ACW en het Vlaams klimaatbeleid

Inleiding

In 2007 werd het Europese klimaat- en energiepakket goedgekeurd. Daarmee engageerden de lidstaten zich om de broeikasgasemissies met minstens 20 % te verminderen in 2020 t.o.v. 1990. Dat zou 30 % worden indien ook andere industrielanden zich daartoe engageerden. Het pakket houdt ook een energiebesparingsdoelstelling van 20 % in en een stijging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het bruto eindgebruik tot 20 %.

Om de CO2-doelstelling te bereiken zijn er twee sporen: het Europese systeem van CO2-emissiehandel en de doelstellingen per lidstaat. De sectoren die onderworpen zijn aan CO2-emissiehandel krijgen een gezamenlijke Europese uitstootlimiet: in 2020 moeten ze 21 % minder CO2 uitstoten t.o.v. 2005. Voor de andere sectoren, zoals de gebouwen-, transport- en landbouwsector en de kleinere industriële installaties, werden CO2-doelstellingen per lidstaat opgelegd. België moet de CO2-uitstoot in de niet-ETS sectoren in 2020 met minstens 15 % gereduceerd hebben. Dat zou allicht 21 % worden wanneer Europa beslist om de CO2-doelstelling op te trekken tot 30%. Die doelstelling werd nog niet verder verdeeld over de gewesten. Een belangrijk verschil voor de periode 2013-2020 is dat Vlaanderen in de niet-ETS sectoren vanaf 2013 jaarlijks, lineair afnemende reductiedoelstellingen zal moeten realiseren.

De Vlaamse overheid is momenteel bezig met de opmaak van een Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020, waarin moet aangegeven worden hoe de CO2-doelstellingen gerealiseerd zullen worden. De opmaak van het Klimaatbeleidsplan verloopt erg moeilijk. De besliste en geplande maatregelen zijn ruim onvoldoende om een daling van de CO2-uitstoot te realiseren. Het is dus absoluut noodzakelijk om bijkomende, structurele maatregelen te nemen. 2020 is immers geen eindpunt, maar een punt op een reductiepad dat moet leiden tot een verminderde uitstoot van 80 % tot 95 % in 2050. Voor Vlaanderen betekent dat een gemiddelde jaarlijkse daling van 4 % in de periode 2010-2050. Onderzoek toont aan dat elk uitstel vandaag een significant hogere jaarlijkse investeringskost op middellange termijn met zich meebrengt. Het is de taak van het ACW om zelf maatregelen naar voor te schuiven die niet alleen goed zijn voor het klimaat, maar ook bijkomende baten hebben: betaalbaar wonen, betaalbare energie, werkgelegenheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid, gezondheid, fileproblematiek, kwaliteit van leven, herverdeling. Die bijkomende voordelen zouden een belangrijk criterium moeten zijn bij de selectie van de maatregelen.

De startsituatie

Tijdens de periode 2008-2012 moet de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen met 5,2 % verminderen ten opzichte van 1990. Er wordt prioritair ingezet op interne maatregelen in de verschillende beleidsdomeinen. Om de resterende reductiekloof op te vullen zal de Vlaamse overheid gebruik maken van de flexibiliteitsmechanismen van het Kyotoprotocol. Het eerste Klimaatbeleidsplan bevat een lijst met maatregelen die de Kyoto-doelstelling moet realiseren. De Kyotodoelstelling is in zicht: de uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen daalde met 7,8 %. De grootste emissiereducties werden gerealiseerd in de industrie en de landbouw.

Tegelijk wordt in het Voortgangsrapport 2010 vastgesteld dat in de sectoren die niet onderworpen zijn aan het Europese systeem van de emissiehandel de kloof tussen de doelstellingen en de gerealiseerde reducties toeneemt. De toename van de reductiekloof is vooral te wijten aan twee sectoren: mobiliteit en gebouwen. De ‘Kyotokloof’ is zelfs 3x groter dan voorzien, wat betekent dat er 3x meer emissierechten zullen moeten worden aangekocht. De Vlaamse Regering investeerde tot begin 2010 al 55,4 miljoen euro in de verwerving van zulke emissierechten.

Tabel: aandeel non-ETS sectoren

Tabel: aandeel non-ETS sectoren in de uitstoot van broeikasgassen in 2008 en 2009, de gemiddelde verwachte uitstoot in 2010-2012 in een scenario met klimaatbeleid en de niet-ETS reductiekloof (kton CO2-eq)

Het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020

Ter voorbereiding van de opmaak van het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020 berekende het VITO het reductiepotentieel van de reeds besliste en geplande maatregelen voor de niet-ETS sectoren. De kloof tussen de prognoses en het vooropgestelde reductiepad (-15 % in 2020 t.o.v. 2005) bedraagt voor de periode 2013-2020 24.600 kton CO2-equivalent of een toename van de uitstoot met 0,3 % in plaats van een daling met 15 %. Bij een niet-ETS doelstelling van 21 % loopt het tekort op tot 35 Mton. CO2-eq. Het huidige beleid is dus ruimschoots onvoldoende om de doelstelling van -15 % te halen, laat staan de doelstelling van 21 %.

20121024 vl klimaatbeleid grafiek1

In de conceptnota met een stand van zaken aan de leden van de Vlaamse regering geeft minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur Joke Schauvliege zelf aan dat wat voorligt onvoldoende invulling geeft aan de ambitie van de Vlaamse regering. Doelstelling was om alle interne maatregelen te nemen die technisch en economisch uitvoerbaar en maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Ook aandacht voor beleid en doelstellingen op lange termijn en kostenefficiëntie zijn belangrijke criteria bij de selectie van de maatregelen.

Uit een aantal analyses die voor België gebeurd zijn, blijkt dat de rendabele maatregelen niet voldoende zijn om de Belgische niet-ETS doelstelling van -15 % te bereiken. Het kosteneffectief potentieel zou leiden tot -6 % reductie in 2020 ten opzichte van 2005. Zelfs mét de relatief goedkope technische maatregelen is het niet zeker dat de -15 % doelstelling bereikt zal worden. De onzekerheden in de prognoses impliceren meestal nog een toename van de uitstoot van broeikasgassen en geen daling. Minister Schauvliege geeft in de conceptnota met de stand van zaken aan: “Het zal dus nodig zijn om ook in te zetten op structurele ingrepen, innovatie en beleid gericht op gedragsaanpassingen…
Voor het bereiken van de klimaatdoelstellingen is dus een hoger ambitieniveau en een versnelling nodig in het klimaatbeleid. De reeds genomen en voorgestelde maatregelen zijn vaak eerder incrementele optimalisatiemaatregelen die een positief resultaat opleveren maar niet langer volstaan om aansluiting te vinden bij het korte en lange termijn reductiepad. Een aantal trendbreuken zijn daarom noodzakelijk die enkel kunnen worden gerealiseerd indien voor elke sector de juiste strategische keuzes worden gemaakt bij de uitwerking van beleidsinstrumenten of beleidsplannen. Hierbij dienen overkoepelende klimaatdoelstellingen te worden beschouwd als centraal uitgangspunt en niet als afgeleid resultaat van de eigen sectorale doelstellingen.

Worden de doelstellingen niet gehaald met interne maatregelen, dan zullen er emissierechten moeten worden aangekocht. Aan een CO2-prijs van 5 euro/ton CO2 heeft een tekort van 23 Mton CO2-eq een budgettaire impact van 115 miljoen euro over de periode 2013-2020. Bij een niet-ETS doelstelling van -21 % bedraagt het tekort 35 Mton CO2-eq, of 175 miljoen euro aan een prijs van 5 euro/ton CO2.

Uitstel van reducties in de periode 2013-2020 hypothekeert bovendien ook de volgende periode. Onderzoek toont aan dat elk uitstel vandaag een significant hogere jaarlijkse investeringskost op middellange termijn met zich meebrengt.

20121024 vl klimaatbeleid grafiek2

Vergelijking jaarlijkse investeringskost onmiddellijke actie versus uitstel van actie
Bron: The European Climate Foundation – Technical Analysis Roadmap 2050

De reductiedoelstelling van -15 % voor de niet-ETS sector, die voor 2020 wordt vooropgesteld, is immers geen “einddoelstelling” op zich maar enkel een tussenliggend punt op een reductiepad. De EU Roadmap for moving to a low-carbon economy in 2050 stelt een reductie van broeikasgassen van minstens -80 % voorop in 2050 ten opzichte van de uitstoot in 1990. Daarvoor moet in 2030 de uitstoot van broeikasgassen in de EU Lidstaten met 40 % gereduceerd worden ten opzichte van 1990 en met 60 % in 2040 ten opzichte van 1990.

Voorgestelde strategie ACW

Eerder dan van op een afstand toe te kijken, is het beter om zelf voorstellen te doen voor een sociaal rechtvaardig klimaatbeleid. Daarbij kunnen we twee strategieën volgen:

  1. maatregelen naar voor schuiven die belangrijke sociale baten hebben. Op die manier kan de urgentie van het klimaatprobleem een opportuniteit om ook andere dossiers structureel aan te pakken: betaalbare energie en betaalbaar wonen, werkgelegenheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid, gezondheid, fileproblematiek, kwaliteit van leven, herverdeling;
  1. pro-actief een standpunt voorbereiden voor maatregelen die op dit moment maatschappelijk moeilijk aanvaardbaar zijn: bv. de kilometerheffing voor personenwagens. Zelf schuiven we dit niet naar voor, maar we onderzoeken wel pro-actief de voorwaarden waaraan een kilometerheffing moet voldoen opdat deze sociaal rechtvaardig is. Op die manier kunnen we meer wegen op het debat wanneer dit op de politieke agenda komt.

Standpunt ACW

Energiebesparing prioriteit

Als sociale organisatie wil het ACW de bijkomende voordelen van klimaatmaatregelen in de verf zetten. Energiebesparing moet daarbij absolute prioriteit krijgen. Energie-efficiëntieverhogende maatregelen behoren immers tot de meest kostenefficiënte pistes om de klimaat- én de hernieuwbare energiedoelstellingen te realiseren. Volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) zullen energie-efficiëntieverhogende maatregelen op korte termijn meer dan de helft van de vereiste CO2-reducties moeten leveren in de strijd tegen klimaatverandering.

