ACW en het Vlaams klimaatbeleid

Inleiding

In 2007 werd het Europese klimaat- en energiepakket goedgekeurd. Daarmee engageerden de lidstaten zich om de broeikasgasemissies met minstens 20 % te verminderen in 2020 t.o.v. 1990. Dat zou 30 % worden indien ook andere industrielanden zich daartoe engageerden. Het pakket houdt ook een energiebesparingsdoelstelling van 20 % in en een stijging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het bruto eindgebruik tot 20 %.

Om de CO2-doelstelling te bereiken zijn er twee sporen: het Europese systeem van CO2-emissiehandel en de doelstellingen per lidstaat. De sectoren die onderworpen zijn aan CO2-emissiehandel krijgen een gezamenlijke Europese uitstootlimiet: in 2020 moeten ze 21 % minder CO2 uitstoten t.o.v. 2005. Voor de andere sectoren, zoals de gebouwen-, transport- en landbouwsector en de kleinere industriële installaties, werden CO2-doelstellingen per lidstaat opgelegd. België moet de CO2-uitstoot in de niet-ETS sectoren in 2020 met minstens 15 % gereduceerd hebben. Dat zou allicht 21 % worden wanneer Europa beslist om de CO2-doelstelling op te trekken tot 30%. Die doelstelling werd nog niet verder verdeeld over de gewesten. Een belangrijk verschil voor de periode 2013-2020 is dat Vlaanderen in de niet-ETS sectoren vanaf 2013 jaarlijks, lineair afnemende reductiedoelstellingen zal moeten realiseren.

De Vlaamse overheid is momenteel bezig met de opmaak van een Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020, waarin moet aangegeven worden hoe de CO2-doelstellingen gerealiseerd zullen worden. De opmaak van het Klimaatbeleidsplan verloopt erg moeilijk. De besliste en geplande maatregelen zijn ruim onvoldoende om een daling van de CO2-uitstoot te realiseren. Het is dus absoluut noodzakelijk om bijkomende, structurele maatregelen te nemen. 2020 is immers geen eindpunt, maar een punt op een reductiepad dat moet leiden tot een verminderde uitstoot van 80 % tot 95 % in 2050. Voor Vlaanderen betekent dat een gemiddelde jaarlijkse daling van 4 % in de periode 2010-2050. Onderzoek toont aan dat elk uitstel vandaag een significant hogere jaarlijkse investeringskost op middellange termijn met zich meebrengt. Het is de taak van het ACW om zelf maatregelen naar voor te schuiven die niet alleen goed zijn voor het klimaat, maar ook bijkomende baten hebben: betaalbaar wonen, betaalbare energie, werkgelegenheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid, gezondheid, fileproblematiek, kwaliteit van leven, herverdeling. Die bijkomende voordelen zouden een belangrijk criterium moeten zijn bij de selectie van de maatregelen.

De startsituatie

Tijdens de periode 2008-2012 moet de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen met 5,2 % verminderen ten opzichte van 1990. Er wordt prioritair ingezet op interne maatregelen in de verschillende beleidsdomeinen. Om de resterende reductiekloof op te vullen zal de Vlaamse overheid gebruik maken van de flexibiliteitsmechanismen van het Kyotoprotocol. Het eerste Klimaatbeleidsplan bevat een lijst met maatregelen die de Kyoto-doelstelling moet realiseren. De Kyotodoelstelling is in zicht: de uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen daalde met 7,8 %. De grootste emissiereducties werden gerealiseerd in de industrie en de landbouw.

Tegelijk wordt in het Voortgangsrapport 2010 vastgesteld dat in de sectoren die niet onderworpen zijn aan het Europese systeem van de emissiehandel de kloof tussen de doelstellingen en de gerealiseerde reducties toeneemt. De toename van de reductiekloof is vooral te wijten aan twee sectoren: mobiliteit en gebouwen. De ‘Kyotokloof’ is zelfs 3x groter dan voorzien, wat betekent dat er 3x meer emissierechten zullen moeten worden aangekocht. De Vlaamse Regering investeerde tot begin 2010 al 55,4 miljoen euro in de verwerving van zulke emissierechten.

