ACW-memorandum - Meer sociale rechtvaardigheid en een eerlijke welvaartsherverdeling

Sinds de federale verkiezingen van 2007 ziet de wereld er fundamenteel anders uit. De financiële en eco-nomische crisissen hebben een schokgolf door de wereldeconomie gestuurd. De naschokken laten zich nog steeds voelen en zullen ook de komende jaren nog voelbaar blijven: de werkloosheid is sterk gestegen en zal maar met mondjesmaat opnieuw dalen, de overheidsfinanciën zijn zwaar in het rood gegaan en zullen maar stilaan terug positief worden, de economie herstelt van de ergste schokken maar zit nog lang niet op haar oude niveau. De staten lijken geregeerd te worden door de beurzen.

Bijlagen: 

ACW-memorandum mensen sterker maken

Mensen willen het liefst zelf invulling geven aan hun leven. Zij vertrekken daarbij vanuit hun eigen mogelijkheden, noden en preferenties. Deze worden ondermeer bepaald door hun eigen kunnen, hun geschiedenis, hun omgeving en hun netwerk. De overheid heeft de opdracht om hen daarbij te ondersteunen en te versterken (‘empowerment’). Om de middelen en de instrumenten aan te reiken waarmee mensen aan de slag kunnen. 

Wie veel eigen mogelijkheden heeft, heeft minder ondersteuning nodig dan wie minder mogelijkheden heeft. Het doel moet zijn dat iedereen zijn rechten kan laten gelden, dat iedereen gelijke toegang heeft tot een kwaliteitsvolle dienstverlening vanuit de Vlaamse overheid. Het bestaande Mattheuseffect, waarbij de zwaksten vaak het minst gebruik maken van hun rechten, moet worden weggewerkt. Het Vlaamse beleid moet iedereen bereiken die de ondersteuning nodig heeft. Waar mogelijk moeten premies en subsidies op automatische wijze worden toegekend aan al wie er recht op heeft.

Vlaanderen is een zeer welstellende en welvarende regio, ook al beseffen we dat niet altijd. Dat willen we ook in de toekomst zo houden. Tengevolge de economisch en financiële crisis, moet ook Vlaanderen haar beleid de komende jaren aanscherpen en de instrumenten waarover ze beschikt zo efficiënt mogelijk inzetten, niet alleen in functie van de creatie van werkgelegenheid en economische groei, maar ook in functie van een meer sociaal rechtvaardig en duurzaam beleid. De Vlaamse overheid beschikt reeds over zeer veel instrumenten om mensen te ondersteunen (zoals bij het combineren van gezin en arbeid, bij het zoeken naar werk, bij het creëren van gelijke onderwijskansen, bij het starten van een eigen onderneming, bij het zoeken en verkrijgen van de nodige zorg), maar we stellen vast dat die instrumenten niet altijd goed op elkaar zijn afgestemd, dat ze niet altijd op de meest efficiënte manier worden ingezet en dat ze niet altijd de juiste doelgroepen bereiken. Er wordt in tal van beleidsdomeinen nog te gefragmenteerd gewerkt, ieder op zijn eigen eiland. Er is de komende legislatuur vooral nood om alles beter op elkaar af te stemmen (bv. de verschillende vervoersmodi), om meer trajectmatig te werken (bv. in de zorg), om de verkokering te doorbreken (bv. in de sociale economie). Op die manier kan ook veel meer gewerkt worden op maat van de mensen.

Het ACW wil mee richting en inhoud geven aan deze Vlaamse instrumenten en aan het toekomstige Vlaamse beleid. De nadruk moet daarbij meer gelegd worden bij het sterker maken van mensen, door het aanbieden van de juiste informatie en ondersteuning op maat, of dat nu gaat over het zoeken naar werk, het oprichten van een eigen onderneming, het kiezen van de juiste school, het kwaliteitsvol combineren van gezin, arbeid en zorg, of het zoeken naar de meest aangepaste zorg. Steeds opnieuw komt het erop neer dat de bestaande dienstverlening aan mensen zo efficiënt en doelmatig mogelijk wordt ingezet, met zo weinig mogelijk over- en onderconsumptie tot gevolg.

Tegelijkertijd moet Vlaanderen een fundamentele omschakeling maken naar een duurzaam Vlaanderen. Het gaat niet meer op om verder te doen zoals we gewend zijn. Onze samenleving moet op termijn niet alleen op ecologisch vlak, maar ook op sociaal vlak en op vlak van participatie beter scoren. De economische crisis moet aangegrepen worden om meer duurzame investeringen te stimuleren door resoluut te kiezen voor een meer duurzame energieproductie, voor onderzoek en ontwikkeling, voor het inbouwen van een duurzaamheidstoets in alle beleidsdomeinen. Ook de verdere uitbouw van een kwaliteitsvolle publieke dienstverlening en een betaalbaar en toegankelijk zorgaanbod past in dit kader.

Een duurzaam beleid is de verantwoordelijkheid van iedereen: de overheid, de bedrijven, het middenveld en de burgers. Om tot een duurzaam beleid te komen, is een mix nodig van structurele maatregelen, fiscale maatregelen en stimuli die gericht zijn op gedragsverandering. Ook hier geldt dat de mensen ondersteund moeten worden om die gedragsverandering te realiseren en dát in functie van hun mogelijkheden. De mensen moeten steeds de mogelijkheid hebben om duurzame keuzes te maken, daartoe aangemoedigd worden, actief betrokken worden bij het veranderingsproces en de overheid moet zelf het voorbeeld geven (‘enable, engage', encourage and exemplify'). Het middenveld kan hier een belangrijke rol spelen.

Dit memorandum aan de volgende Vlaamse regering vertrekt sterk vanonderuit, vanuit het perspectief van armen, werknemers, gezinnen, jongeren, ouderen en zorgbehoevenden. We vertrekken vanuit de vragen en verwachtingen van mensen om onze verwachtingen ten aanzien van een volgende Vlaamse regering te formuleren. Omwille van de economische crisis die snel en hard om zich heen grijpt, zal ook Vlaanderen opnieuw werk en economie bovenaan op de politieke agenda moeten plaatsen. Maar de aandacht voor de strijd tegen de armoede mag hier niet ondergeschikt aan gemaakt worden.

1. De armoede aanpakken

Mensen die leven in armoede hebben de meeste ondersteuning nodig, maar vinden hun weg niet altijd in het aanbod of kunnen hun rechten onvoldoende doen gelden. Dat begint al bij de kinderopvang die onvoldoende toegankelijk is. Daardoor starten kinderen uit arme gezinnen ook met een achterstand in het onderwijs, die gedurende hun hele schoolloopbaan verder zal oplopen. Tengevolge van een moeilijk schoolparcours verloopt ook de instap in de arbeidsmarkt moeizaam, waardoor de kans op werkloosheid aanzienlijk hoger ligt dan bij anderen.

Indien de Vlaamse overheid de armoede serieus wil aanpakken, moet ze zichzelf concrete en meetbare doelstellingen opleggen in alle relevante beleidsdomeinen, naar analogie met de Decenniumdoelen. Het beleid moet bovendien structureel zijn. De hulp aan armen mag niet verder afglijden in de richting van liefdadigheid (zoals voedselbedeling, sociale apotheken, ...). Vlaanderen moet bovendien haar verantwoordelijkheid over de OCMW-werking opnemen en de nodige middelen voorzien zodat de OCMW's de bijkomende opdrachten ook daadwerkelijk kunnen uitvoeren (bv. werking rond energie-armoede, schuldbemiddeling).

Het ACW geeft een voorzet voor een meer structureel armoedebeleid.

Via kinderopvang de armoedecirkel doorbreken

Om deze vicieuze cirkel te doorbreken, moet de volgende overheid opnieuw zwaar investeren in kinderopvang. Niet alleen door het aantal gesubsidieerde plaatsen fors te verhogen, maar vooral ook door de toegankelijkheid voor mensen in armoede te verhogen. Kwaliteitsvolle kinderopvang is niet alleen de sleutel tot meer tewerkstellingskansen voor de ouders (en zeker voor de (alleenstaande) vrouwen), maar ook tot een meer succesvolle schoolcarrière van de kinderen, omdat er sterk gewerkt wordt aan de (taal-)ontwikkeling van de kinderen.

Concreet betekent dit dat de kinderopvang ook open moet staan voor ouders die niet (kunnen) gaan werken of voor kinderen die slechts af en toe opvang nodig hebben. Hierbij kan gedacht worden aan meer plaatsen in de occasionele opvang en aan peuterspeelzalen, waaraan zowel de kleuters als hun ouders op een zinvolle en leerrijke manier kunnen participeren. Op die manier kan de kinderopvang haar sociale en pedagogische opdracht waarmaken.


Via onderwijs gelijke kansen realiseren

De inspanningen om alle kleuters te laten deelnemen aan het kleuteronderwijs moeten worden verdergezet. De middelen voor het ondersteuningsbeleid Gelijke kansen moeten worden verhoogd zodat elke school die een bepaald percentage doelgroepleerlingen onder haar schoolpopulatie telt, nog bijkomende middelen kan inzetten, bv. voor de versterking van de omkadering. Het aantal leerlingen dat ongekwalificeerd de school verlaat, moet worden gehalveerd en dit op korte termijn.

Het leerplichtonderwijs moet betaalbaar blijven voor de ouders. Dit kan door de werkingsmiddelen te berekenen op basis van de reële opleidingskosten; door de maximumfactuur te beginnen vanaf de eerste graad secundair onderwijs; door een automatische toekenning van de schooltoelagen.
Vooral kinderen uit de kansengroepen moeten de nodige emancipatiekansen geboden worden. Hun slaagkansen in het onderwijs en hun succesvolle doorstroming naar het hoger onderwijs moeten verhoogd worden. Met sterker inspelen op de leernoden van elke leerling, een stevige trajectbegeleiding, ruimere mogelijkheden om het Nederlands als abstracte instructietaal te verwerven, keuzevaardigheden en hoge verwachtingen voor elke lerende krijgt elk kind, en zeker de kansengroepen, zicht op een succesvolle schoolloopbaan.

Mensen die recent geïmmigreerd zijn moeten meer kansen krijgen om levensecht Nederlands te leren. De kennis van het Nederlands moet beschouwd worden als een middel tot emancipatie, niet gebruikt worden als een uitsluitingscriterium. Kinderen en studenten moeten beter voorbereid en begeleid worden om in te stappen in het secundair of hoger onderwijs. Het inburgeringsbeleid moet meer gericht zijn op emancipatie en sociale netwerken en minder gelinkt zijn aan allerlei verplichtingen.


Via een integrale trajectwerking op maat

Eénmaal ingestapt op de arbeidsmarkt, dringt zich een meer aangepaste arbeidsbemiddeling op om ook mensen in armoede toe te leiden naar werk. Te vaak stellen we vast dat deze mensen in een draaideur terecht komen waarin periodes van werk zich afwisselen met periodes van werkloosheid, arbeidsbemiddeling, opleiding en/of werkervaring. De verdere uitbouw en groei van de sociale economie is fundamenteel om mensen met beperktere mogelijkheden en vaardigheden een job te bieden. Maar de verkokering (of beschotting) binnen de sociale economie moet ook worden weggewerkt, zodat werkzoekenden die in aanmerking komen voor tewerkstelling binnen de sociale economie een traject op maat kunnen krijgen, wars van te rigide doelgroep- en instroomcriteria.
Tot slot moet er werk gemaakt worden van een beleid t.a.v. mensen met meervoudige problemen op vlak van welzijn, cultuur en werk. Het huidige activeringsbeleid is daarvoor te éénzijdig gefocust op werk. Ook de beleidskeuze om te werken via tendering leidt tot afromingseffecten binnen de doelgroep. De trajecten zijn voor velen te kort en te onrealistisch. Het activeringsbeleid moet worden opengetrokken zodat er ook gewerkt wordt aan de problemen van mensen op vlak van welzijn. In het traject zelf moeten de mensen die in armoede leven de mogelijkheid krijgen om opnieuw te participeren aan de samenleving. Dit kan ook via andere kanalen dan via werk, zoals vrijwilligerswerk of via het verenigingsleven.

Het sociaal-cultureel werk kan een belangrijke rol spelen bij het wegwerken van drempels om deel te nemen aan alle niveaus van de samenleving. Ook kan de overheid de verenigingen en het vrijwilligerswerk ondersteunen door de financiële drempels voor mensen in armoede weg te werken.


Via een doelgericht gezondheidsbeleid

Waar de armoede het meest tot uiting komt in de samenleving is in de ongelijkheid op vlak van gezondheid. De gezondheidsongelijkheid tussen arm en rijk in Vlaanderen moet worden verkleind. Dit kan enkel door maatregelen te treffen die de gezondheidszorg effectief toegankelijk en betaalbaar maken. De Vlaamse regering moet de komende legislatuur het aantal wijkgezondheidscentra, gelegen in de meest kansarme buurten van Vlaanderen, optrekken van 14 naar 40 en ook het aantal groepspraktijken van huisartsen moet gevoelig worden verhoogd. Dit kan bijdragen aan een ruimere verspreiding en toepassing van het derdebetalerssysteem door huisartsen. 
Het preventiebeleid van de Vlaamse overheid moet gericht zijn op het behalen van meer gezondheidswinst, o.m. door de bevolking te blijven aansporen voldoende fysiek actief te zijn en door het promoten van een evenwichtige voeding. Het sociaal-cultureel werk kan hiervoor mee ingeschakeld worden via laagdrempelige en toegankelijke initiatieven, mits de nodige financiële ondersteuning.


Meer betaalbare en energiezuinige woningen

Mensen in armoede leven vaak ook in woningen van slechte kwaliteit. Hoewel ze het meeste aanspraak maken op een sociale woning, kunnen ze er niet altijd terecht. Velen zijn dan ook aangewezen op de huurmarkt, waar hoge huurprijzen gelden en de kwaliteit van de woningen vaak te wensen overlaat. Degenen die erin slagen een eigen woning te verwerven hebben vaak de middelen niet om te renoveren.

Tijdens de volgende legislatuur moet er absoluut geïnvesteerd worden in sociale huurwoningen en in het verruimen van de private huurmarkt. De volgende Vlaamse regering moet zo snel als mogelijk werk maken van de effectieve uitvoering van haar beslissing om 65.000 sociale woningen te bouwen tegen 2020 en daarvoor de nodige middelen en een realistisch groeipad voorzien.