De lidstaten van de EU krijgen nu voor het eerst bindende maatregelen opgelegd die het energieverbruik moeten terugschroeven. De energieleveranciers zijn verplicht om elk jaar 1,5 % minder energie te leveren. Deze doelstelling kunnen ze onder meer halen door de consumenten beter in te lichten over energiebesparingen. Ze zullen hun diensten moeten uitbreiden en zich meer profileren als energieraadgever. Het geheel aan maatregelen zou de consumptie tegen 2020 met 15 tot 17 % moeten verminderen.

De huidige Europese energiebesparingsdoelstelling bedraagt 9 % in 2016 t.o.v. het gemiddelde verbruik in de periode 2001-2005. Het Vlaams Actieplan energie-efficiëntie rekent voor dat we in 2016 in Vlaanderen zouden uitkomen op een energiebesparing van 13,3 % t.o.v. het gemiddelde verbruik in de periode 2001-2005. Dat is een flink stuk boven de Europese doelstelling dus. Daarom worden er in het Vlaams Actieplan energie-efficiëntie geen bijkomende maatregelen overwogen. Ook de nieuwe doelstelling lijkt voor Vlaanderen niet zo ambitieus. Nochtans zijn er redenen te over om een ambitieuzer energie-efficiëntie beleid te voeren: economisch, om de Vlaamse energiebevoorradingszekerheid te verbeteren en om de klimaat- en hernieuwbare energiedoelstellingen op een kostenefficiënte manier te realiseren. Bovendien beschikte men bij het schrijven van het Actieplan nog niet over de cijfers van 2010. Na een scherpe daling van het energiegebruik in 2009, volgde er in 2010 een al even scherpe stijging. Daar komt nog bij dat men voor de berekening van de prognoses uitging van subsidiemaatregelen die intussen afgeschaft zijn.

Bij de omzetting van de nieuwe Europese richtlijn in een Vlaams actieplan wil het ACW ambitieuze energiebesparingsdoelstellingen voor Vlaanderen. Enkel op die manier zullen we de klimaatdoelstellingen op een kosten-efficiënte manier kunnen realiseren. Voor particulieren moet de focus liggen op gebouwen en mobiliteit.

Gebouwen “Minder CO2 én een lagere energiefactuur”

Ondanks de inspanningen van de afgelopen jaren, blijven de energieprestaties van een belangrijk deel van het woningenpark in Vlaanderen ondermaats. Vooral de private huurmarkt is er slecht aan toe. Het ACW vraagt vooral aandacht voor de achterblijvers die nog niet geïnvesteerd hebben. Op korte termijn heeft een beleid gericht naar de ‘achterblijvers’ – die nog steeds het grootste deel van de bevolking uitmaken - het meeste potentieel om energie te besparen en emissiereducties te realiseren. Die focus betekent niet dat we een voorlopersbeleid niet belangrijk vinden, wel is het een oproep om diegenen die om welke reden dan ook achterblijven niet te vergeten.

Financiële ondersteuning en begeleiding kunnen ook hen de mogelijkheid geven om energie te besparen. In een volgende fase dienen structurele maatregelen (normen, verplichtingen, …) overwogen te worden om de doelstellingen van het Energierenovatieprogramma 2020 afdwingbaar te maken. Premies die stap voor stap verlaagd worden in de aanloop naar verplichtingen geven het signaal dat investeringen liever vandaag gebeuren dan morgen. De stapsgewijze verlaging moet vooraf vastgelegd worden en deze kalender moet ook duidelijk gecommuniceerd worden. Eindige of tijdelijke ondersteuning kan zinvol zijn om investeringen in een bepaald tijdskader te houden: hoe sneller CO2-emissies gereduceerd worden, hoe beter voor het klimaat.

Tijdelijke subsidievlagen kunnen bovendien zorgen voor een extra attenderingseffect. Zo leidde de focus op dakisolatie met intensieve subsidiëring tot een verdriedubbeling van het aantal investeringen.

Voorstel 1: Voer opnieuw een premie in voor de vervanging van verwarmingsketels en communiceer er uitgebreid over.

De vervanging van alle oude verwarmingsketels is noodzakelijk om de energiebesparingsdoelstelling te halen van 15 % tegen 2020. Zonder premie is de kans groot dat opnieuw meer mensen voor ketels zullen kiezen met een lager rendement, ook al is de meerkost voor een condensatieketel eerder beperkt. Zelfs met de ondersteuning van de voorbije jaren kozen in 2009 nog 30 % voor een nieuwe niet-condenserende aardgasketel. Voor nieuwe verwarmingsketels op stookolie – waarbij het prijsverschil wel behoorlijk groot is – bedroeg het marktaandeel van condensatieketels in 2009 zelfs maar 14%.

De premie voor hoogrendementscondensatieketels moet hoog genoeg zijn om mensen over te halen om te investeren. Stel vooraf een stapsgewijze verlaging (bv. tweejaarlijks) vast van de premie, die uitmondt in een verplichting. Communiceer de kalender en de verplichting duidelijk. De verplichting kan gekoppeld worden aan het energieprestatiecertificaat, waaraan een audit van de energieprestaties van de ketel toegevoegd wordt. Voordeel hierbij is dat er geen bijkomende controle nodig is. Een andere mogelijkheid is gebruik maken van de verplichte, eenmalige audit van de energieprestaties van ketels ouder dan 15 jaar.

Bijkomende voordelen: een structureel lagere energiefactuur

Voorstel 2: Een stimulerend beleid voor de private huurmarkt, gekoppeld aan verplichte investeringen in de energieprestaties van de woning.

Door het beleid gericht op eigendomsverwerving, is de private huurmarkt een krimpende restmarkt geworden, met slechte woningen bewoond door groepen met een steeds zwakker sociaal-economisch profiel. Op basis van de woonsurvey 2005 wordt geraamd dat in Vlaanderen ongeveer 180.000 huishoudens op de private huurmarkt niet beschikken over een goede en betaalbare woning. Voor hen is het recht op wonen niet gerealiseerd. De private huurmarkt is versnipperd over 180.000 kleine eigenaars. Een aanzienlijk deel van de verhuurders is gepensioneerd. De kans is dus groot dat heel wat huurwoningen de komende jaren te koop zullen worden aangeboden, waardoor het aanbod verder zal afnemen. Een bijzonder stimuleringsbeleid voor de versterking en uitbreiding van de private huurmarkt is noodzakelijk.

Dat stimuleringsbeleid moet gekoppeld zijn aan (verplichte) maatregelen om de energieprestaties van de private huurmarkt te verbeteren. Naast de huur nemen ook de energiekosten immers een stevige hap uit het beperkte inkomen van huurders. Huurwoningen op de private huurmarkt zijn minder uitgerust met isolerende beglazing, dak- , muur- en vloerisolatie dan sociale huurwoningen en eigendomswoningen. Was in 2009 73 % van de eigendomswoningen geïsoleerd, dan was dat voor de huurwoningen slechts 58 %.

Door beide beleidsdoelstellingen te linken wordt voorkomen dat verhuurders hun opbrengstwoning van de hand doen omdat de verplichte investeringskosten te hoog oplopen.

Mogelijke ideeën:

  • verminderde successierechten: de verminderde successierechten worden dan toegekend indien de woning door de erfgenamen (verder) wordt verhuurd tegen een redelijke huurprijs, voor een minimale periode van 9 jaar. Ook moeten er geïnvesteerd worden in dakisolatie, dubbel glas en een energiezuinige verwarmingsketel;
  • een verlaagd btw-tarief voor de bouw en renovatie van private huurmarkt, onder strikte voorwaarden (bepaalde investeringen, beperkt aantal woningen per verhuurder, redelijke huurprijs voor minimale periode van 9 jaar, huurder met zwak socio-economisch profiel;
  • renovatiepremie toegankelijk voor verhuurders;
  • wegwerken verschil in fiscale behandeling eigenaars en huurders (woonbonus);
  • derdebetalersregelingen ook voor verhuurders (vb. FRGE), onder bepaalde voorwaarden (huurder behorende tot doelgroep).

Bijkomende voordelen: meer en betere woningen op de private huurmarkt

Mobiliteit

Algemene maatregelen

Op onze wegen worden jaarlijks 120 miljard reizigerskilometers en 70 miljard tonkilometers afgelegd. Duizelingwekkende cijfers die erop wijzen dat we een economisch erg actief land zijn. Maar er is ook een keerzijde: onze mobiliteit is verantwoordelijk voor heel wat milieu- en gezondheidsproblemen. De sector transport is verantwoordelijk voor een derde van de niet-ETS emissies. Meer dan de helft daarvan wordt veroorzaakt door personenverkeer over de weg. Het vrachtvervoer over de weg heeft een aandeel van zo’n 34 %. De externe kosten van het wegvervoer lopen op tot 13 miljard euro per jaar. We staan elk jaar met zijn allen 10 miljoen uur in de file. Het aantal verkeersslachtoffers daalt jaar na jaar, maar toch doen we het slecht in vergelijking met de andere landen in West-Europa. Het stijgend aantal kilometers doet ook de milieuwinst van efficiëntere voertuigen teniet.

In Pact 2020 werd de doelstelling vooropgesteld dat tegen 2020 zo’n 40 % van het woon-werkverkeer via OV, te voet of per fiets verloopt. Vandaag gebeurt 70 % van de woonwerkverplaatsingen met de wagen. Tegen 2020 zouden er volgens de prognoses 9 % meer werkenden zijn dan in 2007. Zonder een wijziging in het verplaatsingspatroon zal de druk op onze wegen met de bijbehorende gevolgen voor het klimaat alleen maar toenemen.

