kredieten bijzonder goed onder controle is.
2.2 Hefboom
Hefboom onderzoekt momenteel de mogelijkheden hiervan en wil in 2010 drie proefprojecten starten in drie verschillende types van gemeenten (grootstad, centrumstad en kleinere gemeente). Momenteel wordt nog gezocht naar financiële middelen voor de oprich-ting van een waarborgfonds en voor de begeleidingskost.
2.3 Standpunt ACW
ACW vindt het positief dat Hefboom hiermee experimenteert en kijkt uit naar de resultaten. Sociale consumentenkredieten kunnen een bijdrage leveren aan een meer sociaal rechtvaardige samenleving en een alternatief aanbieden voor de meer agressieve politiek inzake kredietverstrekking van sommige banken.
Aangezien het sociaal consumentenkrediet nog moet worden opgestart is het te vroeg om hier ruime ruchtbaarheid aan te geven.
Binnen de sociale economie zijn de beschutte werkplaatsen de oudste werkvorm. Ontstaan en gegroeid om tewerkstellingskansen te bieden aan personen met een handicap, zijn zij momenteel ook uitgegroeid tot de grootste sector in de sociale economie met 12 000 arbeidsplaatsen.
Veel recenter zijn de sociale werkplaatsen. Ontstaan als antwoord op de hoge en langdurige werkloosheid in de jaren ’90, waarbij stilaan duidelijk werd dat door de hoge eisen van de reguliere arbeidsmarkt heel wat mensen niet meer aan een job zouden geraken, ook niet in tijden van hoogconjunctuur. Ook hier zijn de instapcriteria behoorlijk hoog: minstens 5 jaar werkloosheid en geen diploma secundair onderwijs, gecumuleerd met psychische, fysieke of sociale problemen. De sociale werkplaatsen zijn uitgegroeid tot een sector met 2 766 arbeidsplaatsen (voltijds equivalent) en 553 (voltijds equivalent, omkadering) in 2007.
Hoewel beide circuits zich totaal onafhankelijk hebben ontwikkeld, zijn er toch heel wat parallellen te trekken. Zo zijn ze beide gericht op personen met een handicap en bij uitbreiding, op personen met een arbeidshandicap. Beide zoeken naar een moeilijk evenwicht tussen sociale en economische doeleinden. Beide sectoren worden sterk gesubsidieerd om de sociale doelstellingen te kunnen realiseren en ontvangen bijkomende middelen voor omkadering. Het eigen verdienvermogen is relatief beperkt.
Toch zijn er ook heel wat verschilpunten. De beschutte werkplaatsen hebben zich vooral ontwikkeld in niches van industriële sectoren. Daardoor zijn ze ook meer en meer onderhevig aan de internationale concurrentie. Een aantal kunnen zich nog moeilijk economisch handhaven. De sociale werkplaatsen daarentegen hebben zich vooral ontwikkeld in nieuwe economische niches, zoals kringloopcentra, alternatieve voedingsproductie, toerisme, fietsherstellingen edm. Ook de subsidiekanalen zijn niet helemaal gelijklopend, waarbij de sociale werkplaatsen ongeveer 77 % subsidie krijgen per tewerkstellingsplaats en de BW 72 %.
Vanaf het begin van deze Vlaamse legislatuur is het de bedoeling van de ministers van Werk en Sociale economie om de regelgeving omtrent de BW en de sociale werkplaatsen meer op elkaar af te stemmen. Dit is het gevolg van een aantal opties die voordien genomen zijn:
Momenteel ligt er een visienota voor die het resultaat is van diverse overlegrondes met de betrokken actoren (werkgeversfederaties, sociale partners, VOSEC).
Doelgroep voor de BW en SW worden alle ‘arbeidsgehandicapten’ die op één of andere manier een door de overheid (VAPH, VDAB …) erkende aandoening/handicap hebben. Concreet gaat het over:
Binnen deze doelgroep van arbeidsgehandicapten is het aan de VDAB (en de door haar erkende partners) om te bepalen wie in aanmerking komt voor extra ondersteuningsmaatregelen. Het moet gaan om een groep mensen waarvan in beginsel of doorheen de trajectwerking duidelijk is geworden dat een baan in het reguliere circuit niet mogelijk is zonder extra ondersteuning (op structurele basis). Het element van de extra ondersteuning (hetzij rendementsondersteuning hetzij nood aan gegarandeerde begeleiding op de werkvloer) vormt dus het bepalende criterium betreffende de afbakening van de doelgroep van dit decreet. Toegang tot maatwerkbedrijven (BW en SW) en tot supported employment kan enkel na advies van de arbeidsspecialist dat extra gegarandeerde begeleiding op de werkvloer nodig is om tewerkstelling te realiseren (hetzij bij eerste contact hetzij doorheen de trajectwerking).