Maar met de bouw van bijkomende sociale woningen is het probleem van de hoge huurprijzen op de private huurmarkt en de hoge prijzen voor koopwoningen niet opgelost. Het huidige huursubsidiebesluit beantwoordt niet aan de verwachtingen. De huursubsidie moet uitgebreid worden zodat meer gezinnen een betaalbare woning kunnen huren en de hoogte van de huursubsidie moet afhankelijk worden van de richthuurprijzen in een gemeente. De Vlaamse wooncode moet bovendien aangevuld worden met een Vlaamse huurreglementering die de huurder moet verzekeren van een kwalitatieve en betaalbare woning. De verhuurders krijgen betere garanties over de huuropbrengsten en de instandhouding van hun patrimonium, maar zullen tegelijkertijd gestimuleerd worden om te werken via verhuurbemiddelaars.
De private markt moet verder gestimuleerd worden met extra fiscale tegemoetkomingen, door het versterken van de rol van de sociale verhuurkantoren en van de sociale kredietmaatschappijen en door het oprichten van verhuurderscoöperatieven.

Tegelijkertijd moet er fors geïnvesteerd worden in het bestaande patrimonium om de kwaliteit te verbeteren en de huizen energiezuiniger te maken. Daarvoor is er nood aan bijkomende stimuli voor verhuurders om hun woningen energiezuiniger te maken, voor de sociale huisvestingsmaatschappijen om hun patrimonium te renoveren en voor de (kleine) huiseigenaren om hen verder aan te sporen te investeren in duurzame ingrepen. Voor deze laatste doelgroep moet een goed werkende derdebetalersregeling worden uitgewerkt. Dat is niet alleen goed voor het milieu, maar ook voor hun portemonnee. Vooral de sociale economie kan op dit terrein een sterkere rol spelen omdat het de kostprijs van de investeringen voor kansarmen verder drukt, maar hen ook ondersteunt bij de praktische en administratieve beslommeringen van renovatiewerken.


Via cultuurparticipatie

Om mensen die in armoede leven een échte stem te geven in de samenleving moeten de verenigingen waar armen het woord nemen verder ondersteund worden. Zij moeten mensen aanmoedigen om deel te nemen aan het maatschappelijk leven, via cultuur, via sociaal-cultureel werk, via vrijwilligerswerk of via arbeid.

Ook de netwerken tussen de overheidsstructuren onderling en tussen de verenigingen die rond armoedebestrijding werken, moeten verstevigd worden. Daar waar het zinvol is, moeten ervaringsdeskundigen betrokken worden bij het beleid.

Vrijetijdsparticipatie, dit is deelname aan cultuur-, sport- of jeugdinitiatieven, van mensen in armoede moet vanzelfsprekend gemaakt worden. Alle organisaties en overheden die hiervoor verantwoordelijk zijn, moeten actief en duurzaam samenwerken om de drempels te doen verdwijnen.
Hetzelfde geldt voor de verdere uitbouw van het sociaal toerisme. Er zijn meer middelen nodig om de organisaties die dit mogelijk maken, te ondersteunen en ruimer bekend te maken (zoals voor het Steunpunt vakantieparticipatie, voor ‘Toerisme voor allen', voor de organisaties die specifieke zorgvakanties organiseren, ...).

 Concrete voorstellen voor de mensen die in armoede leven:

  • toegang tot betaalbare en kwaliteitsvolle kinderopvang, ook voor ouders die niet gaan werken;
  • automatische toekenning van de schooltoelagen en andere premies waar mensen recht op hebben;
  • trajectbegeleiding op maat van mensen, met meer aandacht voor diverse vormen van participatie, o.a. in vrijwilligerswerk;
  • stimuleren van energiezuinige investeringen in huurwoningen en in sociale woningen;
  • verdriedubbeling van het aantal wijkgezondheidscentra;
  • alle organisaties en overheden werken samen om drempels voor deelname aan vrijetijdsactiviteiten voor mensen in armoede weg te werken.

2. Werknemers sterker maken op de arbeidsmarkt

De economische crisis slaat ongemeen hard en snel toe. Ook Vlaanderen ontsnapt er niet aan. Er moet ook tijdens de volgende regering zo snel als mogelijk werk worden gemaakt van een economisch herstelbeleid. Dit moet en kan in overleg met de sociale partners.

Op weg naar een duurzame economie

Op economisch vlak staan we hoe dan ook voor de belangrijke uitdaging om de Vlaamse economie om te vormen tot een duurzame economie, waarbij niet alleen economische en financiële doelstellingen, maar ook ecologische en sociale doelstellingen (zoals behoud en creatie van tewerkstelling) worden nagestreefd. De overheid moet dit transitieproces aansturen en de bedrijven stimuleren richting maatschappelijk verantwoord ondernemen. De omschakeling naar een meer duurzame economie houdt heel wat mogelijkheden tot jobcreatie in, op voorwaarde dat Vlaanderen sterker inzet op innovatie en ontwikkeling. Dat vergt een sterke ondersteuning voor onderzoek en ontwikkeling met de focus op energie-efficiënte technologieën, duurzame producten en productieprocessen en op sociale innovatie.

De huidige economische recessie mag dit proces niet doen vertragen. Integendeel, ook in tijden van recessie, wanneer de Vlaamse overheid de weg inslaat van het ondersteunen van de economie via een herstel- en investeringsbeleid, moet duurzame ontwikkeling centraal staan. Investeringen in gebouwen moeten aan de strengste milieunormen voldoen. Investeringen in mobiliteit moeten een stimulans betekenen voor meer duurzame mobiliteit. Investeringen in nutsvoorzieningen gebeuren vanuit een duurzaamheidsbril. Middelen voor onderzoek en innovatie moeten prioritair ingezet worden op duurzaamheid, enz. Bij de aanleg van nieuwe bedrijfsterreinen moet de prioriteit gaan naar het saneren van vervuilde bedrijfsterreinen. Dit betekent een win-winsituatie voor economie, milieu en ruimtelijke ordening.

Participatie op maat

Recessie betekent in de praktijk ook stijgende werkloosheid. De Vlaamse overheid moet al haar instrumenten inzetten om werkzoekenden zo snel als mogelijk te begeleiden naar nieuw werk. Ook hier geldt het adagio dat niet elke werkzoekende evenveel steun nodig heeft. De trajectbegeleiding moet meer dan vandaag het geval is, maatwerk zijn, waarbij de inhoud en de duurtijd van trajecten worden aangepast in functie van de noden en de mogelijkheden van de werkzoekenden. Werkzoekenden die moeilijk aan een baan geraken binnen het reguliere circuit moeten voldoende kansen krijgen binnen de sociale economie.

Het ACW stelt dat de sociale economie verder moet kunnen groeien omdat er tot op vandaag geen dekkend jobaanbod is voor alle werkzoekenden die in aanmerking komen.

Slimme jobs graag!

Ook werknemers verdienen de nodige ondersteuning, zodat zij langer actief kunnen blijven op de arbeidsmarkt. 
Het ACW wil meer slimme jobs. Dat zijn jobs die gevarieerder zijn van taakinhoud, beter van kwaliteit, meer appelleren aan kennis, beter afgestemd zijn op de combinatie met gezin, zorg, leren en vrijetijdsengagementen en meer aangepast aan de fysieke mogelijkheden en leeftijd van de werknemers. Slimme jobs veronderstellen aandacht voor het onthaalbeleid van nieuwe (anderstalige) werknemers, een aangepast loopbaanbeleid en een actief opleidingsbeleid, met meer opleidingskansen op en tijdens het werk. 
Slimme jobs zijn ook jobs die vrouwen dezelfde kansen op doorstroming en opleiding bieden.

Lekker lang leren

Vooral de kansen van werknemers om bij te scholen of opleiding te volgen, moeten verbeterd worden. Wil Vlaanderen een echte kenniseconomie worden, dan is een ambitieus opleidingsbeleid essentieel. Maar Vlaanderen loopt vandaag achter op Europa doordat slechts 6,9 % van de werknemers deelnemen aan permanente vorming. Dit moet tegen 2010 verhoogd worden tot 12,5 %, met bijzondere aandacht voor de kortgeschoolden en de ondergekwalificeerden.
Dit kan door het invoeren van een leerrecht, of meer nog, het invoeren van een interprofessioneel leerstatuut (recht op vervangingsinkomen voor de leerperiode, recht op terugkeer naar de functie, doortrekken van het recht op studiefinanciering naar alle lerenden, ...).
Ook de resultaten van al dat leren moeten beter gevaloriseerd worden. Dit kan door het invoeren van een talentenpaspoort (= portfolio met de Elders Verworven Competenties). Levenslang leren is immers de sleutel om zich als werknemer staande te houden op een snel veranderende arbeidsmarkt.

Met name ook de culturele sector heeft een opdracht te vervullen in het levenslange leren, vooral dan vanuit het perspectief van levensbreed leren: veel mensen versterken hun maatschappelijke positie ook door op een niet functionele manier bij te leren. Dat doen zij met name in het sociaal cultureel werk. Het beleid dient werk te maken van de erkenning van EVC's in deze sector. Ook de dwarsverbindingen tussen cultuur en andere sectoren - en zeker met onderwijs en het vormingsbeleid, moet versterkt worden. ACW vraagt dat de Vlaamse overheid het EVC-beleid aanstuurt en coördineert zodat over de verschillende beleidsdomeinen heen de verworven competenties even sterk gewaardeerd worden.

Diversiteit in woorden en in daden

Vlaanderen heeft de Lissabonstrategie onderschreven en streeft naar een werkzaamheidsgraad van 70 % van de actieve bevolking. Hoewel er kleine vooruitgang is geboekt (van 63,5 % naar 66,1 %), blijft de kloof nog groot. Er moet vooral nog hard gewerkt worden aan het verhogen van de werkzaamheidsgraad bij de 50-plussers, de vrouwen en de allochtonen en personen met een handicap. Dat vergt een personeelsbeleid dat meer rekening houdt met de diversiteit tussen haar werknemers en een kader schept waarbinnen iedereen kan gedijen, ongeacht leeftijd, geslacht, afkomst of handicap. Actieplannen moeten een verplicht onderdeel worden van het personeelsbeleid.

De eerste stap in dit diversiteitsbeleid is en blijft het aanwervingsbeleid, zowel van de bedrijven als van de overheid en de door de overheid gesubsidieerde sectoren (zoals onderwijs en de non-profitsector). De volgende Vlaamse regering moet haar voorbeeldfunctie realiseren en moet haar toeleidings- en aanwervingsbeleid verder aanscherpen. Werkgevers moeten niet alleen met de ‘wortel', maar ook met de ‘stok' aangespoord worden om kansengroepen aan te werven. Vlaanderen scoort op dit vlak immers beschamend slecht binnen Europa. Instroom en doorstroom zijn evenwel onlosmakelijk verbonden met het kwalificatieniveau van de jongeren en dus met gelijke kansen in onderwijs, strijd tegen ongekwalificeerde instroom, een kwalificatieplicht voor jongeren, instroom in hoger onderwijs en een leerrecht voor alle werknemers.
Onderwijs neemt een trekkende rol op. Een leerkracht die afkomstig is uit de kansengroepen heeft een sterke voorbeeldfunctie en werkt identiteitbevestigend voor die doelgroepleerlingen.

Ook het arbeidsmarktbeleid t.a.v. vrouwen heeft blijvende aandacht nodig omdat de lichte oververtegenwoordiging van vrouwen in het onderwijs zich onvoldoende vertaalt in een verbetering van hun positie op de arbeidsmarkt en in de bedrijven.

Concrete voorstellen voor de werknemers:

  • een economisch herstel- en investeringsplan gericht op duurzaamheid in overleg met de sociale partners;
  • meer diversiteit in het personeel in de bedrijven en in de overheidssectoren, het onderwijs en de non-profit;
  • trajectbegeleiding van werkzoekenden op maat;
  • verdere uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen in de sociale economie;
  • het invoeren van een interprofessioneel leerstatuut;
  • meer onderzoek en ontwikkeling met focus op duurzaamheid en sociale innovatie. 

3. Jongeren op weg zetten

De eerste stappen op de woonmarkt vergemakkelijken

Jongeren hebben het vandaag steeds moeilijker om een geschikte en betaalbare woning te vinden. Vooral jongeren die aan het begin staan van een zelfstandige wooncarrière. Er zijn te weinig private huurwoningen, ze kunnen geen beroep doen op sociale woningen, en de beschikbare huurwoningen zijn onaangepast of te duur.
Het uitbreiden van het huurpatrimonium alleen is niet voldoende als antwoord. We willen ook investeren in formules van samenwonen. De juridische en ruimtelijke drempels voor tijdelijke formules van huisdelen en samenwonen moeten weggenomen worden. Hierbij moet gezorgd worden dat deze formules niet zorgen voor een verdringing op de woningmarkt, met name het verdwijnen van de eengezinswoningen.


Een modern jeugdbeleid

Het jeugdbeleid moet de jongeren de mogelijkheid geven om volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Het legt dan ook nadruk op een grotere betrokkenheid van jongeren aan het beleid en aan het vorm geven van de samenleving. Het zorgt voor plaatsen waar jongeren jong kunnen zijn, zonder dat dit geïsoleerd is van de samenleving. Het jeugdbeleid moet gaan voor een grotere verweving van verschillende groepen in de samenleving. Het beleid moet initiatieven voor verweving ondersteunen en aanmoedigen.
Het jeugdbeleid moet een bijzondere nadruk leggen op het welbevinden van kinderen en jongeren. Zeker binnen het welzijnsbeleid zijn deze jongeren en hun naasten een prioritaire doelgroep. We vragen een globaal jeugdplan dat in samenspraak met de actoren en de vertegenwoordigers van de jongeren verder wordt ontwikkeld. Voor het ACW zijn doelstellingen van een globaal jeugdplan het voorkomen van achteruitstelling van kinderen en jongeren omwille van armoede of kleur; het voorkomen van (voor-)schoolse achterstand, het voorkomen van crisissituaties in het gezin, het integreren van jongeren in de samenleving; ...