Maatregelen met een grote lokale impact

Mobiliteit speelt ook een belangrijke rol in de leefbaarheid van een gemeente. Letterlijk en figuurlijk. Fijn stof en geluidsoverlast verminderen het aantal gezonde levensjaren van de Vlaming met een half jaar. Aan de andere kant ondervinden veel mensen last van sluipverkeer. Het steeds drukker wordende verkeer veroorzaakt bovendien een nieuwe vorm van vervoersarmoede: steeds meer mensen, vooral ouderen, voelen zich onzeker in het verkeer. De voorgestelde maatregelen moeten zowel de CO2-uitstoot van het verkeer verminderen, als de verkeersleefbaarheid en veiligheid verbeteren.

10 % van alle verplaatsingen zijn verplaatsingen van minder dan 2 km die worden afgelegd door een autobestuurder. Die korte verplaatsingen wikkelen zich voornamelijk af op lokale wegen, in kernen waar meer overlast veroorzaakt wordt dan op autosnelwegen.

Voorstel 3: Via low emission zones, zone 30, groene golf, infrastructuuringrepen kunnen meer mensen gestimuleerd worden om zich voor korte afstanden te voet/per fiets te verplaatsen.

Klimaatfinanciering versterken

Na de mislukking van de klimaatconferentie in Kopenhagen vorig jaar zakte het vertrouwen tussen de onderhandelaars als een pudding in elkaar. Het verloop van de onderhandelingen ter voorbereiding van de klimaattop in Cancun werd door optimisten vergeleken met de tred van een schildpad: traag maar gestaag. De pessimisten hadden het dan weer over een hamster die rondjes loopt in een rad. De verwachtingen voor Cancun waren in elk geval niet hoog gespannen.

De tijd dringt want op 31 december 2012 loopt de verbintenissenperiode van het Kyoto-protocol af. Zonder een opvolger van dat akkoord ligt de weg vrij naar een ongecontroleerde uitstoot van broeikasgassen. Aangezien de emissies wereldwijd sterk gestegen zijn, is het cruciaal om ook de andere landen te betrekken bij een internationaal klimaatakkoord. Het principe van gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid moet daarbij centraal blijven staan. Dit betekent dat de ontwikkelde landen de leiding moeten nemen in de strijd tegen de klimaatverandering: zij moeten de grootste CO2-reducties realiseren en moeten de ontwikkelingslanden financieel en technisch ondersteunen bij het implementeren van het Klimaatverdrag, in het bijzonder de armste landen en de landen die bijzonder kwetsbaar zijn voor de klimaatverandering.

Klimaatbeleid ontwikkelingslanden

De financiering van het klimaatbeleid in het zuiden is een cruciaal element in de onderhandelingen. Het Kopenhagenakkoord voorziet in 30 miljard dollar aan bijkomende middelen voor de korte termijnfinanciering (2010-2012) van het klimaatbeleid in de ontwikkelingslanden. Europa zou 7,2 miljard dollar bijdragen. Tegen 2020 beloven de ontwikkelde landen om jaarlijks 100 miljard dollar aan bijkomende financiering te voorzien voor de ontwikkelingslanden, of ongeveer 0,17% van het wereld BBP. De ontwikkelingslanden hebben dat geld nodig om maatregelen te kunnen nemen om minder broeikasgassen uit te stoten (mitigatie) en om zich aan te kunnen passen aan de klimaatverandering (adaptatie).

Internationale klimaatfinanciering versterken

Geld beloven is één ding – vergeet niet dat de belofte van 0,7% van ons BBP aan ontwikkelingshulp al enkele decennia een belofte is – het effectief leveren een ander. En dat is essentieel om het vertrouwen te krijgen van de ontwikkelingslanden en vooruitgang te boeken. Twee vragen dringen zich op. Maken de ontwikkelde landen de beloofde bedragen ook effectief vrij? En zijn deze additioneel? Vooral over dit laatste aspect bestaat nogal wat twijfel. Het onderscheid tussen klimaatfinanciering en ontwikkelingshulp is uiteraard niet altijd makkelijk te maken. Ontwikkelingsprojecten kunnen bijdragen tot het verhogen van de capaciteit van de minst ontwikkelde landen om zich aan te passen aan de gevolgen van de klimaatverandering en klimaatgerelateerde projecten kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een gemeenschap. Niettemin is het belangrijk er over te waken dat de internationale klimaatfinanciering de inspanningen om de Millennium ontwikkelingsdoelstellingen te bereiken, niet ondermijnt maar liefst versterkt.

Klimaatfinanciering bovenop ontwikkelingshulp?

Europa maakte al 2,2 miljard aan klimaatfinanciering vrij. Het overgrote deel van die middelen zouden geen bijkomende middelen zijn, maar al beloofde ontwikkelingshulp. Bovendien zou een aanzienlijk deel worden toegekend als lening. België engageerde zich om 150 miljoen euro bij te dragen. In 2010 heeft de federale overheid 40 miljoen euro voorzien en ook het Waalse Gewest zou 2 miljoen euro toegezegd hebben. Of die middelen bijkomend zijn bij de beloofde ontwikkelingshulp blijft onduidelijk. Het is essentieel dat de donorlanden transparant zijn over deze middelen en of ze al dan niet additioneel zijn.

De middelen moeten ook belanden waar ze het meest noodzakelijk zijn. Dat is vaak niet het geval. Tot vandaag ging het overgrote deel van de klimaatfinanciering naar mitigatie in opkomende industrielanden. De minst ontwikkelde landen, waar vandaag de slachtoffers van de klimaatverandering vallen, krijgen veel te weinig. Die trend lijkt zich verder te zetten. Dat is vooral geen goede zaak voor de inwoners van deze landen, maar ook niet voor het onderhandelingsklimaat.

Een CO2-prijssignaal in België?

Belastingen heffen om het klimaatprobleem aan te pakken is een delicaat onderwerp. Het gaat dan ook om een krachtig instrument dat een grote impact kan hebben. Dit is waarschijnlijk de reden waarom de meningen zo sterk uiteenlopen wanneer er gepraat wordt over de concrete invoering van een CO2-prijssignaal. Tussen vakbonden, milieuorganisaties en ontwikkelingsorganisaties is het mogelijk om tot een gezamenlijk standpunt te komen. Met de werkgeversorganisaties zijn er veel meer meningsverschillen. Kan zo'n heffing er komen in België of moet dit op internationaal niveau afgesproken worden? Moeten de bedrijven ook betalen of geldt het prijssignaal enkel voor de gezinnen? Wat doen we met de opbrengst van een CO2-heffing? Zijn deze middelen bestemd voor de schatkist, de gezinnen, de bedrijven of dienen ze bv. ook om onze klimaatschuld met de landen in het Zuiden af te betalen? Hieronder geven we een overzicht van de knelpunten in het maatschappelijk debat. 

De aanleiding voor deze discussie over een CO2-heffing was een adviesvraag van ontslagnemend minister van Energie en Klimaat, Paul Magnette, aan de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO). Tussen de maatschappelijke organisaties die vertegenwoordigd zijn in de FRDO bestond er consensus over de vaststelling dat consumptie- en productiepatronen en investeringsbeslissingen op twee manieren beïnvloed kunnen worden door een prijssignaal: 
  1. via een "prijssignaal consumptie" om de overstap naar meer wenselijke productie- en consumptiepatronen aan te moedigen,
  2. en een "prijssignaal gebaseerd op externaliteiten" om de kostprijs te vertalen van negatieve externe factoren zoals de klimaatproblematiek die niet weerspiegeld worden in de marktprijzen van goederen en diensten.

De doeltreffendheid van een CO2-prijssignaal moet dan ook voor beide factoren nagegaan worden. Wordt er effectief een duurzame gedragsverandering gerealiseerd? En, worden de kosten vergoed van de door CO2 veroorzaakte vervuiling?

Over de theoretische onderbouwing van het CO2-prijssignaal bestond er dus consensus tussen de maatschappelijke organisaties. Over de concrete modaliteiten met betrekking tot de effectieve invoering van zo'n heffing veel minder. De volgende knelpunten kwamen aan de oppervlakte:

 

Een CO2-heffing of een heffing op CO2 én energie?

Het ACV, samen met de andere vakbonden, milieu- en ontwikkelingsorganisaties benadrukken dat in de strijd tegen de klimaatverandering de focus moet liggen op energie sparen en de energie-efficiëntie bevorderen. Hoe minder energie er verbruikt wordt, hoe makkelijker en goedkoper het zal zijn om de CO2-reductiedoelstellingen te verwezenlijken. Daarom stellen we voor om in België de huidige energiebelasting te verhogen en te baseren op de energie-inhoud van brandstoffen en aan te vullen met een CO2-belasting. De werkgeversorganisaties van hun kant weigeren elke koppeling van het CO2-prijssignaal met de energiebelastingen. 

Een CO2–heffing en de indexering van de lonen

De werkgeversorganisaties gebruiken de discussie over de CO2–heffing om (nogmaals) de automatische indexering van de lonen in vraag te stellen. Ze stellen dat de automatische verhoging van de lonen het CO2-prijssignaal aanzienlijk verzwakt, waardoor consumenten minder geneigd zullen zijn om hun gedrag te veranderen. Daarnaast is er het klassieke argument van de loonkostenhandicap ten opzichte van onze drie buurlanden die zal toenemen.

In de FRDO was er een brede coalitie van vakbonden, milieu- en ontwikkelingsorganisaties die er nadrukkelijk op wezen dat de invoering van een CO2-taks op energie in geen enkel geval als argument mag worden gebruikt om de gezondheids- en de prijsindex te wijzigen.

Samen met de andere vakbonden benadrukte het ACV dat de loonkosten reeds sterk omkaderd zijn door de gezondheidsindex en door de 'wet van 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen', zodat een indexwijziging niet nodig noch gerechtvaardigd is. Daarenboven beklemtonen we dat een (voldoende hoge) prijsverhoging de mensen er wel degelijk toe zal aanzetten een vervangmiddel te zoeken of minder van het product te verbruiken, zelfs als de lonen geïndexeerd zijn.

Impact op gezinnen en bedrijven.

