In een samenleving met steeds schaarser en duurder wordende grondstoffen moet afval zoveel mogelijk vermeden worden. De traditionele aanpak van grondstoffen ontginnen, producten maken, vervolgens consumeren en ten slotte alle geproduceerde afval zo snel mogelijk wegwerken is niet langer houdbaar. Vaak bevat het afval nog waardevolle grondstoffen die herbruikbaar zijn. Daarenboven is de milieu-impact van deze wegwerpcultuur veel te hoog.
Om het grondstoffengebruik te verminderen en de milieueffecten van de afvalproductie te verlagen, moet er gekeken worden naar beslissingen die worden genomen nog voor het materiaal afval is geworden. We spreken dan niet meer over 'afvalbeleid' maar over 'duurzaam materialenbeheer'. Eerst en vooral moet er gekeken worden naar de wijze waarop producten worden ontworpen, geproduceerd, verdeeld, geconsumeerd of gebruikt en terug ingezameld worden eens ze afval zijn geworden. Vaak zijn er in al deze stappen grote milieuwinsten te halen.
Tegelijkertijd moet worden vermeden dat maatregelen, genomen in de ene fase van de levenscyclus, de milieu- en gezondheidseffecten van de andere fase verhogen. Zo kan de inzet van meer biomassa, als hernieuwbare energiebron om het klimaat te beschermen, er toe leiden dat er minder afvalhout is om deuren te maken waardoor hiervoor meer bossen moeten gekapt worden. Het streefdoel is de milieudruk zo klein mogelijk houden over de hele levenscyclus van een product.
Daarnaast is het de wens afvalstoffen zoveel mogelijk opnieuw in te zetten als grondstoffen met het oog op het sluiten van materiaalkringlopen. Oude gipskartonplaten kunnen bv. perfect gerecycleerd worden tot nieuwe, waardoor er bespaard kan worden op de grondstoffen en de milieu-impact lager is.
Uiteindelijk is het doel om tot materiaalkringlopen te komen die binnen het ecologische draagvlak blijven en voldoende welzijn genereren voor de huidige en toekomstige generaties. Dit vergt een ver doorgedreven geïntegreerd beleid dat benoemd wordt met de term 'duurzaam materialenbeleid' of 'duurzaam beheer van materiaalkringlopen'.
Om stapsgewijs te evolueren naar zo'n duurzaam materialenbeleid heeft de Vlaamse overheid recent een decreet voorgesteld dat het oude afvalstoffendecreet gaat vervangen. De Minaraad en SERV brachten een gezamenlijk advies uit over het 'ontwerp van decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen'. Aangezien het oude decreet enkel sprak over 'afval' zorgt het nieuwe decreet voor een definitie van het begrip 'materiaal'. Het geeft de overheid de bevoegdheid om ook in te grijpen op materialen die geen afvalstoffen (meer) zijn. Er wordt een vijftredige materialenladder ingevoerd te vervanging van de gekende afvalladder van Lansink. De vijf treden zijn (van hoog naar laag ):
In het ontwerpdecreet gaat ook aandacht naar betere afspraken rond de verantwoordelijkheid van producten voor de afvalfase van de producten die ze op de markt brengen. Dit is ook op Europees niveau geregeld, net zoals de regels die vastgelegd worden wanneer 'iets' afval wordt. Deze regels moeten o.a. het hergebruik en de recyclage van materialen bevorderen.
Tenslotte speelt de bevoegde administratie (OVAM) ook een belangrijke ondersteunende rol in een concrete innovatieve aanpak van het materialenbeleid.Plan C is een informeel transitienetwerk voor de structurele ondersteuning van duurzaam materiaalbeheer. In 2010 telde het netwerk minstens tweehonderd relaties uit bedrijfsleven, universiteiten en hogescholen, onderzoekscentra, maatschappelijke organisaties en overheidsinstellingen, maar ook individuele personen. Hun doel is samen te werken aan een economie en maatschappij die op duurzame wijze met materialen omgaat.
Volgens Plan C is Business as usual, waarbij we er van uitgaan dat de markt wel vanzelf tot oplossingen komt om duurzaam om te springen met materialen (Plan A), geen optie meer. Alles overlaten aan de overheid via nieuwe regelgeving, actieprogramma's, enz. is te vaak gericht op symptoombestrijding (Plan B). Vandaar de noodzaak aan een Plan C waarin de overheid, de bedrijfswereld, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties de handen in elkaar slaan om, vertrekkende van een langetermijnvisie, te experimenteren met nieuwe productie- en consumptiemodellen die duurzamer omgaan met materiaalgebruik.