Integrale jeugdhulp en bijzondere jeugdzorg moeten versterkt worden

Binnen het globaal jeugdplan neemt de integrale jeugdhulp en de bijzondere jeugdzorg een belangrijke plaats in. De integrale jeugdhulp wordt verder ontwikkeld. Hierbij ligt de nadruk vooral op het doorbreken van de grenzen van de verschillende sectoren binnen de jeugd- en volwassenenzorg. De integrale jeugdhulp wordt minder bureaucratisch en formalistisch en sluit meer aan op de werkvloer. 
De integrale jeugdhulp legt bijzondere nadruk op preventie en eerstelijnshulp voor jongeren. Preventie en eerstelijnshulp zijn voor ons evenwaardig aan meer ingrijpende vormen van zorg. De CAW's, CLB's en K&G krijgen extra middelen voor het verder uitbouwen van preventie en eerstelijnshulp.
De bijzondere jeugdzorg moet verder uitgebouwd worden vanuit de optie dat jongeren alle mogelijkheden en middelen moeten krijgen om zelfstandig te kunnen leven. Jongeren in problematische opvoedingssituaties moeten mogelijkheden krijgen om een goede opvoeding te krijgen. We pleiten daarom voor voorzichtige vormen van "bemoeizorg" bij problematische opvoedingssituaties. Pleegzorg moet hiertoe verder uitgebouwd worden. Kleinschalige begeleid wooninitiatieven geïntegreerd in wijken en buurten geven jongeren de mogelijkheid hun eigen leven te leiden. 
Wij pleiten voor een zeer terughoudende houding ten aanzien van meer repressieve vormen van jeugdzorg. Jongeren die feiten hebben gepleegd die omschreven kunnen worden als misdaden moeten opnieuw opgenomen kunnen worden in de samenleving. Opsluiting kan nuttig zijn, maar mag nooit gebruikt worden als repressief middel.
Om de integrale jeugdhulp en bijzondere jeugdzorg verder te ontwikkelen pleiten we voor een duidelijk groeipad van minstens 3 % extra per jaar.

Concrete voorstellen voor jongeren:

  • wegwerken van juridische en ruimtelijke drempels voor tijdelijke formules van huisdelen en samenwonen;
  • een globaal jeugdplan dat samen met de vertegenwoordigers van de jongeren wordt ontwikkeld;
  • meer middelen (+ 3 % per jaar) voor de uitbouw van de integrale jeugdhulp en de bijzondere jeugdzorg.

4. Gezinnen ondersteunen waar nodig

De maatschappelijke definiëring van het gezin wordt almaar complexer. Er zijn meer alleenstaanden, alleenstaanden met gezinslast en nieuw samengestelde gezinnen, die elk hun eigen noden en mogelijkheden hebben. Daarbij moeten we rekening houden met sterke verschillen in financiële draagkracht tussen ééninkomensgezinnen en tweeinkomensgezinnen.

Het beleid moet meer rekening houden met deze grote variëteit in gezinsvormen.

Toegankelijke en kwaliteitsvolle kinderopvang

Alleenstaanden met kinderen en gezinnen waar beide partners buitenshuis werken hebben nood aan gezinsondersteunende diensten zoals kinderopvang en huishoudelijke hulp, maar gezinsondersteunende diensten zijn ook belangrijke instrumenten om vrouwen te stimuleren om aan de arbeidsmarkt deel te nemen. De uitbreiding van de kinderopvang naar meer flexibele vormen van kinderopvang is een belangrijke stap in de goede richting. In een volgende legislatuur moet er opnieuw geïnvesteerd worden in de uitbreiding van de gesubsidieerde voorschoolse kinderopvang, maar ook in de buitenschoolse kinderopvang. Ook de beschikbaarheid van occasionele kinderopvang moet worden verbeterd zodat ouders die werk gaan zoeken, een opleiding willen volgen of tijdelijk ontlast willen worden omwille van ziekte of probleemsituaties ook terecht kunnen in de kinderopvang. In de steden met een scherp en objectiveerbaar tekort aan voorschoolse kinderopvang, moet een inhaaloperatie worden opgezet.
Kinderopvang aan huis is een veel te dure oplossing en moet beperkt blijven tot die situaties waar geen collectief aanbod bestaat, zoals bv. bij ziekte van het kind.

Het invoeren van inkomensgerelateerde tarieven in de zelfstandige kinderopvang is een instrument om de kinderopvang betaalbaar te maken voor iedereen, maar biedt geen garanties op meer kwaliteit. Tijdens de volgende legislatuur moet er verder werk gemaakt worden van de verhoging van de kwaliteit van de kinderopvang. De invoering van een vergunningenstelsel, gekoppeld aan minimale kwaliteitsvoorwaarden voor al wie met professionele kinderopvang bezig is, is een absolute must. Een ambitieus competentiebeleid, waarbij iedereen die actief is of wil zijn in de kinderopvang de kans krijgt zich bij te scholen en zijn competenties te verhogen, is een tweede belangrijke voorwaarde. Ook het volwaardig werknemersstatuut moet er volgende legislatuur komen. De Vlaamse regering moet hiervoor de nodige middelen reserveren.


Op de woningmarkt

Ook de woonbehoeften van gezinnen verschillen en kunnen variëren in de tijd. Zo stijgt de vraag naar grotere woningen door het stijgend aantal nieuw samengestelde gezinnen. Omgekeerd zijn alleenstaanden met kinderen vooral op zoek naar betaalbare woningen. En ook bij oudere mensen verandert de woonbehoefte en is er meer vraag naar kleinere, aangepaste woningen. Het is aan de samenleving en aan de overheid om hier een aangepast antwoord op te formuleren. De nood aan meer sociale woningen staat daarbij als een paal boven water. De beleidsbeslissing om 65.000 extra sociale woningen en sociale koopwoningen te bouwen moet tijdens de volgende legislatuur geconcretiseerd worden via haalbare doelstellingen, met de focus op de bouw van sociale huurwoningen. Het ACW vraagt een meerjarenplan voor minstens 45.000 nieuwe sociale woningen op een termijn van tien jaar. Deze sociale woningen moeten gebouwd worden met het oog op de toekomst, dat wil zeggen energiezuinig zijn, met oog voor een meer duurzame mobiliteit van haar bewoners en rekening houdend met de diverse gezinsvormen. In de niche van de sociale koopwoningen moet opnieuw de mogelijkheid van erfpacht ingebracht worden omdat de eigenaren hun woningen met veel meerwaarde kunnen verkopen zonder compensaties voor de sociale huisvestingsmaat-schappijen.

De positie van de zwakste bewoners in de huursector kan bovendien verder versterkt worden door een uitbreiding van de gemeentelijke loketten m.b.t. wonen, door het uitbreiden van de participatie van de bewoners binnen de sociale huisvestings-maatschappijen en door het invoeren van verschillende vormen van woonbegeleiding die de linken tussen welzijn en huisvesting versterken.

Niet alleen de betaalbaarheid van het wonen moet verbeterd worden, ook de kwaliteit van de woningen. Vlaanderen kampt met heel wat slechte of minderwaardige woningen, die bovendien allesbehalve energiezuinig zijn. De Vlaamse premies voor renovatie en energiezuinige investeringen moet prioritair afgestemd worden op deze slechte woningen. Prioriteit moet liggen bij investeringen in dakisolatie, hoogrendementsglas en energiezuinige verwarmingsketels. Bovendien moeten alle premies beter op elkaar afgestemd worden, moeten de aanvraagprocedures worden vereenvoudigd en waar mogelijk moet er werk worden gemaakt van de automatische toekenning van premies. Het Mattheuseffect in de premies, zoals bv. de oversubsidiëring voor zonne-energie, moet worden tegengegaan.


Betaalbare energieprijzen

De kosten voor energie, elektriciteit en water zijn de laatste jaren spectaculair gestegen. Hoewel de Vlaamse overheid hier niet altijd vat op heeft, kan zij wel initiatieven nemen om de tarieven sterker sociaal te corrigeren. Binnen de watersector is het aangewezen om tot een meer progressief tarief te komen, waarbij rekening wordt gehouden met het verbruik (hoe meer hoe duurder) en de gezinsgrootte. Ook het gebruik van hemelwater kan verder gestimuleerd worden. Binnen de elektriciteitssector moet de overheid, samen met de federale overheid, meer sturend optreden om te komen tot een échte vrijgemaakte markt, waarbij ook nieuwe spelers ruimte krijgen om te ondernemen. Enkel op die manier kunnen de energieprijzen zakken.


Bij de schoolkeuze van hun kinderen

De schoolkeuze en de keuze van opleiding is voor een toenemend aantal gezinnen geen neutrale keuze. De schoolkosten kunnen sterk verschillen alnaargelang de gekozen studierichting, de afstand tot de school (verplaatsingskosten), het beleid van de school (bv. over het al dan niet maken van dure schoolreizen).

De schoolkosten zouden budgetvriendelijker kunnen gemaakt worden voor de ouders door de invoering van een maximumfactuur in het secundair onderwijs, te beginnen in de eerste graad. 
Ook de verdere democratisering van het hoger onderwijs is een blijvend aandachtspunt. Het ACW wil dat de inspanningen om de participatie aan het tertiair onderwijs (= alle onderwijs ná het secundair onderwijs) te verhogen, verder worden opgevoerd. De uitbouw van het hoger beroepsonderwijs moet worden verdergezet. De financiering van de hogescholen moet worden verbeterd en de mogelijkheden voor Levenslang Leren moeten worden uitgebreid.

Dé uitdaging voor de volgende regering wordt evenwel de hervorming van het secundair onderwijs. Studie na studie wordt aangetoond dat de kwaliteit van het onderwijs in Vlaanderen zeer hoog is, maar dat tegelijkertijd de kloof tussen de goed scorende leerlingen en de achterblijvers het hoogste van heel Europa is. Leerlingen uit kansarme middens scoren beduidend slechter dan leerlingen uit kansrijke milieus. Dat wil zeggen dat ons onderwijssysteem bestaande sociale achterstand en achterstelling bestendigt en reproduceert. 
Vooral het grote aantal mislukkingen en het watervalsysteem, plus de onderwaardering van het technisch en beroepsonderwijs maken een hervorming en vernieuwing van het secundair onderwijs dringend nodig.

In het opnemen van zorgtaken voor familie, vrienden of buren.

Heel wat mensen, vooral vrouwen, nemen vandaag de zorg op voor een ziek familielid. Deze mantelzorg is essentieel in onze samenleving. Het is immers onmogelijk alle zorgbehoeften uit te besteden aan de professionele zorg. De mantelzorger verdient dan ook een professionele ondersteuning, die de combinatie van zorgtaken met andere verantwoordelijkheden mogelijk maakt.

Het persoonlijk assistentiebudget en het persoonsgebonden budget zijn belangrijke instrumenten om de zorg voor een persoon met een handicap zelf op te nemen of uit te besteden. Voor de verzorging van ouderen of zorgbehoevenden is het dan weer belangrijk dat er voldoende ondersteuning is vanuit de thuiszorg, maar ook dat er voldoende faciliteiten zijn om de mantelzorger van tijd tot tijd te ontlasten. De beschikbaarheid en betaalbaarheid van thuiszorg en van plaatsen voor kortverblijf is dan ook zeer belangrijk. Maar ook sensibiliseringscampagnes zijn nodig om het traditionele rollenpatroon waarin vrouwen de zorgtaken op zich nemen, te doorbreken.

Vanuit het ACW vragen we ook een mantelzorgpremie van ten minste 300 euro per jaar als teken van erkenning voor de vele mantelzorgers in ons land.


Media voor mensen, niet omgekeerd

De zeer snelle ontwikkelingen van media en van informatie- en communicatietechnologie zetten ons venster op de wereld open. Maar concurrentie en commercialisering zijn niet onschuldig. 
Met het oog op een veilige kijkhaven voor kinderen moeten pictogrammen overal verplicht worden, is een classificatiesysteem voor programma's nodig, moeten omroepen aangemaand worden om hun zendschema's aan te passen aan jonge kijkers en moet minstens de openbare omroep voldoende mogelijkheden krijgen om een positieve, kindvriendelijke en veilige Ketnetomgeving uit te bouwen. 
Ook voor het internet is het nodig filters in te bouwen (bv. online identificatie).

Leren omgaan met media lijkt meer dan ook nodig. Hier kunnen zowel onderwijs (bv. eindtermen), middenveldorganisaties, waaronder het sociaal-cultureel werk, en de openbare omroep (bv. via een specifiek educatief Ketnetaanbod) een belangrijke rol spelen indien zij hiervoor ook financieel toegerust worden.

Van het dichten van de digitale kloof willen we meer een verhaal van e-inclusie maken, met bijzondere inspanningen voor kwetsbare groepen. Inspanningen blijven nodig voor laagdrempelige toegang tot het internet, tot digitale tv en tot e-overheidsloketten, en voor een ondersteuning van initiatieven voor meer mediageletterdheid. Alle noodzakelijke informatie moet verder ook via de klassieke informatiekanalen verspreid worden.

 Concrete voorstellen voor de gezinnen:

  • de effectieve middelen voor de bouw van sociale huurwoningen en sociale koopwoningen;
  • meer gesubsidieerde plaatsen in de kinderopvang en het verhogen van de kwaliteit van alle vormen van kinderopvang via een vergunningenbeleid en een competentiebeleid;
  • een hervorming van het secundair onderwijs;
  • het invoeren van een leerrecht;
  • het invoeren van progressieve tarieven voor water;
  • een Vlaamse mantelzorgpremie van ten minste 300 euro;
  • een programma-aanbod op maat van kinderen;
  • een laagdrempelige toegang tot internet, digitale tv en e-overheid.

5. Ouderen weerbaarder maken

Ouderen zijn competente mensen met specifieke mogelijkheden en beperkingen. Zij willen samen en in dialoog met andere generaties verantwoordelijkheid blijven opnemen voor de samenleving waarin zij leven. Zij kunnen hun ervaring, kennis en vaardigheden ter beschikking stellen van de gemeenschap en een eigen rol spelen in gezin, familie, buurt of wijk. Daarnaast willen zij op autonome wijze in het leven kunnen staan en een zo groot mogelijke persoonlijke autonomie realiseren, d.w.z. de mogelijkheid om over hun eigen leven te beschikken en zichzelf verder te kunnen ontplooien. Vanuit deze filosofie kijken zij ook naar de zorg en het zorgaanbod, zoals het in Vlaanderen gestalte krijgt.