De vakbonden, milieu- en ontwikkelingsorganisaties wijzen er op dat de invoering van een CO2-taks verhoudingsgewijs een grotere impact zal hebben op de meest kansarme gezinnen. Om aan dit probleem tegemoet te komen is het noodzakelijk een compensatie te garanderen voor de meest kansarme gezinnen (laagste inkomens en uitkeringsgerechtigden) via bv. maatregelen voor energie-efficiëntie. De werkgeversorganisaties stelden in het FRDO-advies dat de mogelijke impact op de meest kwetsbare gezinnen meegenomen moet worden in de analyse.

De werkgeversorganisaties kanten zich vooral tegen de invoering van een CO2-taks voor ondernemingen enkel in België. Een CO2-taks kan uitsluitend overwogen worden op internationaal (wereld-) niveau, of als dit niet kan op Europees niveau. De CO2-taks mag volgens deze organisaties geen betrekking hebben op de bedrijven die moeten deelnemen aan het Europees emissiehandelssysteem (ETS), noch op de sectoren of ondernemingen die een vrijwillige overeenkomst hebben afgesloten. Daarenboven stellen deze organisaties dat ook de kleinere bedrijven (die niet onder de ETS vallen) moeten kunnen genieten van dezelfde toepassingsvoorwaarden van de taks als de voorwaarden van het ETS-systeem (vrijstellingen voor bedrijven die onderhevig zijn aan internationale concurrentie, gunstige invoertermijnen, gebruik van flexibele mechanismen).

De vakbonden, milieu- en ontwikkelingsorganisaties stellen dat een taks op Belgisch niveau voor bedrijven overwogen moet worden indien globale of Europese instrumenten niet blijken te volstaan om de energie-efficiëntie van de bedrijven aanzienlijk te verbeteren en hun CO2 -uitstoot voldoende te verlagen. Dit dreigt het geval te zijn voor de ETS-bedrijven aangezien een aanzienlijk deel van de emissierechten gratis wordt uitgedeeld en er door de economische crisis een –bijkomend– overschot aan emissierechten wordt gegenereerd. Daarom pleiten wij in de eerste plaats voor een verbetering van het ETS systeem, vooral een maximale veiling van de emissierechten. We pleiten eveneens voor de invoering van een Europese regulator die een minimumprijs moet bepalen en een zekere stabiliteit van deze prijs moet garanderen, wat nodig is om de noodzakelijke investeringen mogelijk te maken. We zijn eveneens van mening dat non-ETS-bedrijven niet vrijgesteld kunnen worden van de taks. Indien non-ETS bedrijven zwart op wit kunnen aantonen dat ze onderhevig zijn aan internationale concurrentie, kan een bijkomende compensatie (geen vrijstelling deze dreigt immers effectiviteit van de maatregel te niet te doen) voor deze bedrijven overwogen worden.

Gebruik van de opbrengst van de taks

Er was consensus binnen de FRDO dat de invoering van een CO2-taks niet mag gebeuren vanuit een pure begrotingslogica maar moet passen binnen een milieuprogramma dat tot doel heeft een prijssignaal te geven. Daarnaast gaven de vakbonden, milieu- en ontwikkelingsorganisaties aan dat de opbrengsten tegelijk naar interne investeringsmaatregelen moeten gaan waarmee wij onze emissies kunnen verlagen (via o.a. verhoging van de energie-efficiënte, investeringen in hernieuwbare energie, industriële reconversiestrategieën) én naar een klimaatbeleid ter ondersteuning van de ontwikkelingslanden.

De werkgeversorganisaties benadrukten dat er geen sprake kan zijn van de lasten voor de ondernemingen, inclusief de zelfstandigen, te verhogen. De belastingen die door de ondernemingen/sectoren worden betaald, moeten dus aan dezelfde ondernemingen/sectoren worden terugbetaald om hen te helpen de overgang naar een lagekoolstofeconomie te financieren.

Uit deze discussie blijkt overduidelijk dat er over een aantal cruciale punten met betrekking tot de invoering in ons land van een CO2-heffing nog zeer grote meningsverschillen bestaan tussen de maatschappelijke organisaties. Het is alvast een positief teken dat de vakbonden, milieu- en ontwikkelingsorganisaties tot gezamenlijke standpunten konden komen.


Wat na Kopenhagen? Een ambitieus, bindend en rechtvaardig klimaatakkoord blijft nodig!

De twee machtigste mensen op aarde, President Obama van de Verenigde Staten en Premier Wen Jiabao van China hebben in Kopenhagen het laken naar zich toe getrokken. De rest van de wereld, en dan vooral Europa, kon niet anders dan akkoord gaan met hun voorstel. Europa was machteloos door intern verdeeldheid, onvoldoende bondgenoten en strategische onderhandelingsfouten. Het feit dat Obama en Wen Jiabao zich ermee gemoeid hebben, is een positieve zaak. De twee grootste uitstoters van broeikasgassen zijn vanaf nu actief betrokken bij het klimaatbeleid. In Kopenhagen hebben alle landen ook voor het eerst erkend dat de klimaatopwarming beperkt moet worden tot maximaal 2° C.

Toch zijn we ontgoocheld omdat onze doelstelling van een “ambitieus, bindend en rechtvaardig klimaatakkoord” niet is gerealiseerd. Het “Copenhagen Accord” bevat geen bindende emissiereductiedoelstellingen, enkel vage, vrijwillige en vrijblijvende engagementen. In het beste geval zullen deze emissiereducties de opwarming van de aarde beperken tot 3,2° C. Er werd ook niets afgesproken over een opvolger voor het Kyoto protocol dat afloopt in 2012. Dit protocol zorgde voor een duidelijk wettelijk en dus afdwingbaar kader. Het Accord bevat evenmin doelstellingen voor de lange termijn (2050).

Hoe zit het met onze hoop op een “rechtvaardig” klimaatbeleid? Positief is alvast het extra geld dat de ontwikkelde landen beloofd hebben voor het Zuiden. Op korte termijn, voor de periode 2010 tot 2012, is er 30 miljard dollar aan extra middelen voorzien. Deze middelen zullen evenwichtig besteed worden, zowel voor aanpassing aan de klimaatverandering als voor emissiereducties en met aandacht voor de armste landen. Vanaf 2020 engageren de ontwikkelde landen zich tot 100 miljard dollar per jaar, gefinancierd uit verschillende bronnen (overheidsgeld, privémiddelen, bilaterale en multilaterale, enz.). Het blijft echter de vraag of het hier zal gaan over extra middelen (extra ten opzichte van reeds eerder beloofde middelen bv. voor ontwikkelingssamenwerking) en of de ontwikkelingslanden hun engagementen effectief zullen nakomen.

Samen met het Internationaal en het Europees vakverbond hebben wij in Kopenhagen gepleit voor een “rechtvaardige transitie” in het klimaatbeleid. Ook in de geïndustrialiseerde landen moet er een sociaal klimaatbeleid gevoerd worden. Tijdens de onderhandelingen hebben de vakbonden alle landen kunnen overtuigen van onze eis voor een rechtvaardige transitie. Er was consensus om dit begrip op te nemen in het akkoord maar in de (veel kortere) eindtekst werd het niet weerhouden.

Wat moet er nu gebeuren? De Europese Unie moet zijn aanpak van het klimaatbeleid grondig herzien en terug het heft in handen nemen. Dit kan op de volgende manier:

  • De EU moet blijven pleiten voor een ambitieus en bindend akkoord met alle landen. We hebben nieuwe regulerende instrumenten nodig. De financiële crisis heeft de desastreuze gevolgen van “soft law” aangetoond. Europa moet het goede voorbeeld geven door ambitieuze bindende doelstellingen vast te leggen om op die manier de VS, China en de andere landen mee te krijgen.
  • Europa moet een coherente ontwikkelingsstrategie opstellen die de basis moet vormen voor zijn onderhandelingsstrategie. Deze strategie moet een duidelijk perspectief bieden aan ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Transparantie inzake sociale en milieudoelstellingen is essentieel samen met een versterkt overheidsbeleid dat zorgt voor een constructieve dynamiek in plaats van de huidige defensieve aanpak.
  • Binnen Europa is er dringend nood aan een duidelijke visie op een koolstofarm industrieel beleid. Hiervoor is er meer coördinatie tussen de lidstaten nodig. Vandaag bestaat er een contraproductieve rivaliteit die gedreven wordt door korte termijn belangen van de lidstaten. Een combinatie van een vernieuwd industrieel en innovatiebeleid, gericht onderzoek en aangepaste klimaatregelgeving moet zorgen voor koolstofarme ontwikkeling, groene en waardige jobs en sociale vooruitgang voor iedereen.

OESO forum over Economie en klimaatverandering

Van 3 tot 4 juni 2008 organiseerde OESO (de economische denktank van de geïndustrialiseerde landen) een forum over Economie en klimaatbeleid. Angel Gurria, secretaris generaal van de OESO, opende de conferentie met het statement dat we een onderdeel zijn van het leefmilieu. Indien we klimaatverandering niet aanpakken, zullen we niet overleven.

Van 3 tot 4 juni 2008 organiseerde OESO (de economische denktank van de geïndustrialiseerde landen) een forum over Economie en klimaatbeleid. Angel Gurria, secretaris generaal van de OESO, opende de conferentie met het statement dat we een onderdeel zijn van het leefmilieu. Indien we klimaatverandering niet aanpakken, zullen we niet overleven. Zonder klimaatbeleid zal de uitstoot aan broeikasgassen met 50% stijgen tegen 2050, waardoor de temperatuur op einde van de eeuw zou oplopen met meer dan 6°C. De uitdaging bestaat erin de mondiale uitstoot tegen 2050 met minstens de helft terug te dringen.

Vast staat dat de kosten van een ambitieus klimaatbeleid vele malen lager zijn, dan de maatschappelijke kosten ten gevolge van klimaatverandering bij ongewijzigd beleid. Dit betekent niet dat het klimaatbeleid goedkoop is! Om draagvlak te creëren voor het klimaatbeleid, is het nodig om een beter zicht te krijgen op de kosten en de efficiëntie van de verschillende maatregelen voor de verschillende doelgroepen. Eén van de moeilijkste vragen daarbij is wie gaat hoeveel betalen? Een werkbare oplossing is slechts mogelijk mits er overeenstemming gevonden wordt over een billijke verdeling van de inspanningen, volgens het principe van een gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid. De sterkste schouders zullen het voorbeeld moeten geven.