De actieve ondersteuning door de overheid van deze aanpak kunnen we alleen maar toejuichen.
Een klant die zijn energiefactuur niet betaalt, wordt na een bepaalde procedure, van de klantenlijst geschrapt door de energieleverancier mits een opzegtermijn van minstens zestig dagen. De klant heeft dan tot acht dagen voor de opzegdatum de tijd om een nieuwe leverancier te vinden. Het is belangrijk dat de gedropte klant snel handelt. Binnen de eerste 30 dagen kan een nieuwe leverancier immers niet zien dat de klant gedropt is. Na die termijn van 30 dagen is dat wel het geval. De nieuwe leverancier kan de nieuwe klant dan weigeren of een waarborg vragen. Het gaat daarbij al gauw om een bedrag dat 3x hoger ligt dan de voorschotfactuur.
Vindt de klant geen nieuwe leverancier, dan neemt de netbeheerder vanaf het einde van de opzegtermijn de levering over. In 2009 nam het aantal huishoudelijke klanten van de sociale leverancier toe met maar liefst 22 % en dit zowel voor elektriciteit als voor aardgas. Voor elektriciteit steeg dit cijfer van 60.026 naar 72.978, voor aardgas van 41.521 naar 50.721. In 2010 stegen de cijfers opnieuw.
De rechthebbenden op de sociale maximumprijzen vallen samen met de groep van beschermde afnemers. Sinds 1 augustus 2007 is voorzien dat de sociale maximumprijzen worden afgestemd op het laagste tarief op de markt, namelijk de prijs die de goedkoopste leverancier van elektriciteit en/of aardgas in België aanbiedt in het gebied van de netbeheerder met de laagste nettarieven. Deze prijs wordt door de federale energieregulator CREG telkens voor de komende zes maanden vastgelegd. De toepassing van de sociale maximumprijs wordt gefinancierd door middel van de federale bijdrage op elektriciteit en aardgas.
Het overgrote deel van de gedropte klanten is geen beschermde afnemer en heeft dus geen recht op de sociale maximumprijs. Voor elektriciteit gaat het om 63.773 gezinnen, of 87 % van de gedropte klanten. Voor aardgas gaat het om 43.798 gezinnen, of 86 % van de gedropte klanten.
Wanneer zij vanwege betalingsmoeilijkheden gedropt worden door de elektriciteitsleverancier, betalen ze een prijs die elke zes maanden door de distributienetbeheerder gepubliceerd wordt. Het ministerieel besluit van 1 juni 2004 bepaalt de regels voor de vaststelling van de maximumprijzen voor de niet-beschermde gedropte klanten. De netbeheerders bepalen de prijs op basis van de gemiddelde marktprijs in hun verdelingsgebied. Voor de berekening van het gemiddelde worden de tariefgegevens van de belangrijkste leveranciers in het gebied gebruikt. Wanneer de leverancier meerdere tariefformules aanbiedt, moet de netbeheerder voor de berekening van het gemiddelde de minst voordelige formule gebruiken. Dat laatste zorgt ervoor dat het maximumtarief voor niet-beschermde gedropte klanten behoorlijk hoog kan zijn.
Het gaat in veel gevallen om mensen die nog schulden afbetalen bij de leverancier (voordat ze gedropt werden) en soms ook bij de netbeheerder (voor de plaatsing van de budgetmeter en na de plaatsing, wanneer gebruik wordt gemaakt van het noodkrediet of van de minimumlevering). Dat doet de totale energiekost flink oplopen.
Het argument voor het aanrekenen van een tarief dat hoger ligt dan het marktgemiddelde luidt dat men de gedropte klant wil aanmoedigen om zo snel mogelijk een commerciële leverancier te zoeken. Ze worden hierin echter niet actief begeleid. Bovendien kunnen leveranciers klanten weigeren of een hoge waarborg vragen. Sommige mensen blijven dan ook jaren bij de netbeheerder. Vanaf maart 2011 moeten de netbeheerders rapporteren over het aantal afnemers dat terug naar commerciële markt ging. Dan zullen we ook in de cijfers een bevestiging zien van de ervaringen van armoedeorganisaties.
Een vergelijking voor een gezin met 2 personen (van belang voor de berekening van de gratis kWh) met een verbruik van 3500 kWh per jaar (1600 kWh aan dagtarief overdag, 1900 aan nachttarief) in het netgebied van Gaselwest, de netbeheerder met de hoogste tarieven van Vlaanderen.