Cultuur en vrije tijd door en voor ouderen

Vlaanderen kent een sterk uitgebouwd verenigingsleven. Dit verenigingsleven vervult verschillende maatschappelijke functies: sociaal contact, eenzaamheid opvangen, ontspanning en vrijetijdsbesteding, mogelijkheden voor vrijwillige inzet, culturele participatie, vorming en belangenbehartiging. Zeker voor de ouderen onontbeerlijk. De overheid moet dit verenigingsleven plaats en ruimte geven, niet verdringen door eigen initiatief. De sociaal-culturele activiteiten in een gemeente moeten in samenspraak met het lokaal verenigingsleven tot stand komen. Vanuit de Vlaamse overheid moet de nodige ondersteuning komen voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk, voor het recreatief sportbeleid en moeten de ouderen op alle niveaus beter betrokken worden bij het beleid.

Deelname aan cultuur, sport of recreatie betekent dat mensen zich moeten kunnen verplaatsen. De mobiliteit van minder mobiele mensen moet een permanent aandachtspunt zijn. Daarbij gaat het niet alleen over de bereikbaarheid van publieke diensten en de beschikbaarheid van het openbaar vervoer. Het is ook belangrijk dat de eigen woonomgeving aangenaam en veilig is, ook voor de zwakke weggebruikers, dat de belangrijkste nutsvoorzieningen aanwezig zijn en dat er recreatiemogelijkheden zijn in de eigen buurt. Het afsluiten van mobiliteitsconvenanten is hiertoe een nuttig middel.

Recht op zorg

Maar in het ouder worden zijn we niet allemaal gelijk. Zo ligt de levensverwachting en zeker de verwachting aan kwaliteitsvolle jaren substantieel lager bij de laaggeschoolden dan bij de hogergeschoolden. Ook de financiële mogelijkheden zijn ongelijk verspreid, zodat we binnen de groep van gepensioneerden zowel zeer welgestelden als minderbegoeden vinden, naast een brede middengroep. In hun zoektocht naar aangepaste zorgen kan dit een wereld van verschil maken, omdat de kosten voor de zorg in Vlaanderen aanzienlijk zijn en hoog kunnen oplopen voor wie er langdurig gebruik van moet maken. Het ACW pleit ervoor om de kosten voor zorg meer inkomensafhankelijk te maken. Daarnaast moet er meer worden ingezet op de automatische toekenning van rechten en - waar mogelijk - de invoering van het derdebetalerssysteem. Huisartsen bv. kunnen dit wel, maar maken er in de praktijk te weinig gebruik van.

Voor het ACW komt het er in de volgende legislatuur op aan het recht op zorg gestalte te geven, waarbij het beleid vertrekt van zorg op maat en zorg op vraag.

Zorg op maat veronderstelt dat men in alle welzijnsdomeinen werkt met een duidelijk systeem van zorgbeschrijving en zorggradaties, zodat de zorgvrager enkel de zorg krijgt die hij nodig heeft. Zorg op vraag houdt in dat de zorgvrager de mogelijkheid heeft zelf zijn zorg te organiseren in functie van zijn behoeften. Het recht op zorg veronderstelt eveneens dat de zorg meer inkomensafhankelijk wordt en gekoppeld aan een sterk preventiebeleid. 
Waarin de oudere bevolking relatief weinig van elkaar verschilt, is in de wens om zo lang als mogelijk in de eigen omgeving en woning te kunnen blijven wonen. Dat betekent dat de zorg maximaal gericht moet zijn op de ondersteuning van ouderen in hun eigen woonomgeving, alvorens de overgang naar het rusthuis wordt gemaakt. Dit betekent in de praktijk vooral dat er meer moet worden ingezet op een differentiatie van het aanbod, dat soepel kan inspelen op de vragen en noden van mensen. Daarbij moet er veel meer dan vandaag het geval is, uitgegaan worden van zorgtrajecten, die worden uitgetekend op maat van mensen. Om dit te kunnen realiseren moeten er niet alleen beleidsmatig meer linken gelegd worden tussen het welzijnsbeleid en het huisvestingsbeleid, maar moet er ook binnen het welzijnsdomein meer sectoroverschrijdend samengewerkt worden. Daarbij moet de strikte regelgeving van vandaag worden omgebogen naar een beleid dat doelstellingen formuleert en dat vooral controleert of de resultaten worden gehaald.

Het woonzorgdecreet bevat belangrijke aanzetten om dit beleid waar te maken en moet tijdens de volgende legislatuur concreet gestalte krijgen en voldoende financiële middelen. Op een aantal punten dient het versterkt. Zo pleit het ACW voor een grotere verantwoordelijkheid voor de eerstelijnszorg dan nu voorzien is.

Toch zal ook het aanbod moeten volgen. Het aantal 65-plussers zal de komende decennia spectaculair stijgen met 560.000 tussen 2007 en 2030. Er is nood aan een structureel vergrijzingsbeleid op lange termijn, met aandacht voor planning en programmatie van het zorgaanbod in functie van de behoeften en de noden, zowel in de ambulante (bv. thuiszorg) als in de residentiële sectoren. Zo groeit er in de RVT's vraag naar betaalbare tweepersoonskamers voor gehuwden of samenwonenden. 
Een hoger aanbod vergt ook voldoende instroom van gekwalificeerd personeel. Door de krimpende arbeidsmarkt, dreigt een reëel tekort in de toekomst. Het Vlaams beleid moet pro-actief tewerk gaan in het aantrekken van nieuwe arbeidskrachten naar de welzijns- en gezondheidssectoren door een aantrekkelijk personeelsbeleid te voeren.

De uiteindelijke toetsing van kwaliteit dient door de eindgebruiker te gebeuren. De inspectieverslagen moeten openbaar gemaakt worden. Gebruikers moeten vertegenwoordigd worden bij het beheer van de instellingen door gebruikersorganisaties die tevens betrokken moeten worden bij het bepalen van de kwaliteitscriteria en het opstellen van tevredenheidsonderzoeken. Ouderenorganisaties die gebruikers van zorg verenigen moeten volwaardig erkend en ondersteund worden door de overheid.

Op de woningmarkt

Het huidige woningbestand is zowel qua ruimtelijke inplanting als fysische aanpasbaarheid onvoldoende uitgerust om aan de toekomstige woonbehoeften te voldoen. Er moet meer aandacht komen voor ‘aanpasbaar bouwen en wonen'. Zowel particulieren als architecten en bouwondernemingen moeten hierrond gesensibiliseerd worden. Maar er moet ook gezocht worden naar meer creatieve vormen van wonen, die het zelfinitiatief van ouderen stimuleren. Samenwonen in de verschillende vormen (bv. kangoeroewonen, huis-delen, ...) moet worden aangespoord (ook fiscaal), zodat de beschikbare woningen en ruimte op een meer efficiënte manier worden gebruikt. Samenwonen voorkomt bovendien vereenzaming en vergemakkelijkt de organisatie van de zorg en de mantelzorg.

Vlaanderen moet daarnaast inzetten op ‘zorgvriendelijke' gemeenten. Dit zijn gemeenten die ouderen en zorgbehoevenden de mogelijkheid geven om te kunnen blijven wonen te midden van anderen en zoals ze zelf willen. Dit vergt heel wat creativiteit van de gemeenten over de inplanting van woningen en van de uitbouw van de aangepaste dienstverlening. De gemeente kan zorgzones of zorgcampussen afbakenen in de nabijheid van het zorgaanbod.

Ook de inschakeling van domotica en technische hulpmiddelen worden alsmaar belangrijker voor de veiligheid in en rond de woning te verzekeren en om de zorg zo efficiënt mogelijk te organiseren. Het stelt mensen in staat langer zelfstandig te blijven wonen. De overheid moet hiervoor de nodige steun voorzien en samen met de bedrijven een gestandaardiseerd, gebruiksvriendelijk en betaalbaar basissysteem uitwerken.

Concrete voorstellen voor de ouderen:

  • een structureel vergrijzingsbeleid dat Vlaanderen voorbereidt op sterke toename van het aantal senioren;
    • meer zorg op maat en zorg op vraag, via duidelijk systeem van zorgbeschrijving en zorggradaties;
    • groter accent op de uitbouw van de eerstelijnszorg (zoals thuiszorg, de rol van de huisarts ...);
    • een aantrekkelijk personeelsbeleid om de groei en de differentiatie van het zorgaanbod te kunnen realiseren;
    • creatieve vormen van samen - wonen aanmoedigen;
  • het sociaal-cultureel werk t.a.v. ouderen moet in samenspraak met ouderenverenigingen gestalte krijgen.

6. Zorgbehoevenden

Zorgbehoevenden vormen in onze samenleving een bijzonder kwetsbare groep. Niet alleen hebben zij het financieel vaak zeer moeilijk (laag inkomen, gekoppeld aan hoge kosten voor gezondheidszorg), bovendien hebben zij ook veel kans om maatschappelijk geïsoleerd te geraken. Het Vlaams beleid moet dan ook de nodige inspanningen doen opdat mensen volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving.

Maar ook hier veranderen noden en behoeften. Binnen de gehandicapten groeit de vraag naar een aanbod op maat. De overheid heeft de opdracht te zorgen voor een voldoende en voldoende gedifferentieerd aanbod aan residentiële zorg. De residentiële sector heeft bovendien ook nood aan een grondige vernieuwing waarin plaats is voor kleinschaligheid, zorg op maat en zorg op vraag, en dat samenwonen ondersteunt. Daarbij moet er altijd aandacht zijn voor de zorglast van het personeel. Mede door een efficiënter gebruik van het aantal beschikbare plaatsen, kunnen de wachtlijsten verder afgebouwd worden.

Intussen bewijst ook het persoonlijk assistentiebudget voor bepaalde groepen binnen de gehandicapten zijn nut. De middelen kunnen dan ook verder uitgebreid worden, mits tegelijkertijd het statuut van de begeleiders verbeterd wordt. Het persoonsgebonden budget is hierop een waardevolle aanvulling, die komende legislatuur verder uitgebouwd moet worden.

De samenleving is echter ook complexer en veeleisender geworden. Zij vraagt zoveel van iedereen waardoor veel mensen breken. Vlaanderen telt bv. het hoogst aantal zelfdodingen in Europa. Het welbevinden van mensen in hun dagelijkse leefsituatie moet meer aandacht krijgen. Het vergroten van het welbevinden op de werkvloer of op school, in het gezin ... voorkomt veel leed. Het welbevinden en het welzijn moeten daarom beleidselementen worden binnen de andere beleidsdomeinen. Het welzijnsbeleid kan de nodige middelen aanreiken en krijgt de mogelijkheden om binnen andere domeinen een preventiebeleid te ontwikkelen. De geestelijke gezondheidszorg wordt hiertoe ondersteund om mee een preventiebeleid te ontwikkelen.

Voor de groep van zwaar zorgbehoevenden blijkt de zorgverzekering een belangrijk middel om tussen te komen in de kosten. Het ACW vraagt dat de zorgverzekering verder wordt versterkt, dat de bedragen worden geïndexeerd, en dat de zorgbonus voor niet-medische kosten wordt versterkt.

Geen verdere vermarkting van de zorg

Het ACW stelt vast dat de vermarkting van de zorg verder om zich heen grijpt. Zowel in de kinderopvang als in de poetshulp, de rusthuissector en - sinds kort - in de gehandicaptensector zijn er meer commerciële actoren actief.

Het ACW vindt dat de Vlaamse overheid deze evolutie beter moet aansturen en beheersen. De overheid moet zelf blijven investeren in de non-profitsector opdat de verhouding tussen niet-commercieel en commercieel aanbod niet een kritische grens overschrijdt. Daarnaast kan de overheid het coöperatief ondernemen in de welzijnssector meer aanmoedigen.

 Concrete voorstellen voor de zorgbehoevenden:

  • verdere uitbreiding van de residentiële zorg en van het persoonlijk assistentiebudget en het persoonsgebonden budget;
  • indexering van de bedragen van de zorgverzekering en versterking zorgbonus voor niet-medische kosten;
  • een preventiebeleid uittekenen gericht op het verhogen van welzijn en welbevinden door:
    • decreet op CAW's uit te voeren
    • de Geestelijke Gezondheidszorg de nodige middelen te bezorgen
  • de verdere vermarkting van de zorg moet worden gestopt. De overheid moet blijven investeren in de non-profit en het coöperatief ondernemen moet een duidelijkere plaats krijgen.

7. Omschakelen naar een duurzaam Vlaanderen

Ecologische en sociale doelstellingen gaan hand in hand

Duurzame ontwikkeling is een zeer breed begrip, dat door iedereen anders wordt ingevuld. Voor het ACW gaat het om een visie op mens en samenleving, waarbij de huidige invulling van behoeften niet ten koste mag gaan van anderen, elders en later. Dat betekent dat er in de keuzes die mensen, ondernemers of beleidsmakers maken, telkens rekening gehouden wordt met zowel economische, als ecologische en sociale doelstellingen.

De komende jaren zullen cruciale beslissingen genomen moeten worden voor een doortastend klimaatbeleid. Het milieuprobleem is bij uitstek een ethisch, sociaal en politiek probleem met bovendien een negatieve impact op de gezondheid. Ook kansengroepen van bij ons zullen te lijden hebben onder de impact van de klimaatverandering. Daarom is het voor het ACW van groot belang dat het klimaatbeleid een sociaal rechtvaardig beleid is. De doelstellingen moeten ook haalbaar en betaalbaar zijn voor de mensen met een beperkt inkomen. Sociale correcties blijven broodnodig, zowel op vlak van de energieprijzen en de tarieven voor water, als op vlak van de subsidies en premies voor energiebesparende investeringen. Bovendien moeten premies automatisch worden toegekend. Burgers, werknemers en ondernemers moeten voldoende tijd krijgen om hun gedrag aan te passen aan de nieuwe doelstellingen. Zij moeten tijdig betrokken worden bij het beleid, zodat er ook een draagvlak kan ontstaan voor meer duurzame ontwikkeling. Het middenveld moet ook tijdens de volgende legislatuur actief betrokken worden om hiervoor een draagvlak bij haar achterban te creëren.