De OESO wil via macro-economische analyses de lidstaten ondersteunen bij het uitstippelen van hun klimaatbeleid. De OESO legt daarbij de nadruk op marktgebaseerde instrumenten die aan CO2 een hoge prijs geven, zodat nieuwe investeringen in de juiste richting worden gestuurd. De prijselasticiteit op de lange termijn is immers veel groter dan de prijselasticiteit op korte termijn. De sociale aspecten moeten volgens OESO eerder op het lokale niveau aangepakt worden.

Vakbond kritisch

Dit vormde een belangrijk punt van kritiek vanwege de vakbondsdelegatie op het forum. Het is nu te laat om te wachten totdat het prijssignaal voldoende zal kunnen bijsturen, zonder noemenswaardige sociale neveneffecten. De recente voedselcrisis heeft dit zeer duidelijk aangetoond. Daarom is er nood aan een geïntegreerde en planmatige aanpak, met een belangrijke plaats voor publieke investeringen. Deze aanpak moet ook gestroomlijnd worden op het internationaal niveau en dus openomen worden in de multilaterale verdragen. Het is de zwakte van de OESO rapporten, dat hier nauwelijks aandacht aan wordt besteed.

De vakbonden kunnen leven met het systeem van verhandelbare CO2 emissierechten, op voorwaarde dat deze rechten geveild worden. Gratis allocatie van rechten aan de industrie, zoals in de EU gebeurde, leidt immers tot speculatie, doorrekening van opportuniteitskosten aan de consument en een verspilling van publieke middelen. Bij de veiling van emissierechten krijgt de overheid inkomsten, die ze kan inzetten ten voordele van een sociaal klimaatbeleid.

De conferentie werd gesponsord door een aantal MNO’s, waaronder de nucleaire sector (AREVA), de voedingsindustrie (Nestlé) en de petroleumindustrie (BP). Daardoor werd veel nadruk gelegd werd op grootschalige technologische oplossingen die in het kraam passen van de gevestigde MNO’s, zoals kernenergie, schoon fossiel of biobrandstoffen van genetisch gemanipuleerde organismen. Positief is dat de weerstand tegen (de kosten van) hernieuwbare energie bij de industrie stilaan verdwenen is en dat de bereidheid om op grote schaal te investeren in hernieuwbare energie met de dag groeit.

Globalisering als noodzakelijke oplossing

Globalisering werd over het algemeen niet gezien als één van de oorzaken van het klimaatprobleem, maar als noodzaak om een oplossing te vinden. De vakbondsafgevaardigde uit de VS repliceerde dat de werknemers in de VSA dagelijks ondervinden waartoe de liberale globalisering heeft geleid: meer ongelijkheid, onveiligheid en ontwrichting van de samenleving, onderinvesteringen in infrastructuur, milieuvervuiling die leidt tot gezondheidsproblemen. Ook werd het gebrek aan afstemming tussen het klimaatbeleid en de beslissingen van de wereldhandelsorganisatie aangekaart. De doelstelling van ontwikkeling moet immers zijn om hogere sociale en milieustandaarden af te dwingen over de hele wereld. De aanpak van de wereldhandelsorganisatie bewerkstelligt eerder het tegenovergestelde en heeft eerder geleid tot sociale en ecologische dumping.

Om de uitdaging van klimaatverandering aan te gaan zijn partnerschappen nodig, tussen overheid, industrie, vakbonden en civiele samenleving. De stelling dat het klimaatbeleid slecht is voor de economie en de werkgelegenheid gaat niet meer op. Zo zullen er in Duitsland tegen 2020 meer werknemers tewerkgesteld zijn in de sector van de hernieuwbare energie dan in de auto-industrie. Het klimaatbeleid zal wel gepaard gaan met verschuivingen in werkgelegenheid. Deze transformatie van onze industrie zal begeleid moeten worden via sociaal overleg, sociale bescherming en opleiding- en vormingsprogramma’s voor werknemers.

Winners en verliezers

Het klimaatbeleid verandert de economische structuren en zal winners en verliezers genereren. Maar dit is altijd zo geweest in een globaliserende economie. De partijen die bij dit proces het meest te verliezen hebben, zullen echter het luidst roepen. Terwijl we onze aandacht moeten richten naar de kansen voor de toekomst. Volgens de OESO houdt het veelgehoorde argument van carbon leakage (delokalisatie van energie intensieve activiteiten naar landen met minder strenge milieunormen) economisch geen steek. Het is een gemakkelijk excuus om niets te doen. Een groot deel van het bedrijfsleven is klaar om de nodige klimaatinvesteringen te doen, maar ze wachten op signalen van de politiek die hen voldoende zekerheid bieden. Wat we nodig hebben is politieke wil!

Opmerkelijk was de uitspraak van Ivo de Boer dat hij de internationale agenda niet wou overladen. Hij stuurde eerder aan op een kort maar krachtig klimaatakkoord, dan op een overladen overeenkomst. Alleen wat noodzakelijk internationaal geregeld moet worden (verdeling van de inspanningen) moet in het nieuw verdrag. Wat nationaal geregeld kan worden, behoort tot de verantwoordelijkheid van de lidstaten. Een duidelijk signaal dat het VN secretariaat eerder weigerachtig staat om de sociale agenda mee te nemen in het onderhandelingsproces.

VN klimaatconferentie Bali

Van 3 tot 14 december kwamen 190 landen bijeen in het Indonesische Bali om te onderhandelen over een nieuw klimaatverdrag dat moet aansluiten op het Kyoto-protocol dat in 2012 afloopt. Tegen 2009 moet een allesomvattend klimaatakkoord op papier staan, om alle landen de nodige tijd te geven om het te bekrachtigen tegen 2012.

Het Internationaal Vakverbond met een uitgebreide delegatie aanwezig 

De onheilsberichten over de toestand van de aarde volgen elkaar in snel tempo op. Het ijs op de Noordpool smolt deze zomer een stuk sneller dan verwacht, de toename van het CO2-gehalte in de atmosfeer zette zelfs een versnelling in. Wetenschappers hebben daar meerdere verklaringen voor. De economische groei gaat in vele delen van de wereld nog altijd gepaard met meer verbranding van fossiele brandstoffen en samen met de bevolkingsgroei versterken ze de honger naar consumptiegoederen. Bovendien zouden, juist ten gevolge van de opwarming, de oceanen en de evenaarswouden minder CO2 opnemen uit de lucht. Het klimaatprobleem is mogelijk in een zichzelf versterkende fase gekomen.

Binnenkort zal de Noordelijke ijszee er ijsvrij bijliggen en zal Groenland helemaal groen zijn. Klaar om ontgonnen te worden door multinationale ondernemingen op zoek naar fossiele brandstof. Maar de medaille heeft ook een keerzijde. Hitte, droogte en watertekort voor velen in het Zuiden. Wervelende stormen die alles vernielen op hun doortocht. Verstedelijkte gebieden, nu nog aan de monding van grote rivieren, binnen afzienbare tijd opgeslorpt door het wassende water. En een ontregelde natuur die zijn diversteit aan soorten verliest, een rijkdom die de mens nog nodig heeft voor zijn overleven.

Inheemse volkeren merken dat hun leefomgeving verandert en zeggen dat moeder aarde ziek is, “ze heeft koorts”. Westerse economen willen het becijferd zien. Ze steken de klimaatvoorspellingen in ingewikkelde kosten baten-modellen en stellen vast dat de kosten van een ongewijzigd beleid zeer hoog zullen oplopen. Veel hoger dan de kost voor de vele nieuwe investeringen ter voorkoming van gevaarlijke klimaatverandering. Het klimaatprobleem wordt door een aantal wereldbefaamde economen omschreven als de grootste vorm van marktfalen, ooit gezien.

Maar het is nog niet al kommer en kwel. Het is wel één voor twaalf. Indien snel gehandeld wordt, en de vele schone technologiën op grote schaal ingezet worden, is het tij nog te keren. Er is dus WERK aan de winkel, véél werk. Met kansen voor het creëren van nieuwe arbeidsplaatsen voor goed opgeleide werknemers. Kansen om een basipakket aan duurzame energievoorziening beschikbaar te stellen voor ons en onze kinderen. Want de reserves aan fossiele energiebronnen zijn eindig. En ook de kans om via een massale transfer van milieuvriendelijke technologieën, stabiele relaties op te bouwen met de minder geïndustrialiseerde landen uit het Zuiden. Zo wordt ook, op structurele wijze, gewerkt aan het internationale veiligheidsprobleem.

Zij die de klimaatopwarming of de ernst ervan nog in vraag durven stellen, worden steeds schaarser. Het zijn veelal lobbyisten die een belang te verliezen hebben bij een ambitieus klimaatbeleid dat het gebruik van fossiele brandstoffen terugdringt. Ze spelen handig in op het psychologisch verdringingseffect dat ontstaat wanneer een onaangename boodschap zich aankondigt. In de pers verschijnen er dan regelmatig artikels die de klimaathetse in vraag stellen. In de wetenschappelijke vakliteratuur daarentegen, is de consensus over het klimaatprobleem zo goed als volledig. Het wordt dus hoog tijd dat het middenveld de politici overal ter wereld voor hun verantwoordelijkheid plaatst.

De transitie naar een koolstofarme economie is technisch mogelijk, op voorwaarde dat er internationale afspraken gemaakt worden waaraan iedereen zich houdt. Alle landen moeten zich verbonden voelen, vanuit het besef dat er geen alternatief is en er dringend moet gehandeld worden. Daarom komen de ministers van alle landen ter wereld jaarlijks samen op de internationale klimaatconferentie. Deze conferentie, onder de brede vleugels van de Verenigde Naties, vindt dit jaar plaats op het Indonesische eiland Bali.