Daarnaast is de bestaande regeling in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waarbij het OCMW – evenals de Brusselse regulator BRUGEL – gemachtigd is het statuut van beschermde klant toe te kennen op basis van de sociale enquêtes die het uitvoert, een interessante aanvulling op de federale wetgeving. Ze zou ook in de twee andere gewesten ingevoerd moeten worden.
1 Rapport VREG 10 juni 2010: ‘Statistieken 2009 met betrekking tot huishoudelijke afnemers in het kader van de besluiten op de openbaredienstverplichtingen’
Zorg vertaalt naar duurzame ontwikkeling betekent het bevorderen en het instandhouden van de kwaliteit van het leven; ook na ons. Zorgzaam omgaan met de mogelijkheden die de aarde, de natuur ons biedt, beseffende dat die mogelijkheden niet onuitputbaar zijn. Ook op lokaal niveau impliceert dit dat economische, sociale, en ecologische behoeften op elkaar worden afgestemd zonder de kansen van huidige en toekomstige generaties in het gedrang te brengen.
'Zorgzaam omgaan met’ betekent dat er maatregelen moeten genomen worden die termijn én beleidsoverschrijdend zijn. Lokale beleidvoerders dienen af te stappen van strikt afgebakende taken per domein en dienen duurzaamheidscriteria in te brengen in alle relevante beleidsdomeinen. Het betekent verder durven kijken dan - en handelen naar- één, twee, zelfs 5 legislaturen. Dit maakt dat de resultaten van de genomen maatregelen niet meteen tastbaar, zichtbaar zijn en er dus niet onmiddellijk electorale winst uit kan gehaald worden. Het betekent de stap durven zetten naar een echte doorgedreven samenwerking en dit zowel qua beleidsafbakening als qua betrokkenheid van actoren.
N.a.v. de gemeenteraadsverkiezingen kan voor de gemeenten, in die bewustmakingsrol, een 3-ledige opdracht gevonden worden:
Zorgzaam omgaan met ruimte betekent dat men kiest voor zuinige en sobere vormen van ruimtegebruik die gebaseerd zijn op verweving, bundeling en verdichting. Telkens moet de vraag gesteld worden naar de reële behoefte, de ruimtelijke gevolgen van deze ontwikkeling voor de rest van de gemeente (bv. ontvolking, leegstand) en de mobiliteitsgevolgen.
Zorgzaam omgaan met ruimte vraagt ook het behoud van kwetsbare ruimte en dat er verbindingen tussen deze gebieden worden gemaakt. Elke gemeente moet een ambitieus buitengebiedbeleid voeren met als doel de ruimtelijke kwaliteit en de milieukwaliteit te verhogen.
Het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen is en blijft voor ons de basis van een zorgzaam omspringen met ruimte. De gemeenten moeten de doelstellingen dan ook uitvoeren.
Via een aantal concrete voorstellen vertaalt het ACW deze doelstellingen in o.a.:
Zorgzaam omgaan met grondstoffen betekent lange termijn denken, betekent bewust omgaan met en kiezen voor een sober gedrag; zonder dat aan levenskwaliteit ingeboet moet worden. Het betekent in vele gevallen preventie, voorkoming.
Vertaling naar een aantal concrete voorstellen toe:Onze eenzijdige manier van verplaatsen (autoverkeer) brengt de bereikbaarheid voor allen in het gedrang. Bovendien wordt de druk op ruimte, milieu en natuur steeds groter. Als ACW willen we een meer zuinige mobiliteit, waarbij verplaatsingen worden voorkomen en autogebruik wordt omgebogen richting andere vervoersmiddelen.
DO sorteert afval, DO fietst, DO overconsumeert niet, DO is sociaal geëngageerd. DO is duurzame ontwikkeling in al zijn vormen en gedaanten. Je vindt hem overal en DO doet vanalles. Kortom, DO is iedereen die duurzame ontwikkeling een warm hart toedraagt. Die ‘iedereen’ waren tijdens ‘Kom eens langs bij DO’ vooral organisaties die milieubewuste initiatieven, sociale tewerkstelling en duurzame consumptie-initiatieven een warm hart toedragen.
Kringwinkels zijn onlosmakelijk verbonden met DO. Maar wat behelst duurzame ontwikkeling?