Blik op de lange termijn

Om tot een duurzame samenleving te komen, moet een transitieproces op gang worden gezet, waarbij een langetermijnvisie wordt uitgewerkt, door de integratie van duurzame ontwikkeling in alle beleidsdomeinen. In functie van die langetermijnvisie moet de regelgeving stapsgewijs worden aangepast en verscherpt. Telkens opnieuw moet de afweging worden gemaakt of de maatregel ook voldoende sociaal is, d.w.z. haalbaar en betaalbaar voor minder kapitaalkrachtige groepen. Zoniet, dan zijn sociale correcties, bijkomende premies of specifieke acties gericht op de doelgroep nodig.

  • Het ACW pleit voor een langetermijnstrategie op vlak van:
    zuinig energiegebruik, zoals het verlagen van het energiepeil van nieuwe woningen, de omschakeling naar de productie van groene stroom op lokaal niveau, het stimuleren van energiezuinige auto's en het promoten van gezonde en duurzame voeding;
  • mobiliteit, waarbij er ruimte en veiligheid is voor fietsers en voetgangers, en waar het openbaar vervoer versterkt wordt;
  • waterbeleid, dat niet alleen moet zorgen voor proper oppervlaktewater maar ook pro-actief moet inspelen op de verhoogde kans van watertekort bij droogtes en wateroverlast bij lange en hevige regens;
  • ruimtelijke ordening, waarbij de ecologische doelstellingen ruimtelijk vertaald moeten worden, met aandacht voor inbreiding en duurzame woningbouw, voor meer bossen en duurzame landbouw, voor een ander mobiel gedrag. De uitbouw van Vlaanderen als logistiek centrum moet doordacht en duurzaam zijn met voorrang voor multimodale vestigingen die voldoende toegevoegde waarde en tewerkstelling opleveren.

 Concrete voorstellen voor duurzame ontwikkeling:

  • de overgang naar een duurzame samenleving vergt een langetermijnvisie, gekoppeld aan concrete, tussentijdse doelstellingen;
  • de Vlaamse overheid moet een langetermijnvisie uitwerken op vlak van het verminderen van het energieverbruik, het waterbeleid, mobiliteit en ruimtelijke ordening;
  • het klimaatbeleid moet ook een sociaal rechtvaardig beleid is. De doelstellingen moeten ook haalbaar en betaalbaar zijn voor mensen met een beperkt inkomen;
  • premies en subsidies voor milieuvriendelijke investeringen moeten zoveel mogelijk automatisch worden toegekend. 

8. Cultuur als bindmiddel in de samenleving

Cultuurparticipatie

In alle levensfasen (van jong tot oud) en in alle levensomstandigheden hebben mensen het recht om aan een veelheid van cultuuruitingen te participeren. Naast arbeid is cultuur een krachtig element in de zelfrealisatie en in de opbouw van de gemeenschap. Het is de verantwoordelijkheid van de (Vlaamse) overheid de mogelijkheid tot cultuurparticipatie voor iedereen te waarborgen.

Vlaanderen kent een sterk uitgebouwd verenigingsleven. Dit verenigingsleven vervult verschillende maatschappelijke functies: sociaal contact, persoonlijke ontplooiing, sociale cohesie bevorderen, eenzaamheid ondervangen, ontspanning en vrijetijdsbesteding, mogelijkheden voor vrijwillige inzet, culturele participatie, vorming en belangenbehartiging. Dit verenigingsleven dient verder uitgebouwd en gepromoot te worden.

Terecht worden er meer middelen ter beschikking gesteld aan lokale overheden, o.a. via het gemeentefonds. Veel gemeentebesturen nemen hun verantwoordelijkheid in de uitbouw van culturele voorzieningen (met name ook ten aanzien van ouderen, via de dienstencentra). Vele lokale besturen voeren een culturele regie, juist dankzij en met Vlaamse middelen.

We vragen aan de Vlaamse Regering dat deze regiefunctie goed en juist gedefinieerd en bewaakt wordt: ACW is ook hier voorstander van een actief vrijwilligersbeleid dat binnen het subsidiariteitsprincipe gekaderd wordt. Concreet wil dit zeggen dat de Vlaamse Regering bewaakt dat de middelen die ze voor de culturele werking in gemeenten ter beschikking stelt ook besteed worden aan de lokale actoren; dat gemeenten niet in de plaats treden van particuliere organisaties en dat er geen concurrentiemodel gehanteerd wordt tussen overheid en particulier initiatief. ACW pleit voor een primaat van het particulier initiatief.

ACW vraagt dat de Vlaamse regering - o.a. via de middelen van het gemeentefonds, de lokale overheden stimuleert om te investeren in culturele infrastructuur. Het gebrek aan en de toestand van lokale infrastructuur is dermate urgent dat een masterplan zich opdringt, waarbij vooral toegankelijke infrastructuur dient gerealiseerd te worden voor het verenigingsleven. Hier kunnen vormen van PPS gehanteerd worden. De middelen daartoe kunnen in het gemeentefonds geoormerkt worden.

Niet enkel de minister van Cultuur draagt hier een verantwoordelijkheid: alle beleidsdomeinen die impact hebben op het lokale niveau moeten dit engagement aangaan.

Decretale rust voor het SCVW

De voorbije regeerperiode(s) werden de decreten SCVW grondig aangepast. De laatste fundamentele wijziging dateert van 2008; de effecten van deze aanpassing zullen zich vooral laten voelen tijdens de volgende legislatuur. Bijzondere aandacht is nodig voor de opvolging en implementatie van:

  • het correcte verloop van de evaluatiecyclus, inclusief de visitaties
  • de realisatie van het prioriteitenbeleid
  • de realisatie van de meergelden om de ‘levensduurte' op te vangen

In dit kader is enige decretale "rust" ook aangewezen: het heeft geen zin om tijdens de volgende legislatuur de decretale aansturing van de sector opnieuw fundamenteel ter discussie te stellen. Wel dienen er op basis van een permanente monitoring en evaluatie van de uitvoering van het decreet eventueel bijsturingen te gebeuren.

ACW vraagt dus dat er in een correcte financiering wordt voorzien voor de uitvoering van de decreten.

Wat betreft monitoring van de sector, ook wat de sociaal-economische data betreft, dient de overheid verregaande initiatieven te nemen. De discussies over gegevensregistratie moeten eenduidig beslecht worden: het is een verantwoordelijkheid van de overheid om de nodige stappen te zetten zodat een onderbouwd beleid kan gevoerd worden. Eventuele bijkomende planlast voor organisaties moet gecompenseerd worden.

Wat de migrantenfederaties in het bijzonder betreft zal er tijdens de volgende legislatuur bijzondere aandacht moeten zijn voor het halen (en behouden) van de minimumcriteria. Eventuele bijsturingen zijn hier niet uit te sluiten.

In het kader van het decretaal voorziene prioriteitenbeleid verwachten we een duidelijke procedure zodat het overleg tot een voldoende groot draagvlak leidt. De overheid voorziet de nodige middelen voor dit prioriteitenbeleid.


Flankerend beleid en beleidsafstemming

De realisatie van het SCW beleid wordt hoe langer hoe meer gekenmerkt door bijkomende regelgeving die voorwaardenscheppend, omkaderend of faciliterend werkt.

  • Een eerste opgave is om deze regelgeving intern, op Vlaams niveau meer af te stemmen. We zitten nu veel te veel in de sfeer van (losse) projecten: projecten in het kader van het Participatiedecreet, in het kader van het decreet SCVW zelf.
    Er moet onderzocht worden of hier stroomlijning mogelijk is. Ook op vlak van subsidies. 
    De socio-culturele sector vraagt dat de structurele subsidiëring op een voldoende hoog niveau blijft, om de(decretale) kerntaken te realiseren. Projectsubsidies zijn enkel aanvullend.
  • De nood aan stroomlijning geldt des te meer voor de afstemming met de andere beleidsniveaus: het is een absolute noodzaak dat het Vlaams beleid in overleg treedt met de provincies en op die manier een afstemming realiseert tussen de decreten en de provinciale reglementen. Organisaties worden nu geconfronteerd met tegenstrijdige regelgeving, hetgeen tot onwerkbare situaties leidt.
  • In aansluiting bij het monitoringsvraagstuk dient ook het wetenschappelijk onderzoek, met name ten aanzien van het SCW versterkt te worden. Er dient met meer middelen een meer coherent beleid gevoerd te worden.
  • Wat betreft de ‘culturele bovenbouw' moet er na de beperkte rationalisatie tijdens de vorige legislatuur een stap verder gezet worden en gestreefd worden naar schaalvergroting, bundeling van expertise en middelen. De uitbouw van een groot sociaal cultureel expertisecentrum dringt zich op.
  • In het kader van de versterking van maatschappelijke positie en outcome van de sector dient de Vlaamse Regering initiatieven te nemen om de educatieve processen die in de sector gegenereerd worden te versterken en te honoreren. Hierbij moet een civiel effect voor EVC's gerealiseerd worden. De benodigde trajecten ( portfolio-opbouw, evaluatieprocedures, attesteringen....) moeten voldoen aan twee kenmerken: zij moeten eenduidig en maatschappelijk (h)erkend zijn en op maat van de sector worden opgesteld. De overheid dient hiertoe initiatieven te nemen.
  • Organisaties worden steeds meer geconfronteerd met complexe (Europese en federale) regelgeving. De Vlaamse Regering heeft hier niet steeds vat op. Wel mag verwacht worden dat de Vlaamse Regering initiatieven neemt om de toepassing van deze regelgeving voor de organisaties te vergemakkelijken. We denken hierbij concreet aan de (verzekerings)verplichtingen uit de VZW -wet de Wet op het Statuut van de Vrijwilligers. De initiatieven die via de Provincies (met middelen van de Nationale Loterij) werden genomen, moeten op federaal niveau gecontinueerd worden. De Vlaamse Regering moet zich engageren om deze continuïteit te bepleiten en streven naar een verdere uitbreiding van deze maatregel. Het ten laste nemen van de kosten van de Billijke Vergoeding moet verder gezet worden.
  • Het adviesorgaan (sectorraad SCW en de SARC) moet meer inhoudelijke ondersteuning krijgen. De huidige bestaffing is volstrekt ondermaats: een inhoudelijke staf moet de raad bijstaan om goede adviezen te leveren. De minister van Cultuur moet hiervoor de nodige budgetten voorzien. Er kan gedacht worden aan verregaande samenwerking met het op te richten expertisecentrum.


Sociaal-economisch beleid t.a.v. SCW

Kort na het aantreden van de nieuwe regering zullen de onderhandelingen voor een nieuw VIA-akkoord starten. VIA 3 loopt af eind 2010.

Vooreerst moet er een grondige stroomlijning komen in de geldstromen van de vorige VIA-akkoorden. Nu ontbreekt elke transparantie. De uitvoering van de VIA-akkoorden mag de organisaties niet extra (financieel) belasten: voor er sprake kan zijn van nieuwe akkoorden moet eerst geëvalueerd worden hoever de vorige engagementen worden gehonoreerd. Hierbij moeten een paar principes voorop staan: de VIA-akkoorden handelen over sociaal-economische gegevens Deze logica staat vaak haaks op het werken met enveloppe-subsidiëring. Van de overheid mag verwacht worden dat zij beide logica's respecteert. In geen geval kunnen de toelagen uit de VIA-middelen zonder meer gebruikt worden om de decretale subsidie-enveloppen mee aan te vullen. De minister van Cultuur waakt erover dat engagementen die voor de culturele sector in toekomstige VIA-akkoorden rekening houden met de eigen (subsidie-)wetmatigheden van deze sector.

Concrete voorstellen voor het cultuurbeleid:

  • de Vlaamse regering engageert zich om blijvend voldoende structurele middelen te voorzien voor het SCVW;
  • de Vlaamse regering engageert zich voor het primaat van het (cultureel) particulier initiatief;
  • de Vlaamse regering verfijnt de regelgeving voor het SC(V)W waarbij stroomlijning, afstemming en transparantie de doelstellingen zijn;
  • de Vlaamse regering neemt initiatief om de maatschappelijke positie van het SC(V)W te versterken.

9. Goed bestuur loopt via democratie en participatie

Vlaanderen heeft van goed bestuur haar handelsmerk gemaakt. Toch blijkt dit makkelijker gezegd dan gedaan. Goed bestuur omvat immers meer dan bv. een gezonde begroting. Het gaat ook om een duidelijke visie op mens en samenleving, om een kwaliteitsvolle regelgeving, het verminderen van de bureaucratie en de administratieve rompslomp, het betrekken van de bevolking en het middenveld via diverse inspraakprocedures, het samenwerken met andere overheidsniveaus. Het bleek in de praktijk moeilijker te realiseren en vol te houden dan op papier.

Echte participatie is een werkwoord

Ook hier pleiten we voor een bestuur dat mede vertrekt vanuit burgers en het middenveld en haar eigen visie en voorstellen tijdig met de middenveldorganisaties bespreekt. Het Charter met het middenveld moet door de volgende Vlaamse regering worden herbevestigd en op het terrein ook worden uitgevoerd. Participatie ‘op papier' is geen optie. Echte participatie vergt tijd en middelen; vergt betrokkenheid van het middenveld bij elke fase van de beleidscyclus, vanaf de agendasetting en het concept, over de beslissingsfase, de uitvoeringsfase en tot aan de evaluatie.

Dit veronderstelt dat de Vlaamse overheid ook de instrumenten creëert om burgers en het middenveld meer te betrekken. Concreet stelt het ACW voor dat de Vlaamse overheid voortaan werkt met groenboeken en witboeken (zoals de Europese Commissie), waarbij de strategische adviesraden in de voorbereidende fase kunnen reageren op discussienota's. Op deze wijze kunnen zij hun strategische rol ten volle spelen.

Correcte toepassing van de regelgeving

Goed bestuur betekent ook dat de Vlaamse overheid een correcte uitvoering geeft aan de regelgeving: dit behelst zowel een correcte uitvoering van subsidieregelingen, een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in alle besluitvormings- en beslissingsorganen, maar evenzeer het ondersteunen van sectoren bij de implementatie van Europese verordeningen. In het kader van het subsidiariteitsprincipe dient er een afstemming te gebeuren tussen de verschillende beleidsniveaus in Vlaanderen.