In Bali wordt een doorbraak verwacht. Een principieel akkoord over het kader van een nieuwe klimaatovereenkomst. Alle landen moeten verbonden worden door een rechtvaardig en kostenefficiënt klimaatbeleid, dat aansluit op periode van het Kyoto protocol (2008-2012). De mondiale uitstoot van broeikasgassen moet tegen 2050 minstens gehalveerd worden. Rekening houdend met het solidariteitsprincipe, dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, betekent dit dat de geïndustrialiseerde landen (die het meest hebben bijgedragen tot het klimaatprobleem) het voorbeeld geven. Europa engageerde zich reeds om, binnen de context van een internationaal akkoord, de uitstoot aan broeikasgassen met 30% te verminderen tegen 2020. Ook het Europees Vakverbond (EVV) stelde dat het klimaatprobleem een kwestie is van sociale rechtvaardigheid. Volgens het EVV moet de EU zijn uitstoot aan broeikasgassen tegen 2050 met minstens 75% terugdringen. 

Een dergelijke omslag in onze manier van produceren en consumeren zal uiteraard niet zomaar op het speelveld van de vrije markt tot stand komen. Daarvoor is een sterke overheid nodig die via een flankerend beleid corrigerend optreedt. Het EVV liet daarom een studie maken over de mogelijke gevolgen van een streng klimaatbeleid voor de werkgelegenheid in Europa. De vaststelling is dat er binnen de sectoren verschuivingen zullen optreden: fossiele energieomzetting wordt vervangen door hernieuwbare energie; energieleveranciers worden leveranciers van energiediensten; in de industrie wordt maximaal ingezet op energie efficiëntie; privé vervoer wordt ontmoedigd terwijl collectief vervoer de norm wordt; ... enz. Maar globaal gezien zou er geen verlies aan werkgelegenheid zijn. Integendeel, indien deze transitie goed wordt voorbereid en de hervormingen begeleid worden door sociaal overleg, zullen werknemers tijdig geschoold kunnen worden voor hun nieuwe taken. Dit zijn randvoorwaarden voor het behoud van onze welvaart en het bereiken van een stabiele samenleving in de 21ste eeuw.

Eens de klimaatdoelstellingen vastliggen, moeten de vakbonden een centrale plaats krijgen in het onderhandelingsproces om erop toe te zien dat de herstructurering van onze samenleving en industrie op een sociaal rechtvaardige wijze gebeurt. Met deze boodschap vertrekt een uitgebreide delegatie van het Internationaal Vakverbond in december naar de klimaatonderhandelingen in Bali. Maar er moet eerst een internationaal akkoord komen. En daarvoor moet de politieke druk opgevoerd en aangehouden worden. Ook dit is een taak van de vakbondswerking.

Het is al lang 5 na 12 en de klok blijft tikken

Een 'should be' Amerikaanse president kan dan toch nog geschiedenis schrijven en deze hopelijk wat bijsturen. Al Gore overtuigt met zijn film 'An inconvenient truth' (een ongepaste waarheid) beleidsman en huisvrouw dat klimaatverandering iets is waar men rekening mee moet houden. Ook bij weerman Frank de Boosere is het tij gekeerd: de warme herfst, de Katarina-stormen worden niet meer als een fenomeen van 'grillige Moeder Natuur' bestempeld. Ze zijn het gevolg van 'het versterkte broeikaseffect', versterkt door menselijke activiteiten.

Het instrument van de klimaatverandering is een natuurlijk verschijnsel, het broeikaseffect. De zon zorgt voor de warmte op aarde. Die warmte wordt voor een deel opgenomen door de aarde zelf maar voor een belangrijk deel ook terug in de ruimte gekaatst. De warmte wordt door de aarde opnieuw uitgestraald als infraroodstraling. Dit gebeurt door broeikasgassen (waterdamp, koolstofdioxide, methaan, lachgas,...) die de aarde omringen en een deel van de ingestraalde zonnewarmte vasthouden.

Op die manier zorgen zij ervoor dat een belangrijk deel van de warmte, afkomstig van de zon, toch binnen de atmosfeer blijft. Zonder dit natuurlijke broeikaseffect zou veel van de zonnewarmte in de ruimte verloren gaan en zou de gemiddelde temperatuur op aarde 18° Celsius onder nul zijn. Voor de industrialisering waren er enkel natuurlijke klimaatschommelingen (cf. Ijstijden, variabele zonneactiviteit). Sindsdien kennen we het fenomeen ‘versterkt broeikaseffect’.

Dit wordt veroorzaakt door menselijk handelen zoals een versterkte uitstoot van koolstofdioxide, methaan, lachgas en drijfgassen. De substantiële stijging van het broeikasgasniveau in de atmosfeer wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de toenemende uitstoot van fossiele brandstoffen (kolen, olie, natuurlijk gas) gebruikt voor elektriciteitsproductie, drijfkracht van voertuigen, het laten functioneren van fabrieken, verwarming en koeling van huizen,... Ook ontbossing en bepaalde landbouwtechnieken stoten broeikasgassen uit.

De opeenhoping van deze gassen zorgt voor een verandering van het klimaat op aarde doordat zij meer zonne-energie op aarde houden.

Sinds het einde van de 19e eeuw (dus vanaf de industrialisering) is de gemiddelde temperatuur op aarde met 0,3 tot 0,6°C gestegen. Er bestond lange tijd twijfels en scepticisme over de menselijke oorsprong van dit versterkte broeikasgaseffect. In 1988 echter, richtte de Verenigde Naties een wereldwijd forum op, het IPPC (Intergovernmental Panel on Climate Change). Dit was een eerste stap in de erkenning van een menselijke oorzaak.

Dit intergouvernementeel Panel heeft in de loop der jaren steeds meer wetenschappelijk materiaal verzameld dat duidelijk maakt dat een verdere ontkenning van de menselijke oorsprong van de recente klimaatverandering niet meer houdbaar is.

Studies voorspellen dat de gemiddelde temperatuur op aarde met 4,3 graden Celsius zal stijgen tegen 2100. Maar tegelijkertijd stelt de studie dat er 40% kans is dat de opwarming uiteindelijk hoger zal uitvallen dan het ‘worst case scenario’ in de IPPC-prognose.

Terrasjesweer in november: een zaligheid met nare gevolgen

De gevolgen van dit versterkte broeikasgaseffect zijn zowel fysisch als sociaaleconomisch van aard. De fysische effecten zoals stijging van de zeespiegel, verdwijnen van bepaalde eilanden, teloorgang van de biodiversiteit in bepaalde gebieden, verdere verwoestijning en nieuwe woestijngebieden die ontstaan, meer frequente en steeds intensere natuurrampen, ... zorgen voor sociaaleconomische problemen. Nieuwe droogtegebieden betekenen minder voedsel en uitwijking van de bevolking naar andere streken. Veranderende natuurfenomenen betekenen ook de komst van nieuwe ziekten of varianten van bestaande, vaak in een intensere vorm waartegen geen of onvoldoende medicijnen bestaan.

De leegloop van de ontstane onherbergzame gebieden betekent minder plaats voor een wereldbevolking, die toch een continue groei vertoont, samentroeping en minder voedsel voor een grotere bevolking die dus meer honger lijdt en daardoor ziektes bij creëert. Ook de mogelijkheden tot tewerkstelling slinken in dergelijke situaties. De gevolgen van de klimaatverandering dringen door in alle facetten van de samenleving en ook in alle soorten maatschappijen. Het is een feit dat de ontwikkelingslanden het zwaarst getroffen zullen worden door de effecten van dit fenomeen, doch de industrielanden zullen er ook de pijnlijke gevolgen van ervaren.

Zo zullen bijv. landbouwgronden door een stijgende zeespiegel teloor gaan, zullen grote infrastructuurwerken moeten gebeuren om de dijken hun functie laten te behouden en zal ook het Westen meer intense natuurrampen moeten ondergaan. Door de opwarming van de aarde zullen hier ook nieuwe tropische ziektes ontstaan, enz...

Wie heeft het gedaan?

Door de verbranding van fossiele brandstoffen zoals kolen, olie en gas in de industrie, bij de elektriciteitsproductie en het transport en voor de verwarming komt koolstofdioxide (CO2) vrij. CO2 is veruit de belangrijkste broeikasfactor op wereldvlak. Zij heeft een aandeel van meer dan vijftig procent in het broeikaseffect. Het is in de eerste plaats noodzakelijk hetgebruik van koolstofdioxide terug te dringen of haar door niet-verontreinigde stoffen te vervangen.

Dit brengt ons bij de hoofdactoren in de klimaatopwarming: de industrie, het transport en de energiesector. Binnen deze drie sectoren moet er ten eerste aan een attitudewijziging gewerkt worden: mensen (zowel de grootindustrie, het middelgrote bedrijf als de kleine huishoudens) moeten rationeler en gematigder omspringen met het gebruik van deze broeikasgassen.

Ten tweede moeten schone technologieën de vervuilende gaan vervangen en moet men het onderzoek hiernaar stimuleren. Hier ligt de verantwoordelijkheid bij de fabrikanten. Zij moeten bereid zijn te investeren in milieuvriendelijke technologieën, ondanks een mogelijke initiële kost.
Er ligt ook een verantwoordelijkheid bij de overheden (globale, regionale, nationale en lokale). Zij moeten beleidslijnen uittekenen en maatregelen treffen die tot een rationeler gebruik van de vervuilingsbronnen en investeringen in schone technologieën leiden.

Dit kan via aansporende maatregelen (vb. premies voor bedrijven die in schone technologie investeren, kortingen voor het gebruik van milieuvriendelijke energiebronnen) of via afstraffende beleidsregels (vb. energietaks op vervuilend energiegebruik). De tussenkomst van de overheid wordt, zeker in het initiële stadium, noodzakelijk geacht om die milieuvriendelijke initiatieven een kans op de markt te geven en ervoor te zorgen dat zij competitief niet ingeschakeld worden op diezelfde markt.

De drie bovengenoemde sectoren hebben er zelf alle belang bij de huidige (vervuilende) toestand te behouden.