Tabel: aandeel non-ETS sectoren

Tabel: aandeel non-ETS sectoren in de uitstoot van broeikasgassen in 2008 en 2009, de gemiddelde verwachte uitstoot in 2010-2012 in een scenario met klimaatbeleid en de niet-ETS reductiekloof (kton CO2-eq)

Het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020

Ter voorbereiding van de opmaak van het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020 berekende het VITO het reductiepotentieel van de reeds besliste en geplande maatregelen voor de niet-ETS sectoren. De kloof tussen de prognoses en het vooropgestelde reductiepad (-15 % in 2020 t.o.v. 2005) bedraagt voor de periode 2013-2020 24.600 kton CO2-equivalent of een toename van de uitstoot met 0,3 % in plaats van een daling met 15 %. Bij een niet-ETS doelstelling van 21 % loopt het tekort op tot 35 Mton. CO2-eq. Het huidige beleid is dus ruimschoots onvoldoende om de doelstelling van -15 % te halen, laat staan de doelstelling van 21 %.

20121024 vl klimaatbeleid grafiek1

In de conceptnota met een stand van zaken aan de leden van de Vlaamse regering geeft minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur Joke Schauvliege zelf aan dat wat voorligt onvoldoende invulling geeft aan de ambitie van de Vlaamse regering. Doelstelling was om alle interne maatregelen te nemen die technisch en economisch uitvoerbaar en maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Ook aandacht voor beleid en doelstellingen op lange termijn en kostenefficiëntie zijn belangrijke criteria bij de selectie van de maatregelen.

Uit een aantal analyses die voor België gebeurd zijn, blijkt dat de rendabele maatregelen niet voldoende zijn om de Belgische niet-ETS doelstelling van -15 % te bereiken. Het kosteneffectief potentieel zou leiden tot -6 % reductie in 2020 ten opzichte van 2005. Zelfs mét de relatief goedkope technische maatregelen is het niet zeker dat de -15 % doelstelling bereikt zal worden. De onzekerheden in de prognoses impliceren meestal nog een toename van de uitstoot van broeikasgassen en geen daling. Minister Schauvliege geeft in de conceptnota met de stand van zaken aan: “Het zal dus nodig zijn om ook in te zetten op structurele ingrepen, innovatie en beleid gericht op gedragsaanpassingen…
Voor het bereiken van de klimaatdoelstellingen is dus een hoger ambitieniveau en een versnelling nodig in het klimaatbeleid. De reeds genomen en voorgestelde maatregelen zijn vaak eerder incrementele optimalisatiemaatregelen die een positief resultaat opleveren maar niet langer volstaan om aansluiting te vinden bij het korte en lange termijn reductiepad. Een aantal trendbreuken zijn daarom noodzakelijk die enkel kunnen worden gerealiseerd indien voor elke sector de juiste strategische keuzes worden gemaakt bij de uitwerking van beleidsinstrumenten of beleidsplannen. Hierbij dienen overkoepelende klimaatdoelstellingen te worden beschouwd als centraal uitgangspunt en niet als afgeleid resultaat van de eigen sectorale doelstellingen.

Worden de doelstellingen niet gehaald met interne maatregelen, dan zullen er emissierechten moeten worden aangekocht. Aan een CO2-prijs van 5 euro/ton CO2 heeft een tekort van 23 Mton CO2-eq een budgettaire impact van 115 miljoen euro over de periode 2013-2020. Bij een niet-ETS doelstelling van -21 % bedraagt het tekort 35 Mton CO2-eq, of 175 miljoen euro aan een prijs van 5 euro/ton CO2.

Uitstel van reducties in de periode 2013-2020 hypothekeert bovendien ook de volgende periode. Onderzoek toont aan dat elk uitstel vandaag een significant hogere jaarlijkse investeringskost op middellange termijn met zich meebrengt.

20121024 vl klimaatbeleid grafiek2

Vergelijking jaarlijkse investeringskost onmiddellijke actie versus uitstel van actie
Bron: The European Climate Foundation – Technical Analysis Roadmap 2050

De reductiedoelstelling van -15 % voor de niet-ETS sector, die voor 2020 wordt vooropgesteld, is immers geen “einddoelstelling” op zich maar enkel een tussenliggend punt op een reductiepad. De EU Roadmap for moving to a low-carbon economy in 2050 stelt een reductie van broeikasgassen van minstens -80 % voorop in 2050 ten opzichte van de uitstoot in 1990. Daarvoor moet in 2030 de uitstoot van broeikasgassen in de EU Lidstaten met 40 % gereduceerd worden ten opzichte van 1990 en met 60 % in 2040 ten opzichte van 1990.