Mensen moeten een volwaardig contract krijgen als werknemer. Het gaat dus om mensen die toegeleid (kunnen) worden naar een volwaardige tewerkstelling in het reguliere of sociale economiecircuit, mits extra ondersteuning (rendements- en/of begeleidings-ondersteuning). Arbeidszorg valt buiten de toepassing van dit decreet.
De VDAB (of het subsidieagentschap of de inspectie) zorgt op periodieke basis voor een herevaluatie van de doelgroepwerknemers wat concreet inhoudt dat de genomen acties en beslissingen met het maatwerkbedrijf worden afgetoetst.
Twee soorten subsidies:
De federale subsidiëring blijft behouden: structurele vermindering loonkost, SINE en Gesco’s.
Supported employment laat toe om doelgroepwerknemers tewerk te stellen bij een reguliere werkgever in combinatie met een structurele begeleiding. Supported employment kan worden aangeboden vanuit een maatwerkbedrijf maar zou in de toekomst ook door andere organisaties kunnen worden aangeboden. Het vergt specifieke erkenningsvoorwaarden.
Twee koepels zijn direct betrokken partij: SST (koepel sociale werkplaatsen) en Amfion (koepel beschutte werkplaatsen). Ook de drie vakbonden hebben een aantal elementen ingebracht. De belangrijkste bekommernissen die leven zijn:
ACV heeft in het verleden gepleit voor een harmonisering van de regelgeving van de BW en SW, met daarbij aandacht voor:
Het ACW ondersteunt ten volle het proces dat is ingezet om te komen tot een eenheidsdecreet die de BW en SW samenbrengt en de regelgeving op elkaar afstemt. Dit biedt heel wat mogelijkheden om te komen tot meer afstemming en samenwerking, om de krachten te bundelen en om als sector verder te kunnen groeien. Het voorstel dat momenteel op tafel ligt, is een consistent werkstuk waarbij met heel wat bekommernissen van de sector en de sociale partners is rekening gehouden. Dat neemt niet weg dat er nog heel wat vragen of bemerkingen zijn, die we ook vanuit het ACW kunnen inbrengen.
Het afgelopen jaar werd er in de pers veel gezegd en geschreven over de vermarkting van de zorg. Nu eens ging het over het verder aantrekken van buitenlandse patiënten naar Belgische ziekenhuizen, dan weer over de bouw van commerciële rusthuizen. In nog een ander artikel bleek het over de invoering van de dienstencheques in de kinderopvang te gaan. De aandachtige lezer/luisteraar heeft wellicht begrepen dat het telkens over iets anders gaat.
Als het over vermarkting van de zorg gaat, is het van groot belang eerst te achterhalen waar het over gaat. De eerste vraag die men zich moet stellen is welke vorm van vermarkting men beoogt. Meer commercieel initiatief? Minder regulering door de overheid? Beter en efficiënter beheer van de zorginstellingen? Of de inbreng van privaat kapitaal voor de bouw en/of uitbating van zorginstellingen?
De tweede vraag is of men binnen de huidige wetgeving al dan niet mogelijkheden heeft om naar meer vermarkting te gaan. Of bepleit men juist een wetswijziging om meer marktwerking toe te laten. Er is op dit punt een wezenlijk verschil tussen de verschillende deelsectoren van de zorg. Wettelijk zijn vandaag commerciële ziekenhuizen uitgesloten maar commerciële rusthuizen en kinderdagverblijven zijn wel al mogelijk. Tot voor enkele jaren waren er geen uitzendbureaus, noch commerciële werkgevers actief op het terrein van de thuiszorg, maar via de dienstencheques hebben zij een voet tussen de deur gekregen. Aanvankelijk enkel voor poetshulp, nu ook voor kinderopvang aan huis.
Ten derde moet men zich de vraag stellen wie er belang heeft bij meer vermarkting. Wie is er vandaag vragende partij? Dan blijkt al snel dat het debat aangezwengeld wordt vanuit de Europese Commissie die tot op heden vooral lippendienst bewijst aan de gezondheidszorg als Dienst van Algemeen Belang. Deze dienst is niet onderworpen aan de werking van de vrije markt maar neemt wel initiatieven om meer marktwerking mogelijk te maken. Bovendien staat de wereld rondom ons niet stil. In onze buurlanden zijn wel al commerciële ziekenhuizen actief en maken grote commerciële actoren met veel geld zich op om ook op de Belgische markt te gaan investeren. Als er financiële groepen zijn, dan zijn er ook lobbyisten, politici en drukkingsgroepen die hier oren naar hebben.
En tot slot moet men zich de vraag stellen welke effecten dit zal hebben op ons zorgmodel, zoals het in België na vele jaren van overleg is tot stand gekomen. Wat zullen de effecten zijn op de financiering van de zorg, op de toegankelijkheid en de betaalbaarheid voor de gebruiker en op de kwaliteit, zowel de kwaliteit van de zorg als de kwaliteit van het werk.