De publieke opinie is niet vastbesloten om een aantal kilometer rijplezier op te offeren ten gunste van het milieu, laat staan een paar euro’s meer te willen betalen voor haar benzine. Hier moet de politicus politieke risico’s durven nemen, in het belang van de toekomstige generaties die part noch deel hebben aan onze ad-hoc problemen. Tezelfdertijd ondervindt de politicus toch een zekere druk van bepaalde milieu- en drukkingsgroepen die zelf al hun stem in een deel van de publieke opinie hebben laten gelden om wel degelijk een klimaatbeleid te voeren.

Probleem negeren is spaarpot aanspreken

Een studie van het milieujaarprogramma van de Verenigde Naties berekende de kosten van de gevolgen van de klimaatverandering bij niet-handelen. Tegen 2040 zouden de kosten, die gepaard gaan met de opwarming van de aarde, kunnen oplopen tot 1.000 miljard dollar per jaar. Kosten van de klimaatverandering op zich en de risico’s op droogte, overstromingen en wervelstormen.

Deze studie houdt rekening met het geheel aan economische verliezen. Daarenboven kan elke bijkomende graad aardeopwarming 2.000 miljard extra kosten. Het gaat wel om het ergst mogelijke scenario, maar is wel gebaseerd op de tendensen en de feiten van de laatste jaren.

Kapstok voor beleidshandelen: het Kyoto-Protocol

Het Kyoto-Protocol werd in 1997 in het kader van de Verenigde Naties uitgewerkt. Het ‘versterkte broeikaseffect’ en de daarmee samenhangende klimaatverandering werd toen mondiaal erkend als een prioritair aan te pakken probleem. Verschillende industrielanden, niet de VS, kwamen CO2-reductiedoelstellingen overeen om tegen 2012 de uitstoot te verminderen, met als referentieniveau de uitstoot van 1990. Voor België betekent dit een vermindering van CO2-uitstoot met 7,5 procent tegen 2012. De manier waarop dat gebeurt, moet het land zelf uitwerken. Logischerwijze zou je denken dat dit enkel kan door maatregelen op vlak van energie, transport, e.d.

Dit zou, op korte termijn, te ingrijpend zijn voor de economie. Vandaar dat binnen dit Kyoto-kader ‘flexibele mechanismen’ werden uitgewerkt. Dit zijn bijkomende, dus niet via interne beleidsmaatregelen, instrumenten voor de landen om aan hun reductiedoelstellingen te raken.

Voorbeelden hiervan zijn het bijkopen van uitstootrechten van een land of een sector die een ‘overschot aan uitstoot’ heeft1 of het aanplanten van bossen (een boom neutraliseert namelijk een bepaalde hoeveelheid CO2 of het investeren in een proper technologieproject in een ontwikkelingsland. Jaarlijks wordt een opvolgconferentie voor Kyoto gehouden. In november werd deze in Nairobi gehouden. Men trachtte er de eerste krijtlijnen voor een post 2012-protocol uit te tekenen, zonder veel resultaat echter.

Vlaams Klimaatplan blijkt onhaalbare kaart

In 2005 werd een nieuw Vlaams Klimaatplan voorgesteld. Het was duidelijk geworden dat de doelstellingen, die Vlaanderen was aangegaan via het Kyotoprotocol, niet tijdig zou halen. Het opzet was via een brede consultatie van het middenveld, in de vorm van een klimaatconferentie en diverse werkgroepen, het nieuwe plan voor te bereiden. Door dit brede draagvlak waren de verwachtingen hooggespannen.

Het resultaat was echter teleurstellend. Het plan blijft een bundeling van initiatieven die al lopende zijn of waarvoor al een beslissing genomen was alsook overwegend ‘vrijwillige’ maatregelen. Er werd niet gespecificeerd hoeveel CO2-reductie via binnenlandse maatregelen moet bekomen worden en voor welk reductiepercentage men bij het buitenland gaat aankloppen.

En wat zegt het ACW?

Er moet dringend werk gemaakt worden van bindende beleidsplannen voor de periode na 2012. Zoveel mogelijk (en liefst alle) industrielanden moeten het Kyoto-protocol en haar bindende doelstellingen onderschrijven. Kyoto was echter maar een eerste, schuchtere stap.

Om de klimaatverandering echt een halt toe te roepen zijn veel verregaandere maatregelen nodig. Hiertoe zijn ambitieuze en bindende reductiedoelstellingen nodig. We vinden dat prioritair werk moet gemaakt worden van ‘actie in eigen land’. Via fl exibele mechanismen creëer je geen structurele aanpak voor het klimaatprobleem. In het energie- en transportbeleid is een echte ommezwaai, transitie van het systeem, nodig en daarvoor heb je binnenlandse maatregelen nodig.

ACW vraagt speciale aandacht voor sociaal zwakkeren binnen het klimaatbeleid. Op wereldniveau zien we dat de ontwikkelingslanden de eerste slachtoff ers zijn van de gevolgen van de klimaatverandering (vb. verwoestijning). ACW vraagt inspanningen van de industrielanden om deze gevolgen op te vangen en vraagt deze industrielanden hun historische verantwoordelijkheid op te nemen. Er moet ook een klimaatbeleid voor de ontwikkelingslanden uitgewerkt worden en de industrielanden zullen hiervoor een deel van de lasten moeten dragen.

In eigen land worden mensen aangezet tot spaarzaam energiegebruik en investeringen om je woning meer energiezuinig te maken. Sociaal zwakkeren wonen veelal in slecht geïsoleerde, energieverslindende huurwoningen. Investeringen vragen een beginkapitaal; wat hen ontbreekt. ACW pleit dat ook sociaal zwakkeren het recht verwerven duurzaam om te gaan met energie en vraagt hiervoor aangepaste overheidsmaatregelen zoals de derde betalerlening. 

Klimaatverandering aanpakken vanuit huiskamer

In september en oktober 2006 werden 6722 Belgen bevraagd over hun kennis over de klimaatverandering en wat zij daar zelf aan kunnen doen. Er kwamen 1511 antwoorden terug.  Wat blijkt: 78 procent weet dat het Kyoto-protocol het VN-verdrag is dat de  klimaatverandering moet aanpakken en dat vorig jaar eindelijk in werking trad. Een ruime meerderheid, 65 procent, beseft ook dat de gevolgen van de klimaatverandering al zichtbaar zijn in België en 66 procent vindt het een prangend probleem dat moet aangepakt worden.

Men is zich ondertussen bewust van het fenomeen, toch bestaan er nog heel wat misvattingen over. Een foute maar wijdverspreide opvatting is dat het Kyoto-protocol ook wat te maken heeft met luchtvervuiling, de ozon-problematiek en de zure regen. Dit is dus niet het geval. Het Kyoto-protocol moet de opwarming van de aarde aanpakken en o.a. het Montreal-Protocol bevat regels om de ozonproblematiek op te lossen.

Met de kennis over de oorzaken van klimaatverandering valt het nogal mee. Zestig procent wijdt het probleem aan de uitstoot van broeikasgassen. De industrie wordt voor 69 procent als de grote boosdoener aangewezen en een ruime helft beseft ook dat de uitstoot van auto's een zeer belangrijke factor is.

Gevolgen: afsmelten van de ijskappen, overstromingen en hittegolven

De kennis over de gevolgen van de klimaatverandering is bij het gros van de ondervraagden vrij accuraat. 84 tot 94 procent verwijst naar het afsmelten van de ijskappen, meer overstromingen en hittegolven, krachtige stormen en de verhoging van de zeespiegel. Maar wie verantwoordelijk is voor de oorzaken en wie zal delen in de brokken heerst veel verwarring. Slechts een kwart weet dat de westerse industrielanden verantwoordelijk zijn voor het probleem en dat de ontwikkelingslanden er de grootste gevolgen zullen van ondervinden.

Zelf steentje bijdragen

Enorm opvallend is dat heel wat Belgen zich niet bewust is van het eigen aandeel. Respectievelijk 24 en tien procent weet dat het verwarmen van huizen en het verbruiken van elektriciteit belangrijke oorzaken zijn van de klimaatverandering. Weinigen beseffen dus dat men door te verwarmen met fossiele brandstoffen als gas, stookolie en steenkool
broeikasgassen uitstoot of dat er voor de opwekking van elektriciteit veel fossiele brandstoffen worden verbrand. Grotendeels van de ondervraagden, 71 procent, wijst met de vinger naar de industrie als grootste verantwoordelijke en slechts een fractie duidt zichzelf aan.

En hier wringt nu net het schoentje. Voor de industrie bestaat al heel wat regelgeving, best practices ed. Bovendien ontwikkelt zich een bewustzijn bij de industrie dat men ook economisch wel kan varen door de nodige milieuvriendelijke investeringen te doen. Het bewustzijn zelf te kunnen bijdragen tot een vermindering van de uitstoot van broeikassen
is er bij de gewone bevolking nog niet.  En dat is vrij problematisch. Het aandeel van de uitstoot van broeikasgassen van de huishoudens en het verkeer stijgt.

Volgens de recentste cijfers (2003) is 34 procent van de broeikasgassen afkomstig van de industrie en komt 22 procent door de verwarming van gebouwen, 18 procent door het  transport en 16 procent door de elektriciteitsproductie.

Opvallend is dat zeventig procent ermee eens is dat de klimaatverandering kan worden tegengehouden door onze manier van leven te veranderen. Hiertegenover staat dat slechts 53 procent denkt daar een individuele rol in te kunnen spelen. Ook houdt een meerderheid
geen rekening met het energieverbruik bij de aankoop van een wasmachine, koelkast,televisie, etc.

Wat doet het ACW?