Voorgestelde strategie ACW

Eerder dan van op een afstand toe te kijken, is het beter om zelf voorstellen te doen voor een sociaal rechtvaardig klimaatbeleid. Daarbij kunnen we twee strategieën volgen:

  1. maatregelen naar voor schuiven die belangrijke sociale baten hebben. Op die manier kan de urgentie van het klimaatprobleem een opportuniteit om ook andere dossiers structureel aan te pakken: betaalbare energie en betaalbaar wonen, werkgelegenheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid, gezondheid, fileproblematiek, kwaliteit van leven, herverdeling;
  1. pro-actief een standpunt voorbereiden voor maatregelen die op dit moment maatschappelijk moeilijk aanvaardbaar zijn: bv. de kilometerheffing voor personenwagens. Zelf schuiven we dit niet naar voor, maar we onderzoeken wel pro-actief de voorwaarden waaraan een kilometerheffing moet voldoen opdat deze sociaal rechtvaardig is. Op die manier kunnen we meer wegen op het debat wanneer dit op de politieke agenda komt.

Standpunt ACW

Energiebesparing prioriteit

Als sociale organisatie wil het ACW de bijkomende voordelen van klimaatmaatregelen in de verf zetten. Energiebesparing moet daarbij absolute prioriteit krijgen. Energie-efficiëntieverhogende maatregelen behoren immers tot de meest kostenefficiënte pistes om de klimaat- én de hernieuwbare energiedoelstellingen te realiseren. Volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) zullen energie-efficiëntieverhogende maatregelen op korte termijn meer dan de helft van de vereiste CO2-reducties moeten leveren in de strijd tegen klimaatverandering.

De lidstaten van de EU krijgen nu voor het eerst bindende maatregelen opgelegd die het energieverbruik moeten terugschroeven. De energieleveranciers zijn verplicht om elk jaar 1,5 % minder energie te leveren. Deze doelstelling kunnen ze onder meer halen door de consumenten beter in te lichten over energiebesparingen. Ze zullen hun diensten moeten uitbreiden en zich meer profileren als energieraadgever. Het geheel aan maatregelen zou de consumptie tegen 2020 met 15 tot 17 % moeten verminderen.

De huidige Europese energiebesparingsdoelstelling bedraagt 9 % in 2016 t.o.v. het gemiddelde verbruik in de periode 2001-2005. Het Vlaams Actieplan energie-efficiëntie rekent voor dat we in 2016 in Vlaanderen zouden uitkomen op een energiebesparing van 13,3 % t.o.v. het gemiddelde verbruik in de periode 2001-2005. Dat is een flink stuk boven de Europese doelstelling dus. Daarom worden er in het Vlaams Actieplan energie-efficiëntie geen bijkomende maatregelen overwogen. Ook de nieuwe doelstelling lijkt voor Vlaanderen niet zo ambitieus. Nochtans zijn er redenen te over om een ambitieuzer energie-efficiëntie beleid te voeren: economisch, om de Vlaamse energiebevoorradingszekerheid te verbeteren en om de klimaat- en hernieuwbare energiedoelstellingen op een kostenefficiënte manier te realiseren. Bovendien beschikte men bij het schrijven van het Actieplan nog niet over de cijfers van 2010. Na een scherpe daling van het energiegebruik in 2009, volgde er in 2010 een al even scherpe stijging. Daar komt nog bij dat men voor de berekening van de prognoses uitging van subsidiemaatregelen die intussen afgeschaft zijn.

Bij de omzetting van de nieuwe Europese richtlijn in een Vlaams actieplan wil het ACW ambitieuze energiebesparingsdoelstellingen voor Vlaanderen. Enkel op die manier zullen we de klimaatdoelstellingen op een kosten-efficiënte manier kunnen realiseren. Voor particulieren moet de focus liggen op gebouwen en mobiliteit.