Vlaanderen dient een gezonde houding aan te nemen ten opzichte van de gemeenten en steden. Gemeenten en steden zijn gelijkwaardige partners van de Vlaamse overheid. Dit veronderstelt dat meer bevoegdheden en meer middelen naar de lokale besturen gaan. In ruil moeten de gemeenten en steden een breed en gelijk pakket van diensten aan de burger garanderen. Het Gemeentefonds ondersteunt de grotere verantwoordelijkheid van de gemeenten en steden.

Een sterke en slagkrachtige openbare omroep

De VRT moet een sterke, kwaliteitsvolle en slagkrachtige openbare omroep blijven.
Daarvoor is een goed beheer en een goede en transparante financiering noodzakelijk met een meer realistisch evenwicht tussen eigen en overheidsinkomsten. Het is de enige manier om de steeds sterkere commercialisering in functie van steeds meer eigen inkomsten (merchandising, previewrechten, te sterke druk op kwantiteitsmaatstaven, kijkgeld voor digitaal aanbod, ...) in te dijken. Dit vergt een herziening van de huidige beheersovereenkomst.

Met het oog op een beter financieel evenwicht moet de openbare omroep verplicht worden om niet meer alleen, maar steeds samen met andere partners te bieden op al te dure sportrechten, eventueel ook zo voor de aankoop van filmrechten.
Kwaliteitsvolle covering van sociaal-economisch nieuw blijft belangrijk. ‘De Vrije Markt' is een goed specifiek sociaal-economisch programma maar kan onvoldoende renderen omwille van het uitzenduur. Sociale en sociaal-economische informatie moet in alle reguliere informatie- en duidingsprogramma's voldoende aandacht krijgen.

Regionale tv-zenders zijn populair én belangrijk ter ondersteuning van het lokale en regionale maatschappelijk en sociaal leven.
De vraag naar een goed systeem van gemengde financiering van regionale omroepen is actueler dan ooit. De commerciële druk is nu al te groot, brengt hun levensvatbaarheid in gevaar en maakt het quasi onmogelijk hun decretale opdrachten op een kwaliteitsvolle manier in te vullen. Daarom moet onderzocht worden of bijkomende financiële ondersteuning kan gekoppeld worden aan nieuwe opdrachten, bv. digitaal aanbod van gemeentelijke informatie.

Om een grote en brede maatschappelijke betrokkenheid te garanderen blijft het belangrijk dat regionale omroepen blijven werken met een vzw en zo mogelijk ook met een breed samengestelde kijk- en luisterraad.

De druk op de geschreven pers mag niet tot gevolg hebben dat kwaliteit, neutraliteit en pluriformiteit op de helling komen te staan.

Een financieel gezond en een fiscaal rechtvaardig beleid, ook in Vlaanderen.

Financieel gaat het Vlaanderen voor de wind. Dankzij een volgehouden en doorgedreven begrotingsbeleid is de schuld volledig afgebouwd en slaagt men erin om conjunctuurreserves op te bouwen. Deze zijn absoluut nodig, niet alleen om tijden van economische laagconjunctuur (en dus terugvallenden inkomsten) te overbruggen, maar ook om voldoende reserves aan te leggen voor de aanstormende vergrijzing van de Vlaamse bevolking. Het ACW vindt het belangrijk dat ook de toekomstige regering een voorzichtig begrotingsbeleid blijft voeren en de nodige reserves aanlegt. Nu al moet ook gewerkt worden aan een visie over de toekomstige bestedingen en beheer van deze Vlaamse reserveringen via het Zorgfonds en het Toekomstfonds.

Vlaanderen heeft ook een aantal fiscale bevoegdheden, zoals het toekennen van een korting op de personenbelasting, de registratierechten, de successie- en schenkingsrechten, de onroerende voorheffing en de verkeersbelasting. Voor het ACW komt het erop aan dat ook Vlaanderen via deze fiscale instrumenten een herverdelend beleid voert. Belastingverlagingen moeten spaarzaam worden ingezet en ten goede komen aan de laagste en midden inkomenscategorieën. De jobkorting beantwoordt onvoldoende aan deze doelstelling en moet geheroriënteerd worden.

Concrete voorstellen voor het goed bestuur en een participatief beleid: 

  • meer samenwerking met het middenveld en de participatie verdiepen;
  • nieuwe instrumenten gebruiken, zoals een groen- en witboek, om de participatie te versterken vanaf het begin van de beleidscyclus;
  • er is nood aan een goed evenwicht tussen eigen en overheidsinkomsten voor de publieke omroep en aan een meer substantiële overheidstoelage voor de regionale TV-zenders;
  • meer aandacht voor sociale en sociaal-economische programma's op de openbare omroep;
  • een gezond financieel beleid met het oog op de toekomst;
  • ook het Vlaams fiscaal beleid moet herverdelend zijn.

10. Meer bevoegdheden voor de regio's?

Het ACW heeft zich in het debat altijd consequent opgesteld. Een regionalisering van bevoegdheden is niet per definitie taboe, maar moet telkens goed worden overwogen. Daarbij staat voor het ACW voorop dat de werknemers, werkzoekenden en niet-actieven er hoe dan ook beter van moeten worden, niet alleen in Vlaanderen, maar ook in Brussel en Wallonië. Dat betekent dat niet kan geraakt worden aan de essentiële solidariteitsmechanismen in dit land, zoals de sociale zekerheid en het arbeidsrecht. De regionalisering van andere bevoegdheden kan wel overwogen worden, maar dan vanuit het subsidiariteits-principe, waarbij telkens wordt nagegaan welk beleidsniveau het best geplaatst is om de bevoegdheid uit te oefenen: het lokale bestuur, de regionale overheid, de federale overheid of de Europese overheid. Hoe meer mensen er baat bij hebben en hoe kleiner de verschillen in voorkeuren tussen mensen, hoe hoger het bevoegdheidsniveau.

Er worden echter heel wat regionale en communautaire bevoegdheden op federaal niveau uitgevoerd die zouden kunnen worden overgedragen aan de regio's, zoals bv.

  • de sociale economie
  • de ondersteuning van energiezuinige investeringen in de woning
  • delen van het preventiebeleid gezondheidszorg
  • huurwetgeving
  • stedenbeleid
  •  ...

Het ACW vindt dat hier minstens een sereen debat over mogelijk moet zijn, waarbij ook de effecten op de begrotingen van de diverse overheden in het oog worden gehouden, evenals de effecten op de uitvoerbaarheid binnen het gewest Brussel. Ongeacht de uitkomst van dit debat, er zal in alle omstandigheden nood blijven aan afstemming en samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus om tot een efficiënt en effectief beleid te komen.

 

Het lokaal (en fiscaal) pact met de gemeenten: standpunt

Inleiding

Eind vorig jaar herlanceerde minister Van Mechelen het fiscaal pact met de gemeenten. Het fiscaal pact leek immers doodgebloed. Elementen van het fiscaal pact worden samen met andere voorstellen mee opgenomen in een lokaal pact.

Het fiscaal pact is door het ACW uitgebreid besproken in werkgroepen, verbonden en op het bestuur. Deze besprekingen geven ons voldoende informatie om het lokaal pact te evalueren.

In deze nota wordt niet enkel een stand van zaken (punt 2) gegeven, maar wordt tevens de achtergrond van het voorstel toegelicht (punt 2), een eerste bespreking van het voorstel (punt 3) en een voorstel van standpunt (punt 4) gegeven.

Toelichting bij het voorstel Vlaamse Regering

De moeilijke uitvoering van het regeerakkoord

Het Vlaamse Regeerakkoord stelt:

“We sluiten een globaal fiscaal pact met de gemeenten en provincies over onder meer een meer bedrijfsvriendelijke fiscaliteit.”
“We sluiten een globaal fiscaal pact met de gemeenten en provincies over onder meer:

  1. een meer bedrijfsvriendelijke fiscaliteit, waarbij ook voorstellen opgenomen worden om de betrokken gemeenten toe te laten te evolueren naar de overeengekomen fiscaliteit;
  2. mogelijkheden voor de lokale besturen om de gemeentelijke fiscaliteit te differentiëren om een beleid te voeren ter versterking van dorps- en stadskernen, bijvoorbeeld door vormen van selectiviteit bij de onroerende voorheffing te hanteren;
  3. de afschaffing van een aantal kleinere belastingen die veel rompslomp met zich meebrengen en die moeilijk kunnen verantwoord worden.”

Het regeerakkoord behandelt fiscaliteit ook onder de rubriek afval:

“Voor 1 januari 2008 wordt de forfaitaire huisvuilbelasting hervormd in een afvalheffing op basis van een redelijke toepassing van het principe “de vervuiler betaalt” met de mogelijkheid tot sociale correctie. Het gedeelte dat niet individueel wordt aangerekend, komt uit de algemene middelen. Er wordt op toegezien dat de huidige bestaande forfaitaire regelingen voor huisvuil niet verschoven worden naar andere forfaitaire belastingen.” 

De uitvoering van dit onderdeel van het regeerakkoord verliep niet van een leien dak.

Naast de weerstand van verschillende belanghebbende organisaties (ACW-discussienota over lokale fiscaliteit, ACV-nota m.b.t. lokale fiscaliteit, de weerstand van de VVSG) zijn er ook heel wat inhoudelijke problemen.

Voor het ACW en ACV gaat de discussie vooral over een rechtvaardige en billijke spreiding van belastingen over alle belastingplichtigen. Zie bijvoorbeeld ook onze nota m.b.t. lokale fiscaliteit. 

Daarnaast willen we dat lokale besturen nog voldoende fiscale grond hebben om belastingen te heffen. Voor de VVSG gaat de discussie vooral over de autonome bevoegdheid van gemeenten om belastingen te heffen, de onmogelijkheid om op een eerlijke wijze gemeenten te vergoeden voor het afschaffen van belastingen, de mogelijkheid om bijkomende belastingen te heffen.

Minister Keulen had verschillende onderzoeken gepland. Deze hebben niet veel aarde aan de dijk gebrach 

Het onderzoek van het Instituut voor de Overheid gaf vooral aan dat een vereenvoudiging van de lokale fiscaliteit mogelijk is en dat een aantal lokale belastingen die vooral veel kosten kunnen afgeschaft worden. Maar toonde ook aan dat we niet kunnen spreken van een systeem van pestbelastingen (SBOV Smolders Carine, Goeminne Stijn en Bloemen Loes (2005). Studie van de lokale bedrijfsheffingen). Minister Keulen beaamt in een antwoord op een recente actuele vraag (5 december 2007) dat er geen definitie van pestbelastingen mogelijk is, en dat elke gemeentelijke belasting een duidelijke grondslag heeft. Dit werd nogmaals bevestigd door een onderzoek van de VVSG in samenwerking met VOKA. De resultaten van dit onderzoek zijn afgerond maar worden niet vrijgegeven. Uit het onderzoek leert de VVSG dat gemeenten bijzonder kritisch omgaan met hun eigen belastingen en dat er een duidelijke evolutie is naar een efficiëntere belasting.

De onderzoeken toonden twee bijkomende problemen aan. Een eerste probleem is het meest evidente: geld. In haar meerjarenbegroting heeft de Vlaamse Regering in 2008 50 miljoen euro gereserveerd voor het fiscaal pact. In 2009, op kruissnelheid, gaat het om 100 miljoen euro. Dat blijkt onvoldoende om alle pestbelastingen te doen verdwijnen. Keulen denkt dat het budget moet verdubbelen: 'We hebben dat laten berekenen door het Steunpunt Bestuurlijke organisatie. Er zou jaarlijks 200 miljoen euro voor nodig zijn'. Een tweede probleem is wat economen de 'moral hazard' noemen. Het fiscaal pact dreigt de slechte leerlingen in de klas te belonen en de goede niet te belonen. Gemeente die vroeger reeds een aantal belastingen afgeschaft hebben, zouden nu niets krijgen uit het fiscaal pact.

Over het luik gedifferentieerde fiscaliteit wordt er veel minder gehoord. Er is een onderzoek hierover geweest dat de mogelijkheden van een differentiatie aangaf.

Midden 2007 leek alsof het fiscaal pact op een dood spoor zat.

Voorstellen Vlaamse Regering

Op 16 november 2007 gaf minister Van Mechelen plots een persmededeling waarin hij een voorstel m.b.t. 600 miljoen ter delging van de gemeentelijke schulden lanceerde. De Vlaamse overheid heeft een kasoverschot dat enkel kan gebruikt worden om de schulden weg te werken. Het kasoverschot is ontstaan door het later dan gepland te investeren. 

Het voorstel kwam “out of the blue”. De Vlaamse Regering noch de VVSG waren op de hoogte.

“Nadat minister Van Mechelen zijn voorstel lanceerde om de schulden van de gemeenten aan te pakken, staken ook Vlaams minister van Welzijn Steven Vanackere en minister voor Brussel Bert Anciaux hun vinger op. Samen met het lokaal pact besliste de Vlaamse Regering om het kapitaal van het Zorgfonds volgend jaar te verhogen met 100 miljoen euro. En met 15 miljoen euro wordt de helft van de schulden van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) afgebouwd. De socialisten zijn vooral blij met de sociale en ecologische aspecten van het pact, zo zei viceminister-president Frank Vandenbroucke achteraf” (De Tijd, 30/12/07).

Dit voorstel is dan gekoppeld geworden aan een reeks andere elementen, waaronder het fiscaal pact. De 600 miljoen werd zo het glijmiddel om elementen van het fiscaal pact op te nemen. We denken hier aan de belastingverlaging voor bedrijven, de bedrijfsvriendelijke fiscaliteit, het niet verhogen van de belastingtarieven, het afschaffen van de onroerende voorheffing voor bedrijven … Ook de compensatie voor het wegvallen van de Eliaheffing werd hier opgenomen. Hierdoor is het fiscaal pact opgenomen geworden in een “lokaal pact”.

De reacties van de werkgeverszijde waren navenant. Dit was voor hen een eerste stap in de richting van de volledige afschaffing van wat zij nog steeds pestbelastingen noemen (zie ook de uitspraken in De Tijd, 01/12/07).

De Vlaamse Regering onderhandelt op dit ogenblik met VVSG en VVP (en zal met de sociale partners onderhandelen) over de invulling van dit lokaal pact. Een eerste gesprek met de VVSG was vooral een verduidelijking van het lokaal pact en een uitwisseling van de bedenkingen van de VVSG. De VVSG organiseert op 28 februari een algemene vergadering.