  • Vooreerst trachten we bij onze leden het bewustzijn en draagvlak, dat ook wij kunnen en moeten bijdragen aan de strijd tegen de klimaatverandering, aan te wakkeren. Minder energie proberen te verbruiken, onnodig transport vermijden is een eerste piste. Rationeel energiegebruik, zorgen voor een degelijke isolatie in huis, hoogrendementsketels en zuinige apparatuur is een tweede.
  • Daarnaast besteden we heel wat aandacht aan deze problematiek in Bruis. Zo werden in de vorige Bruis een aantal tips meegegeven hoe je op een eenvoudige en goedkope manier aan energiebesparing kan doen en dus meewerkt aan de strijd tegen de klimaatverandering.
  • Een aantal ACW-verbonden werken acties uit die mensen bewust maken en helpen hun energieverbruik te veranderen. In Limburg is er het energieactieplan, in Brugge de samenaankoop van zonnepanelen. KBG werkt mee aan de klimaatwijken. In deze wijken gaat een ganse buurt de weddenschap aan zijn energieverbruik met acht procent te doen dalen in zes maanden tijd.

Het klimaatbeleid in België - We moeten dringend aan het werk!

De internationale klimaatafspraken moeten uiteraard ook in België en Vlaanderen nageleefd worden. Dit zal niet van een leien dakje lopen: de uitstoot van broeikasgassen stijgt nog altijd, terwijl ze zou moeten dalen. Studies tonen ook aan dat België, samen met Nederland, van alle Europese landen de hoogste kosten zal hebben om aan de Kyoto-doelstellingen te voldoen. We leven nu eenmaal in een dichtbevolkt land met een industrie die energie-intensief is. Dit is echter geen reden om bij de pakken te blijven zitten. Integendeel, hoe langer we wachten, hoe duurder de aanpak van het probleem zal uitvallen.

Nationaal klimaatplan

Om het probleem aan te pakken keurde de federale regering in maart 2002 het nationaal klimaatplan goed. Het plan inventariseert vooral de maatregelen die al genomen zijn door de federale overheid en de gewesten op het gebied van mobiliteit, energiebesparing, gevaarlijke stoffen enz. De nieuwe maatregelen die de regering aankondigt vallen mager uit. Het plan kondigt een studie aan waarin de sociaal-economische gevolgen van de invoering van een energietaks zullen bekeken worden. Verder werkt men aan een 'richtplan producten' om via het productbeleid de uitstoot van broeikasgassen aan te pakken. Het nationaal klimaatplan stelt het ACV teleur. Het grootste gedeelte van het plan beschrijft maatregelen die al genomen zijn. Er worden heel weinig nieuwe maatregelen aangekondigd. De energietaks wordt nog maar eens op de lange baan geschoven. En dit terwijl onze buurlanden (bv. Nederland en het Verenigd Koninkrijk) niet stilzitten: zij hebben al een energietaks ingevoerd. Ze voorzien wel in een korting voor energie-intensieve industrie‘n.

Energietaks

Het ACV heeft zich al langer een voorstander getoond van een energietaks. Deze taks moet dan wel gecombineerd worden met een verlaging van de sociale lasten. Alleen daardoor kan extra tewerkstelling gecre‘erd worden. Voor bedrijven die veel energie verbruiken moet een verlaging of een vrijstelling van de taks voorzien worden. In onze buurlanden gebeurt dat ook. Dat betekent voor het ACV niet dat deze bedrijven helemaal niets moeten doen voor energiebesparing. Ze kunnen bijvoorbeeld strenge afspraken met de overheid maken om hun energieverbruik effici‘ënter te maken. Ook de gezinnen met lage inkomens - waar energie een groot deel uit hun budget hapt - moeten vrijgesteld worden van de energietaks. Dat dergelijke taks een goed idee is, bewijzen studies al jarenlang. Onlangs heeft het federaal planbureau een dergelijke studie uitgevoerd. De invoering van een taks zou zowel banenwinst (zo'n 3000) als een verlaging van de uitstoot van broeikasgassen opleveren. 

Wachten op Vlaamse plannen

Ook de Vlaamse overheid heeft boter op het hoofd. Zij heeft immers belangrijke bevoegdheden inzake REG (rationeel energiegebruik). De Vlaamse overheid heeft weliswaar al een aantal maatregelen genomen die ervoor moeten zorgen dat de intercommunales meer aandacht besteden aan REG. Maar het blijft wachten op een goed REG-plan of een REGdecreet. En waar blijft het al lang beloofde Vlaamse klimaatplan? Er zijn nochtans veel REG-maatregelen die geld opbrengen. Het ACV vraagt al lang dat de Vlaamse regering, net zoals in Wallonië‘, een budget voorziet voor isolatiewerken bij gezinnen met lage inkomens. 

Zowel de federale als de Vlaamse overheid hebben dus duidelijk nog heel wat werk voor de boeg als ze de normen van het Kyoto-protocol willen halen. 

Kyoto & co

Instrumenten om het broeikaseffect te lijf te gaan

We hadden het al over het broeikaseffect en de effecten ervan op de maatschappij. Ook de overheden zijn zich bewust van de ernst van het probleem. Al in 1990 beslisten de Verenigde Naties om ‘iets’ aan het klimaatprobleem te doen. Verschillende jaren van voorbereiding resulteerden uiteindelijk in het bekende Kyoto-protocol. Hierin beloofden verschillende landen een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. In de periode 2008-2012 zouden ze de emissies terugdringen met 5,2% (vergeleken met 1990). Het zijn vooral de industrielanden die inspanningen moeten leveren, de ontwikkelingslanden moeten voorlopig niets doen. Als de beloftes van het Kyoto-protocol gehaald worden, betekent dit niet dat het klimaatprobleem opgelost is. Deskundigen zien de vermindering van de uitstoot maar als een eerste stap. De inspanningen om de uitstoot naar beneden te halen mogen dus niet stoppen na 2012.

Woorden en daden

De Europese landen moeten 8% van hun emissies naar beneden halen. Europa heeft voor elk land apart een percentage afgesproken dat het moet halen om aan de doelstellingen van het Kyoto-protocol te voldoen. Zo moet Belgi‘ zijn emissies met 7,5% naar beneden halen. Zeggen dat de emissies naar beneden moeten en ze ook werkelijk naar beneden halen, zijn twee verschillende zaken. Dat laatste kost immers geld en dus kijkt iedereen (overheid, bedrijven, gezinnen, transportsectorÉ.) zoÕn beetje naar elkaar als het er op aankomt inspanningen te doen. Toch zijn er heel wat acties mogelijk: zo hebben verschillende buurlanden al een of andere vorm van energietaks ingevoerd. Hiermee hopen ze het energieverbruik naar beneden te halen, want energieverbruik zorgt voor uitstoot van broeikasgassen. Er zijn al verschillende voorstellen geweest om voor heel Europa een energietaks in te voeren, maar deze pogingen zijn tot nu toe mislukt. In de prioriteitennota heeft de regering Verhofstadt beloofd om de invoering van dergelijke taks in Belgi‘ te onderzoeken, maar van een echte invoering is voorlopig nog geen sprake. Een andere veelgebruikte piste is het sluiten van overeenkomsten met bedrijven. Deze bedrijven beloven dan energiezuinig te werken. Ze moeten van de overheid tot de wereldtop behoren in hun sector als het op energiezuinig werken aankomt. In Vlaanderen is men volop bezig om dergelijke overeenkomsten af te sluiten: met de chemische industrie, de staalindustrie en de papierindustrie.

Kyotomechanismen

Om de kosten van de uitstootvermindering te drukken laat het protocol van Kyoto ook toe om in andere landen dan in het eigen land investeringen te doen die de uitstoot van broeikasgassen naar beneden helpen. Het klimaatprobleem is immers een wereldwijd probleem, dus of je nu de uitstoot in Belgi‘ of in Hongarije naar beneden haalt, maakt niet zo'n groot verschil. Vaak zijn investeringen om de uitstoot te doen dalen in ontwikkelingslanden of Oostbloklanden goedkoper en dat maakt wŽl een verschil. Deze mogelijkheden heten de Kyotomechanismen en er bestaan drie soorten: de verhandelbare emissierechten, de gemeenschappelijke uitvoering en het mechanisme voor schone ontwikkeling.

Verhandelbare emissierechten

In het eerste mechanisme, nl. de verhandelbare emissierechten, krijgt elk bedrijf dat broeikasgassen uitstoot een aantal emissierechten. Vervuilt het bedrijf meer dan dat het rechten heeft, dan kan het investeringen betalen om de vervuiling terug te dringen of extra rechten opkopen. Vervuilt het minder, dan kan het rechten verkopen. Het hele systeem zit ingewikkeld in elkaar als je dit in de praktijk wilt uitvoeren. Belgi‘ heeft er nog maar weinig ervaring mee. Europa werkt wel aan een richtlijn om vanaf 2005 zo'n emissiehandel op poten te zetten.

Joint Implementation

Een tweede mechanisme is dat van 'gezamenlijke toepassing' (men gebruikt bijna altijd de Engelse term: Joint Implementation). Volgens dit mechanisme kan een land dat een project van emissiereductie in een ander land financiert deze reductie van zijn eigen doelstelling aftrekken. In het gastland worden ze erbij geteld. Zonder in eigen land iets te doen vermindert dit land toch zijn uitstoot. Concreet gaat het om uitwisselingsprojecten met de Oostbloklanden: landen waar de reductie van broeikasgassen nog in haar kinderschoenen staat en waar met relatief weinig middelen grote reducties verkregen kunnen worden.

Clean Development

Het derde mechanisme, het Ôpropere ontwikkelingsmechanismeÕ (Clean Development Mechanism) is eigenlijk hetzelfde als het tweede. Alleen gebeurt hier de investering in ontwikkelingslanden. Bijzondere projecten zijn hier bijvoorbeeld de aanleg van bossen. Omdat ze koolstofdioxide vasthouden kunnen ze ook worden meegeteld als een maatregel om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Vanzelfsprekend is de controle en de juiste verwerking van alle gegevens heel belangrijk. Er zijn dan ook veel onderhandelingen nodig geweest om hierover overeenstemming te bereiken.

Meer info over deze icoontjes ?

LENTEZOMERHERFSTWINTER
ACW-lijnC-lijnlevenslijn

Ga naar ACW Zingeving op Facebook
 

Contact opnemen

  • beweging.net - algemeen secretariaat
    Postbus 20 - 1031 Brussel
    tel. 02 246 31 11
    e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • Wegbeschrijving