Gebouwen “Minder CO2 én een lagere energiefactuur”

Ondanks de inspanningen van de afgelopen jaren, blijven de energieprestaties van een belangrijk deel van het woningenpark in Vlaanderen ondermaats. Vooral de private huurmarkt is er slecht aan toe. Het ACW vraagt vooral aandacht voor de achterblijvers die nog niet geïnvesteerd hebben. Op korte termijn heeft een beleid gericht naar de ‘achterblijvers’ – die nog steeds het grootste deel van de bevolking uitmaken - het meeste potentieel om energie te besparen en emissiereducties te realiseren. Die focus betekent niet dat we een voorlopersbeleid niet belangrijk vinden, wel is het een oproep om diegenen die om welke reden dan ook achterblijven niet te vergeten.

Financiële ondersteuning en begeleiding kunnen ook hen de mogelijkheid geven om energie te besparen. In een volgende fase dienen structurele maatregelen (normen, verplichtingen, …) overwogen te worden om de doelstellingen van het Energierenovatieprogramma 2020 afdwingbaar te maken. Premies die stap voor stap verlaagd worden in de aanloop naar verplichtingen geven het signaal dat investeringen liever vandaag gebeuren dan morgen. De stapsgewijze verlaging moet vooraf vastgelegd worden en deze kalender moet ook duidelijk gecommuniceerd worden. Eindige of tijdelijke ondersteuning kan zinvol zijn om investeringen in een bepaald tijdskader te houden: hoe sneller CO2-emissies gereduceerd worden, hoe beter voor het klimaat.

Tijdelijke subsidievlagen kunnen bovendien zorgen voor een extra attenderingseffect. Zo leidde de focus op dakisolatie met intensieve subsidiëring tot een verdriedubbeling van het aantal investeringen.

Voorstel 1: Voer opnieuw een premie in voor de vervanging van verwarmingsketels en communiceer er uitgebreid over.

De vervanging van alle oude verwarmingsketels is noodzakelijk om de energiebesparingsdoelstelling te halen van 15 % tegen 2020. Zonder premie is de kans groot dat opnieuw meer mensen voor ketels zullen kiezen met een lager rendement, ook al is de meerkost voor een condensatieketel eerder beperkt. Zelfs met de ondersteuning van de voorbije jaren kozen in 2009 nog 30 % voor een nieuwe niet-condenserende aardgasketel. Voor nieuwe verwarmingsketels op stookolie – waarbij het prijsverschil wel behoorlijk groot is – bedroeg het marktaandeel van condensatieketels in 2009 zelfs maar 14%.

De premie voor hoogrendementscondensatieketels moet hoog genoeg zijn om mensen over te halen om te investeren. Stel vooraf een stapsgewijze verlaging (bv. tweejaarlijks) vast van de premie, die uitmondt in een verplichting. Communiceer de kalender en de verplichting duidelijk. De verplichting kan gekoppeld worden aan het energieprestatiecertificaat, waaraan een audit van de energieprestaties van de ketel toegevoegd wordt. Voordeel hierbij is dat er geen bijkomende controle nodig is. Een andere mogelijkheid is gebruik maken van de verplichte, eenmalige audit van de energieprestaties van ketels ouder dan 15 jaar.

Bijkomende voordelen: een structureel lagere energiefactuur

Voorstel 2: Een stimulerend beleid voor de private huurmarkt, gekoppeld aan verplichte investeringen in de energieprestaties van de woning.

Door het beleid gericht op eigendomsverwerving, is de private huurmarkt een krimpende restmarkt geworden, met slechte woningen bewoond door groepen met een steeds zwakker sociaal-economisch profiel. Op basis van de woonsurvey 2005 wordt geraamd dat in Vlaanderen ongeveer 180.000 huishoudens op de private huurmarkt niet beschikken over een goede en betaalbare woning. Voor hen is het recht op wonen niet gerealiseerd. De private huurmarkt is versnipperd over 180.000 kleine eigenaars. Een aanzienlijk deel van de verhuurders is gepensioneerd. De kans is dus groot dat heel wat huurwoningen de komende jaren te koop zullen worden aangeboden, waardoor het aanbod verder zal afnemen. Een bijzonder stimuleringsbeleid voor de versterking en uitbreiding van de private huurmarkt is noodzakelijk.

Dat stimuleringsbeleid moet gekoppeld zijn aan (verplichte) maatregelen om de energieprestaties van de private huurmarkt te verbeteren. Naast de huur nemen ook de energiekosten immers een stevige hap uit het beperkte inkomen van huurders. Huurwoningen op de private huurmarkt zijn minder uitgerust met isolerende beglazing, dak- , muur- en vloerisolatie dan sociale huurwoningen en eigendomswoningen. Was in 2009 73 % van de eigendomswoningen geïsoleerd, dan was dat voor de huurwoningen slechts 58 %.