Het lokaal pact en eerste bespreking

VOORSTELLEN LOKAAL PACT
EERSTE BESPREKING
Engagementen van de Vlaamse Regering
1
de eenmalige schuldovername ten belope van 612 mio euro voor 2008

ACW heeft steeds een pleidooi gehouden voor voldoende financiële ruimte voor de gemeenten. Enerzijds, zijn gemeenten hiervoor zelf verantwoordelijk via eigen inkomsten, anderzijds krijgen de gemeenten via het gemeentefonds (en andere fondsen) algemene (of specifieke) middelen.

De 612 miljoen in functie van de schuldenderving kunnen we begrijpen als een algemene middelenverhoging. Een schuldverlichting betekent immers dat gemeenten minder moeten uitgeven voor schuldaflossing en dus meer middelen op hun algemene begroting overhouden.

De verdeelsleutel is bijzonder eenvoudig: 100 euro per inwoner. De Vlaamse Regering heeft deze middelen niet in het gemeentefonds gestopt omdat hierdoor geen zicht was op schuldaflossing. Door op de eenvoudige manier te werken kan elke gemeente voor een welbepaald bedrag schulden aflossen.

Het voordeel van de eenvoudige verdeelsleutel is dat kleinere gemeenten en vooral plattelandsgemeenten relatief gezien meer ontvangen dan grotere gemeenten en steden. Hiermee vangt de Vlaamse Regering het latente ongenoegen van kleinere gemeenten gedeeltelijk mee op. De VVSG is hiermee akkoord gegaan.

Aan de verdeelsleutel is niet te raken.

Aan de 612 miljoen zijn voorwaarden gekoppeld.

Deze eenmalige schuldovername is inderdaad eenmalig. 

2
in 2008 zal 25 mio euro extra toegekend worden aan de gemeenten, te verdelen volgens verdeelsleutel ELIA-middelen (eenmalig) voor 2009 wordt 41,5 mio euro extra voorzien voor gemeenten te verdelen volgens de verdeelsleutel Elia. Deze middelen zijn ook aanwezig in
2010

De ELIA-middelen zijn eveneens belangrijk:

  • in 2008 een verhoging met 25 miljoen tot 108 miljoen euro
  • in 2009 een verhoging met 41.5 miljoen tot 124.5 miljoen euro
  • in 2010 een verhoging met 41.5 miljoen tot 124.5 miljoen euro

Na 2010 zal de totale ELIA-compensatie minstens 83 miljoen bedragen (te indexeren).

Ook dit is op korte termijn een goede zaak voor de gemeenten. Maar hier kunnen we de vraag stellen of dit kan gekoppeld worden aan het lokaal pact! Het voorstel van lokaal pact koppelt de verhoging van de ELIA-middelen aan welbepaalde voorwaarden: in een rechtzetting van een antwoord van Keulen op een actuele vraag stelt hij dat de verhoging van de ELIAcompensatie gekoppeld is aan de afschaffing van de forfaitaire belastingen. 

3
er wordt gestart – in het kader van een bedrijfsvriendelijke fiscaliteit - met de afbouw van de onroerende voorheffing op materieel en outillage met één op één compensatie door het Vlaamse Gewest van gemeenten en provincies. Het effect 2009 wordt geraamd op 15 mio euro, jaarlijks aangroeiend met 15 mio euro tot 75 mio euro waarna het effect zal geëvalueerd worden. In elk geval wordt de maatregel geëvalueerd in 2013 

De onroerende voorheffing op materiaal en outillage heeft al een lange geschiedenis.

Sinds 1 januari 1998 geldt in Vlaanderen de vrijstelling van onroerende voorheffing op nieuwe investeringen in outillage en materieel op nieuwe terreinen.

Tegelijk werd een gedeeltelijke vrijstelling toegekend op nieuw materieel en outillage dat na die datum werd toegevoegd op een perceel waarop reeds een belasting werd geheven. Het kadastraal inkomen (KI) van het bestaande materieel en outillage werd niet langer geïndexeerd. Door deze ingrepen zakte het aandeel van materieel en outillage in het totale belastbare KI van de gemeenten van 15.2 % terug tot ongeveer 12,9 % in 2003, een daling die bovendien geconcentreerd is in de gemeenten met veel industrie op hun grondgebied.

De Waalse Regering heeft in 2005 met ingang 1 januari 2006 de onroerende voorheffing op materiaal en outillage afgeschaft. Hierdoor ontstaat er tussen de gewesten een bepaalde vorm van concurrentie.

De Vlaamse Regering voorziet een verdere afbouw en wil dit per gemeente en provincie compenseren. Minister Van Mechelen antwoordde reeds eind 2005 op een parlementaire vraag over de mogelijkheid van de afschaffing dat “als we starten op 1 januari 2007 beschikken we – afhankelijk van de bron – over een bedrag van 17 tot 24 miljoen euro. Tegen 2008 wordt dat verdubbeld en tegen 2009 vermenigvuldigd met 3. We praten dus over een vork tussen 50 à 65 miljoen euro. Voor het fiscaal pact is vanaf 2008 50 miljoen euro gepland, voor 2009 100 miljoen. Dat staat in de meerjarenbegroting ingeschreven, dus budgettair is er voldoende geld ingeschreven.”

Belangrijk voor ons is de vaststelling dat de Vlaamse Regering de bedrijfsbelastingen betaalt.

4
de Vlaamse Regering gaat – in kader van Kyoto en de Vlaamse Klimaatconferentie - over tot de verlaging van de onroerende voorheffing voor lage energie - en zeer lage energiewoningen en voor lage energie niet-residentiële gebouwen: het voorstel houdt in dat gedurende 10 jaar een vermindering van 20 % voor lage energiewoningen (E60) en voor niet-residentiële gebouwen (E70), en van 40 % voor passiefgebouwen (E40) wordt toegekend. De gemeenten en provincies worden voor het verlies aan inkomsten één op één gecompenseerd. Het bedrag nodig voor deze compensatie wordt geraamd op 10 miljoen euro op jaarbasis
Als gemeenten het lokaal pact niet onderschrijven, kunnen ze dan van deze maatregel nog genieten?
5
de volledige overdracht provinciewegen - in functie van categorisering - naar gewest/gemeenten

Het merendeel van de provinciale wegen zullen naar de gemeenten gaan. De vraag is hier of de gemeenten bijkomende middelen zullen ontvangen voor deze bijkomende taakstelling? De regering belooft een compensatie om de wegen in goede staat berijdbaar te maken.

Indien gemeenten het pact niet onderschrijven, wat gebeurt er dan met de provinciewegen? 

6
de Vlaamse Regering zal een groter deel van de kosten verbonden aan nog te leveren rioleringsinspanningen op zich nemen door een verschuiving van het omslagpunt 

Het gaat hier om een grotere taakstelling door de Vlaamse overheid. Het omslagpunt betekent het punt waar de verantwoordelijkheid voor het afvalwater naar een andere overheid gaat. Door het omslagpunt te verschuiven wordt het aandeel voor de gemeenten kleiner.

Ook hier weer de vraag, wat als de gemeenten het niet ondertekenen? Belangrijk is dat dit voorstel van de Vlaamse Regering een antwoord is op een jarenlange verzuchting van de gemeenten. 

Gevraagde engagementen van de gemeenten en provincies die door de individuele gemeenteraden moeten bevestigd worden
7
de gemeente verbindt er zich toe haar belastingen met betrekking tot het jaar 2009 niet te verhogen

De Vlaamse Regering bedoelt dat de gemeentelijke tarieven in 2009 (goedgekeurd in 2008) niet mogen stijgen of beter nog wel mogen dalen.

De Vlaamse Regering grijpt hier wel in een autonome gemeentelijke bevoegdheid die gegarandeerd wordt door de Grondwet. De Vlaamse Regering kan dit niet hard maken. De vraag is zelfs of dit wel wettelijk is. Deze voorwaarde betekent steeds een minderinkomst voor de gemeenten. De vraag is dan of de 600 miljoen evenredig staat tegenover deze
vermindering.

8
het niet meer aanrekenen van forfaitaire huisvuilbelastingen of equivalenten en het niet meer opleggen van nieuwe forfaitaire gezinsbelastingen

We hebben steeds gepleit voor een belasting die een band heeft met ofwel het gebruik/verbruik of met het inkomen. Forfaitaire belastingen zijn in dat opzicht slechte belastingen: iedereen betaalt immers evenveel. De forfaitaire belasting zal omgevormd worden tot een verbruik- of inkomengerelateerde belasting. De aanbeveling levert een “betere” belasting op, maar betekent geen afschaffing van de belasting. Deze aanbeveling levert de gezinnen niets op.

Daarnaast is de vraag of het afschaffen van een forfaitaire belasting wel in het voordeel is van de zwakkere groepen. En we kunnen ons afvragen of afschaffen en vervangen door een inkomensgerelateerde belasting geen extra cadeau is voor die mensen, bedrijven, organisaties die geen persoonsbelastingen betalen.

Bijkomend kunnen we ons tevens afvragen of de Vlaamse overheid dit kan vragen aan gemeenten om hun eigen bevoegdheid af te geven.

Gemeenten hebben daarenboven heel wat mogelijkheden om deze maatregel te omzeilen (andere naam, ander moment …). 

9
het niet meer heffen van belastingen op personeel en op kantoren

We hebben steeds gepleit om belastingen die personeel als grondslag hebben af te schaffen. Met dien verstande dat dit een bevoegdheid van de gemeenten is en dat zij daarvoor verantwoordelijk zijn binnen hun eigen fiscaal beleid.

Het afschaffen van belastingen op kantoren daarentegen is een ander verhaal. Kantoorbelastingen zijn ondermeer een antwoord op de vervennootschappelijking van vrije beroepen en zelfstandigen waardoor zij weinig of niets meer bijdragen aan de gemeentelijke kas. Let wel, de belasting op kantoren wordt maar in twee gemeenten geheven. En deze gemeenten hadden juist een reeks bedrijfsbelastingen geschrapt en vervangen door deze. 

10
het voeren van een bedrijfsvriendelijker fiscaliteit
Dit is een algemene aanbeveling die eerder intentioneel is dan concreet. De vraag is hier waarom er geen aanbeveling is naar een eenvoudig fiscaal beleid, of naar een gezinsvriendelijk fiscaal beleid, of naar een tewerkstellingsvriendelijk beleid … Of moeten gemeenten enkel een bedrijfsvriendelijke fiscaliteit voeren?

Voorstel van standpunt

Het lokaal pact met de gemeenten moet voor ons een evenwichtig pact zijn. Een evenwichtig pact betekent echter niet minder belastingen, maar kan evengoed meer dienstverlening betekenen. Het pact moet bovendien een perspectief geven aan de financiële problemen van de gemeenten.

Elementen voor een evenwichtig lokaal pact met de gemeenten

Een evenwichtig pact houdt voor ons rekening met volgende uitgangspunten:

verlichting van de schulden

We zijn voorstander van een verlichting van de schulden van de gemeenten. De verlichting van de schulden betekent dat gemeenten op hun gewone begrotingen iets meer mogelijkheden krijgen.

uitzicht op herfinanciering van de gemeenten

Wij zijn voorstander van een duidelijk engagement van de Vlaamse Regering om de gemeentelijke inkomsten de komende jaren te garanderen. Dit houdt in dat, enerzijds, de Vlaamse Regering zich onthoudt van ingrepen in de gemeentelijke fiscaliteit en de gemeentelijke inkomsten en, anderzijds, dat de Vlaamse Regering de gemeenten de financiële middelen geeft om een goed beleid te kunnen voeren. 

een transparante en eenvoudige lokale fiscaliteit

We zijn voorstander (zie ook onze nota m.b.t. gemeentelijke fiscaliteit) van een vereenvoudiging van de gemeentelijke fiscaliteit. Dit biedt voordelen. Er zijn niet alleen voordelen naar het efficiënt innen, maar door een vereenvoudiging worden belastingen transparanter en kunnen gemakkelijker een draagvlak krijgen. Het lokaal pact kan de gemeenten de middelen en richtingen geven van hoe lokale belastingen te vereenvoudigen.

een evenwichtige belastingdruk

We zijn voorstander van een rechtvaardige en evenwichtige belastingdruk. Bedrijven moeten blijven bijdragen aan de gemeente. De gemeenten moeten de mogelijkheid blijven hebben om bedrijfsbelastingen te heffen. De afbouw van één belasting moet voor ons kunnen gecompenseerd worden met een andere. Nieuwe instrumenten zijn daarvoor nodig. We denken hier meer bepaald aan een aandeel in de vennootschapsbelasting in de vorm van opcentiemen. Maar andere belastingsvormen die ruimtegebruik als indicator gebruiken moeten ook mogelijk zijn.

geen forfaitaire belastingen

We zijn voorstander van een belasting op basis van gebruik/verbruik/inkomen1. Forfaitaire belastingen kunnen afgebouwd worden. Voor bepaalde categorieën kunnen we forfaitaire belastingen aanvaarden waar een gebruik/verbruik- of inkomensbelasting moeilijk te heffen is of waar te weinig belastingsgronden te vinden zijn, zoals voor vennootschappen. Bij forfaitaire belastingen moeten sociale correcties ingevoerd kunnen worden. 

meer middelen voor een meer sociaal beleid

We zijn voorstander van sterke gemeenten die een uitgebreid sociaal (en ander) beleid voeren. Hiervoor hebben gemeenten meer middelen nodig. Middelen uit het Gemeentefonds, maar ook middelen uit eigen belastingen. De Vlaamse Regering kan via haar extra middelen gemeenten stimuleren om een socialer beleid te voeren (bv. sociale huisvesting ontwikkelen of tewerkstellingsbevorderende maatregelen nemen).