Niet elke vorm van vermarkting is te verwerpen. Niet elke vorm van vermarkting zal de fundamenten van ons zorgmodel ondergraven. De opdracht is te komen tot een helder begrip van de huidige situatie, van de gewenste en de ongewenste ontwikkelingen én van de instrumenten die de overheid voldoende houvast bieden om te kunnen blijven sturen en reguleren.
Een activiteitencoöperatie is een redelijk jonge werkvorm binnen de sociale economie. Deze werd gelanceerd in 1999, maar de groei en ontwikkeling kwam maar langzaam op gang, zeker in Vlaanderen.
Momenteel zijn er 4 AC erkend in Vlaanderen: Co-actief in Antwerpen, Ondernemersatelier in Genk, Startpunt in Gentbrugge en Take Off in Oudenburg. Het doel is 1 per provincie. Een vijfde is in oprichting in Vlaams Brabant. In Brussel heeft de vzw De Overmolen initiatief genomen.
Het doel van een activiteitencoöperatie is om werkzoekenden of leefloners een begeleide tussenstap te bieden richting ondernemerschap. Op die manier fungeert de AC als een schakel in het inschakelingstraject van werkzoekenden en leefloners richting arbeidsmarkt. Via de AC wil men meerdere doelstellingen combineren:
De grootste groep zijn de uitkeringsgerechtigde werklozen. Maar daarnaast komen ook niet-werkende werkzoekenden aan bod, zoals leefloners, schoolverlaters, herintreedsters, personen zonder statuut en outplacementgerechtigden.
Werking
De aanpak wordt gekenmerkt door:
De activiteitencoöperatie is te onderscheiden van een tewerkstellingscoöperatie. In een tewerkstellingscoöperatie is het de bedoeling dat de kandidaat-ondernemers ook coöperant zijn en blijven. De activiteitencoöperatie is eveneens te onderscheiden van de starterscentra. Deze zijn meer gericht op het helpen oprichten van invoegbedrijven. Beide initiatieven zijn complementair.
Er bestaat vandaag geen duidelijke juridische grond voor de activiteitencoöperaties en zeker niet voor het statuut ‘ondernemer in loondienst’. De minister van Tewerkstelling heeft wel het kader vastgelegd via een ministeriële brief en via de minister van Sociale Economie wordt er in een financiële ondersteuning voorzien.
De voorwaarden zijn:
Vandaag bestaat er geen specifiek statuut voor deze specifieke categorie van ‘ondernemer in loondienst’. Dat betekent dat men terugvalt op het werknemersstatuut. De specifieke modaliteiten zijn geregeld via een ministeriële omzendbrief van de minister van Werk. Elementen daarin zijn:
De minister van Tewerkstelling denkt eraan een volwaardig statuut voor de activiteitencoöperaties uit te werken. In grote lijnen denkt men aan een overeenkomst tussen de kandidaat-ondernemer en de AC, die niet langer dan 18 maanden mag duren. Tijdens de duurtijd van deze overeenkomst behoudt de kandidaat-ondernemer het recht op werkloosheidsuitkering of leefloon. Daarnaast wordt ook een cumul voorzien met een vergoeding die door de AC verstrekt wordt. (gedacht wordt aan een vergoeding van 2 euro per uur de eerste 6 maanden, nadien is een verhoging mogelijk). Het opgebouwde kapitaal uit de zelfstandige activiteit zou kunnen opgespaard worden en overgeheveld na uittreding uit de AC.
In principe komen alle activiteiten in aanmerking, maar de wetgever heeft een aantal activiteiten expliciet uitgesloten. Het betreft:
De minister van Sociale Economie voorziet enkel in een startsubsidie (éénmalig) van 62.000 EUR. Meer reguliere subsidies moeten eventueel bij de gewesten aangevraagd worden. Het Vlaams gewest voorziet in een forfaitaire financiering van 100.000 euro per jaar. Het Waals gewest maakt zijn financiering afhankelijk van de kenmerken van de tewerkgestelden. Deze forfaitaire subsidie is bedoeld voor de begeleiding van de kandidaat-ondernemers.
Binnen het AC is de afspraak dat de facturatie aan de klanten via het AC gebeurt. Er wordt wel per ondernemer een aparte boekhouding bijgehouden. Voor de financiering van het secretariaat en het AC wordt er een voorheffing van 10 % op de omzet van de ondernemer afgehouden. Naarmate de inkomsten van de ondernemer groeien, groeit ook zijn bezoldiging.
Vlaanderen telt momenteel 4 activiteitencoöperaties die samen een 100-tal werkzoekenden hebben onthaald, waarvan 25 een begeleiding kregen. Het gemiddelde resultaat voor een activiteitencoöperatie is een uitstroom van 8 deelnemers als zelfstandige, 4 in loondienst, 4 in loondienst met zelfstandige activiteit in bijberoep en 3 die een bijkomende opleiding volgen.