Door beide beleidsdoelstellingen te linken wordt voorkomen dat verhuurders hun opbrengstwoning van de hand doen omdat de verplichte investeringskosten te hoog oplopen.

Mogelijke ideeën:

  • verminderde successierechten: de verminderde successierechten worden dan toegekend indien de woning door de erfgenamen (verder) wordt verhuurd tegen een redelijke huurprijs, voor een minimale periode van 9 jaar. Ook moeten er geïnvesteerd worden in dakisolatie, dubbel glas en een energiezuinige verwarmingsketel;
  • een verlaagd btw-tarief voor de bouw en renovatie van private huurmarkt, onder strikte voorwaarden (bepaalde investeringen, beperkt aantal woningen per verhuurder, redelijke huurprijs voor minimale periode van 9 jaar, huurder met zwak socio-economisch profiel;
  • renovatiepremie toegankelijk voor verhuurders;
  • wegwerken verschil in fiscale behandeling eigenaars en huurders (woonbonus);
  • derdebetalersregelingen ook voor verhuurders (vb. FRGE), onder bepaalde voorwaarden (huurder behorende tot doelgroep).

Bijkomende voordelen: meer en betere woningen op de private huurmarkt

Mobiliteit

Algemene maatregelen

Op onze wegen worden jaarlijks 120 miljard reizigerskilometers en 70 miljard tonkilometers afgelegd. Duizelingwekkende cijfers die erop wijzen dat we een economisch erg actief land zijn. Maar er is ook een keerzijde: onze mobiliteit is verantwoordelijk voor heel wat milieu- en gezondheidsproblemen. De sector transport is verantwoordelijk voor een derde van de niet-ETS emissies. Meer dan de helft daarvan wordt veroorzaakt door personenverkeer over de weg. Het vrachtvervoer over de weg heeft een aandeel van zo’n 34 %. De externe kosten van het wegvervoer lopen op tot 13 miljard euro per jaar. We staan elk jaar met zijn allen 10 miljoen uur in de file. Het aantal verkeersslachtoffers daalt jaar na jaar, maar toch doen we het slecht in vergelijking met de andere landen in West-Europa. Het stijgend aantal kilometers doet ook de milieuwinst van efficiëntere voertuigen teniet.

In Pact 2020 werd de doelstelling vooropgesteld dat tegen 2020 zo’n 40 % van het woon-werkverkeer via OV, te voet of per fiets verloopt. Vandaag gebeurt 70 % van de woonwerkverplaatsingen met de wagen. Tegen 2020 zouden er volgens de prognoses 9 % meer werkenden zijn dan in 2007. Zonder een wijziging in het verplaatsingspatroon zal de druk op onze wegen met de bijbehorende gevolgen voor het klimaat alleen maar toenemen.

Maatregelen met een grote lokale impact

Mobiliteit speelt ook een belangrijke rol in de leefbaarheid van een gemeente. Letterlijk en figuurlijk. Fijn stof en geluidsoverlast verminderen het aantal gezonde levensjaren van de Vlaming met een half jaar. Aan de andere kant ondervinden veel mensen last van sluipverkeer. Het steeds drukker wordende verkeer veroorzaakt bovendien een nieuwe vorm van vervoersarmoede: steeds meer mensen, vooral ouderen, voelen zich onzeker in het verkeer. De voorgestelde maatregelen moeten zowel de CO2-uitstoot van het verkeer verminderen, als de verkeersleefbaarheid en veiligheid verbeteren.

10 % van alle verplaatsingen zijn verplaatsingen van minder dan 2 km die worden afgelegd door een autobestuurder. Die korte verplaatsingen wikkelen zich voornamelijk af op lokale wegen, in kernen waar meer overlast veroorzaakt wordt dan op autosnelwegen.

Voorstel 3: Via low emission zones, zone 30, groene golf, infrastructuuringrepen kunnen meer mensen gestimuleerd worden om zich voor korte afstanden te voet/per fiets te verplaatsen.

Contact opnemen

  • beweging.net - algemeen secretariaat
    Postbus 20 - 1031 Brussel
    tel. 02 246 31 11
    e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • Wegbeschrijving