Evaluatie van het lokaal pact

Het lokaal pact beantwoordt niet aan onze visie op een evenwichtig pact:

  • de Vlaamse Regering grijpt in op een van de kernbevoegdheden van de gemeenten, met name de lokale fiscaliteit. Zij doet dit op een lineaire wijze zonder rekening te houden met de lokale context en geschiedenis;
  • de Vlaamse Regering koppelt aan dit (onverantwoord) inbreken in de gemeentelijke bevoegdheden een reeks financiële tegemoetkomingen die volkomen los staan van het lokaal pact. De compensatie voor de ELIA-heffing is een vroeger aangegaan voorwaardenloos engagement dat nu voorwaardelijk wordt;
  • de Vlaamse Regering koppelt een reeks voorstellen aan dit (onverantwoord) inbreken zoals de overdracht van de provinciewegen, de rioolinspanningen, de terugbetaling van de OV voor duurzame woningen. Dit zijn voorstellen die niets te maken hebben met een lokaal pact, maar eerder een uitvoering zijn van andere engagementen (verhoogde rioolinspanningen en duurzame woningbouw);
  • de Vlaamse Regering zorgt voor een onevenwichtige belastingdruk en ontneemt de gemeenten de mogelijkheid om een eigen fiscaal beleid te voeren;
  • de Vlaamse Regering neemt geen enkel engagement voor een grondige en broodnodige herfinanciering van de gemeenten;
  • aan de meer (?) middelen is er geen koppeling gemaakt met een meer sociaal beleid. 

Standpunt

Het ACW is voorstander van een grondige herfinanciering van de gemeenten. De middelen voor schuldverlichting en de compensatie voor de ELIA-heffing zijn belangrijke, maar eerste stappen in de richting van een gezondere gemeentelijke begroting.

Het ACW vindt het schrijnend dat tijdens de vele vragen die er zijn naar een breder welzijnsbeleid, de Vlaamse Regering overschotten heeft en die dan maar besteedt aan belastingverlagingen. Voor het ACW konden deze middelen stimulansen zijn voor een meer sociaal beleid.

Het ACW kan niet akkoord gaan met het inbreken door de Vlaamse Regering in de gemeentelijke kernbevoegdheden, met name in de autonome fiscale bevoegdheid.

Het ACW vindt dat de Vlaamse Regering de gemeenten wél kan ondersteunen en stimuleren om een evenwichtig, transparant en eenvoudig fiscaal beleid te voeren. En dat ze gemeenten kan stimuleren een nog socialer beleid te voeren. Het ACW wil lokaal – op basis van onze principes - een discussie aangaan over een evenwichtig fiscaal beleid.

Het ACW kan niet akkoord gaan met de koppelingen die in het lokaal pact zijn vastgelegd. Deze koppelingen ontkrachten voorgaande of andere engagementen, zijn juridisch aanvechtbaar, en niet ter zake. Ze ontnemen bovendien burgers de mogelijkheid te genieten van een reeks voordelen.

Het ACW kan niet akkoord gaan met de eenzijdige belastingverminderingen voor bedrijven die niet gecompenseerd worden door andere bedrijfsbelastingen. 

Het ACW vraagt dan ook een herziening van het lokaal pact met aandacht voor meer evenwicht en voor meer garanties voor een gezonde financiële situatie van de gemeenten.

Enkele bedenkingen bij de regeringsverklaring

Goede maatregelen inzake sociale zekerheid

Dubbelzinnig fiscaal beleid

De premier heeft op dinsdag 11 oktober zijn regeringsverklaring voorgelezen in het parlement. Daar gingen maanden van moeilijke onderhandelingen met de sociale partners aan vooraf. Door te kiezen voor constructieve onderhandelingen, heeft het ACV ervoor gezorgd dat het brugpensioenstelsel rechtvaardig en toegankelijk blijft voor werknemers met zware beroepen en 20 jaar nachtarbeid, voor werknemers die jong aan de slag zijn gegaan en voor vrouwen met een onvolledige loopbaan. Werknemers die wel aan de slag willen blijven, krijgen nu een steuntje in de rug : een actieve begeleiding naar nieuw werk bij herstructurering én een recht op vier vijfde tijdkrediet vanaf 55 jaar. Jammer genoeg is het accent teveel blijven liggen op het eindeloopbaandebat. Het tewerkstellingsbeleid t.a.v. jongeren en andere categorieën die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt, is onvoldoende uitgewerkt.

Wat de overige elementen uit de regeringsverklaring betreft, leggen we vooral de nadruk op volgende punten :

  1. Er wordt verder werk gemaakt van een alternatieve financiering van de Sociale Zekerheid, na al de lastenverlagingen broodnodig voor het vrijwaren van de toekomst van de Sociale Zekerheid. Positief is dat de nieuwe inkomsten afkomstig zijn uit roerende voorheffingen (en geen verhoging van de lasten op arbeid) en uit BTW-inkomsten (uit tabak) én structureel zijn.
  2. Eindelijk wordt er meer duidelijkheid verschaft over het welvaartsvast maken van de uitkeringen, inzet van meerdere nationale manifestaties. Daarmee is echter het probleem van de opgelopen achterstand niet opgelost en is er nog geen inhaaloperatie voor sommige lage uitkeringen (bv. invaliditeitsuitkeringen).
  3. De verdere afbouw van de staatsschuld is een goede zaak. Dit is immers de beste garantie om de pensioenen betaalbaar te houden. Dit wordt evenwel vooral gerealiseerd door éénmalige ingrepen en de verkoop van het overheidspatrimonium.
  4. Het fiscaal beleid van de paarse regering blijft daarentegen een onordelijk wangedrocht met slechte signalen en oneerlijke praktijken. Na de fel bekritiseerde “éénmalige” bevrijdende aangifte vorig jaar krijgen we dit jaar schaamteloos een herhaling van de fiscale amnestie. Dit is een verkeerd signaal t.a.v. rijke burgers die solidariteit ontwijken en anderen die trouw hun belastingen betalen.

    De invoering van een heffing op beleggingsfondsen is in het kader van een weloverwogen belastingsverschuiving van arbeid naar kapitaal te verdedigen. Het past in de eis van het ACW om ook inkomsten uit kapitaal aan te spreken in de bijdragen voor Sociale Zekerheid. Maar gecombineerd met de fiscale amnestie is het logisch dat dit op grote weerstand stuit.
  5. In de gezondheidszorg wordt de uitgavenstijging van 4,5% gegarandeerd. Ook de verbetering van de maximumfactuur voor middenverdieners en het stimuleren van de eerstelijnszorg worden positief onthaald.

De Vlaamse regering heeft een goede zaak gedaan voor de zorgbehoevenden. Onverwacht en onverhoopt komt er positief nieuws voor het Vlaams Zorgfonds. Door de opgelegde besparing van 250 mio euro aan de gewesten en gemeenschappen krijgt het Zorgfonds onverwacht een financiële injectie van 145 mio euro. Dat betekent dat er financiële ruimte komt om de uitkeringen voor alle zorgbehoevenden geleidelijk op te trekken tot 125 euro per maand. Het ACW blijft er wel op aandringen dat aan de inkomstenzijde de forfaitaire bijdrage aan het Zorgfonds wordt hervormd tot een bijdrage naar gezinsinkomen.

 

Gemiste kansen voor het nieuwe gemeentedecreet: ACW pleit voor meer participatie

Morgen spreekt de Vlaamse regering een ganse dag over het nieuwe gemeentedecreet. En vrijdag hakt ze dan definitief de knopen door. Het decreet moet de gemeenten de mogelijkheden geven een hedendaags personeels- en financieel beleid te voeren. Meer dan dit, is het niet. Een gemeentedecreet in het klein. Vanaf 2007 zou het gemeentedecreet aangevuld worden.

Voor ACW wordt dit duidelijk een decreet in mineur. Over participatie van bewoners en van middenveld staat niets te lezen. En dat is jammer: net zoals lokale besturen in 2007 willen weten waar zij aan toe zijn, willen ook bewoners en organisaties dit. En zij willen op een hedendaagse manier participeren: met garanties en zekerheden dat er met hun standpunten rekening gehouden wordt.

ACW wil in het debat enkele belangrijke accenten over participatie brengen.

Lokale besturen op een keerpunt

Oktober 2006 zijn de eerste gemeenteraadsverkiezingen van deze eeuw. De nieuwe gemeenteraden en nieuwe bewindsploegen staan voor een aantal grote uitdagingen. Eén belangrijke uitdaging is het vertrouwen van de bevolking - nu nog groot - behouden en vergroten. Lokale besturen staan immers op de eerste rij tegenover de bevolking en haar organisaties. Zij zorgen voor een vertaling van het beleid. Lokale besturen moeten versterkt worden om deze vertaalslag mogelijk te maken. 

Sterke besturen hebben nood aan een meer participatie

Communicatie is zelden eenzijdig. Meer zelfs, goed besturen kan niet meer zonder wederzijdse communicatie tussen burger en politiek. De politiek breidt zich uit, verspreidt zich en verplaatst zich, terwijl de democratie in de oude vormen blijft steken. Een uitbreiding en verspreiding van de democratie is dus nodig.

In heel wat gemeenten lopen er reeds boeiende experimenten, van klein (Veurne, dorpsplatforms) tot groot (Antwerpen, stadsgesprekken). En telkens liggen initiatieven van bewoners en organisaties aan de grondslag. Besturen moeten deze vormen leren waarderen. 

Daarom drie voorstellen voor meer participatie

Participatie kun je niet zomaar opleggen. Het ontstaat ondermeer uit inzet, intentie, betrokkenheid en engagement. Maar participatie heeft ook nood aan proeftuinen en structuren. Prille initiatieven die niet ondersteund worden en groeimogelijkheden krijgen, sterven vlug af. En hier moet het gemeentedecreet op inspelen. Het gemeentedecreet moet mogelijkheden voor broedplaatsen creëren, moet groei mogelijk maken en moet ondersteunend werken.

  • Wij vragen dat het gemeentedecreet participatie gekoppeld aan de onmiddellijke omgeving van mensen, ondersteunt en stimuleert. Participatie gedijt immers het best wanneer het gaat over de onmiddellijke omgeving van mensen. Wijk- en dorpsraden, buurtplatforms, stadswerkingen, ... Plaatsgebonden participatie is herkenbare inspraak. Het zijn ook de plaatsen waar arm en rijk, allochtoon en autochtoon elkaar ontmoeten en elkaar leren kennen. De betrokkenheid bij de omgeving is steeds groot en biedt dus kansen, ook kansen voor medebeheer en verantwoordelijkheid. Gemeenteraden moeten daarom kunnen delegeren, ambtenaren moeten wijkraden ondersteunen, en bewoners moeten beschikken over middelen voor participatie. Wijkbudgetten zijn een onderdeel van plaatsgebonden participatie.
  • Wij vragen dat het gemeentedecreet participatie gekoppeld aan de onmiddellijke omgeving van mensen, ondersteunt en stimuleert. Participatie gedijt immers het best wanneer het gaat over de onmiddellijke omgeving van mensen. Wijk- en dorpsraden, buurtplatforms, stadswerkingen, ... Plaatsgebonden participatie is herkenbare inspraak. Het zijn ook de plaatsen waar arm en rijk, allochtoon en autochtoon elkaar ontmoeten en elkaar leren kennen. De betrokkenheid bij de omgeving is steeds groot en biedt dus kansen, ook kansen voor medebeheer en verantwoordelijkheid. Gemeenteraden moeten daarom kunnen delegeren, ambtenaren moeten wijkraden ondersteunen, en bewoners moeten beschikken over middelen voor participatie. Wijkbudgetten zijn een onderdeel van plaatsgebonden participatie. 
  • En we vragen ondersteuning voor een kenniscentrum participatie, georganiseerd door het middenveld en ondersteund door de Vlaamse overheid en gemeenten. Het verzamelt en verspreidt kennis, vele praktijken en verhalen over participatie. En het ondersteunt, stimuleert, ontwikkelt en verspreidt vernieuwing en creativiteit.

We plaatsen hier drie van de vele ACW-voorstellen centraal. Het is een minimum dat ACW wil terugvinden in het gemeentedecreet. Het zijn belangrijke randvoorwaarden voor meer participatie.

ACW betreurt recente uitspraken en standpunten over cordon sanitaire

Het ACW betreurt de recente uitspraken en standpunten over het cordon sanitaire: zij zetten de deur open naar samenwerking met het Vlaams Blok. Voor het ACW is dat een stap te ver: het cordon sanitaire is geen verleden tijd! Afspraken en engagementen over het cordon kunnen niet zomaar omwille van de cijfers, van de tafel geveegd worden.

Het ACW vraagt daarom van CD&V om een rechtzetting.

Van de cordon-discussie van de voorbije dagen krijgt het ACW kippenvel:

  • het Vlaams-Blok is nog steeds een extreem-rechtse partij die onverdraagzaamheid aanwakkert, racisme in de hand werkt en oneerlijk inspeelt op de angsten van mensen;
  • elke uitspraak vandaag die de indruk geeft dat het Vlaams Blok zich in de goede richting keert en dat daarom een strategiewijziging nodig zou zijn, is niet te begrijpen en dus te verwerpen;
  • de paarse regering is hypocriet als zij een zeer belangrijke maar erg betwiste wetgeving over de hervorming van de kieswetgeving wil wijzigen en daarvoor hengelt naar de (noodzakelijke) steun van het Vlaams Blok;
  • uitspraken vanuit CD&V creëren verwarring: terecht bekritiseren zij de hypocriete houding van paars maar tegelijk zetten ze hun centrale waarden van verdraagzaamheid en van meer kwaliteit van leven, in de winkelrekken. 

CD&V moet –zoals zij dat zelf formuleert- wel ingaan op de concrete noden van mensen in alle straten die vandaag te weinig aandacht krijgen, zoals wachtlijsten in de zorg en sociale huisvesting, werkloosheid, … Ook de terechte zorgen rond veiligheid kunnen door CD&V aangepakt worden: het project van CD&V zelf geeft daar goede handvaten voor.

Het ACW vindt dan ook dat het Vlaams Blok niet als een gewone democratische partij kan behandeld worden. En coalities vormen –ook puntsgewijs- kan niet. 

Meer info over deze icoontjes ?

LENTEZOMERHERFSTWINTER
ACW-lijnC-lijnlevenslijn

Ga naar ACW Zingeving op Facebook
 

Pagina top 5

Wat is ACW ? (25322 views)
Herfst 2013 (21252 views)
Vacatures (16991 views)
Downloads (14401 views)

Contact opnemen

  • ACW algemeen secretariaat
    Postbus 20 - 1031 Brussel
    tel. 02 246 31 11
    e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • Wegbeschrijving