Een praktische kijk en initiatieven zoals ‘Kom eens langs bij DO’ zijn nodig om mensen bewust te maken dat duurzame ontwikkeling niet per definitie een boeddhistische levensstijl behoeft. Het is wel een kwestie van attitude: een verandering van paradigma, het aannemen van nieuwe visies, het afstappen van een bestaande overconsumptie- en wegwerpcultuur. Maar dit betekent niet dat je werk-, vrije tijds-, levensomstandigheden aan kwaliteit gaan inboeten. Het vraagt gewoon een andere kijk, een andere invulling van o.a. consumptie-, transport-, energiepatronen.
Ook de Vlaamse overheid is zich bewust van deze noodzakelijke ommezwaai en is daarom volop bezig met een Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling (STRADO). Een eerste fase werd eind september afgerond en vormt het doelstellingskader waarbinnen gewerkt zal worden.
De tweede fase zal concrete uitvoeringsvoorstellen voor deze doelstellingen geven. Dit artikel schetst kort dat doelstellingskader van de Vlaamse STRADO. De ACW-vrijwilligers kunnen binnen dit kader herkennen dat in een aantal van hun projecten meneer Do al zijn rol speelt. Dit is belangrijk voor de verdere fasen van STRADO. Het middenveld krijgt de kans om mee in het overleg te stappen. Daarnaast krijgt zij ook de verantwoordelijkheid om mee uitvoering te geven aan deze strategie.
Acties, initiatieven die het middenveld organiseert en die duurzame resultaten beogen of die voor een draagvlakvergroting van DO onder de bevolking zorgen, kunnen door de Vlaamse overheid ondersteunt worden. De Fietswacht, Betaalbaar wonen, de klimaatwijken voor KWB,… bij allen is Do aanwezig.
De Vlaamse overheid vertaalt duurzame ontwikkeling via 4 P’s: People (sociale dimensie),Profit (economische dimensie), Planet (ecologische dimensie) en Proces (de bestuurlijke dimensie die een horizontale en integrale aanpak moet mogelijk maken). De inhoudelijk prioritaire thema’s worden overgenomen uit de Europese strategie voor Duurzame Ontwikkeling: armoede en sociale uitsluiting, vergrijzing, klimaatverandering, toenemende mobiliteit, degradatie van biodiversiteit en de uitputting van grondstoffen en volksgezondheid. Voor Vlaanderen wordt dit telkens, rekening houdend met de Vlaamse eigenheid, vertaald in korte termijn en lange termijn doelstellingen.
Lange termijndoelstellingen zijn gebaseerd op principes van werkzaamheid(economische dimensie van DO), leefbaarheid (ecologische dimensie van DO) en zorgzaamheid (sociale dimensie van DO). Korte termijndoelstellingen als eerste stap naar de realisatie van deze basisdoelstellingen zitten vervat in het geactualiseerde Pact van Vilvoorde. Een aantal horizontale actieterreinen lopen doorheen de 6 thema’s: gelijke kansen, innovatie, wetenschap en onderzoek, educatie. Dit omdat ze relevant zijn in alle beleidsdomeinen die met DO in aanraking komen.
Ook bestuurlijke aspecten (procespijler) zijn cruciaal om een strategie DO te doen slagen:
De tweede fase (december 2005), is de fase van de operationele projecten, maatregelen en acties.
Het geeft het ACW de kans mee te werken aan het zorgen voor een draagvlak voor Do. Thema’s voor acties die de Vlaamse overheid al naar voren schuift zijn:
Op 16 februari 2005 ging het Kyoto-protocol van kracht. Het moet de uitstoot van broeikasgassen, die verantwoordelijk zijn voor de opwarming van de aarde, tegen 2012 substantieel verminderen. België moet zijn uitstoot met 7,5 procent doen dalen in vergelijking met 1990. Voor Vlaanderen bedraagt de inspanning 5,2 procent.
De uitstoot van broeikasgassen is alleen maar toegenomen. Terwijl Vlaanderen in 1990 87 miljoen ton CO2-equivalenten de lucht inblies, liep dat in 2003 op tot 91 miljoen ton. Vorig jaar was er een lichte kentering, we zouden nog maar 90 miljoen ton uitstoten, maar we blijven ver verwijderd van de Kyoto-doelstelling die op 83 miljoen ton is vastgelegd.
Minister Peeters besefte dat het één voor 12 was en kwam tot het inzicht dat hij een breed middenveld draagvlak nodig heeft dat hem begeleidt om de tijdsrace, die Kyoto oplegde (2012), te halen. Uit een eerste Klimaatconferentie, een overleg met alle geïnteresseerde middenvelders, experts en ambtenaren, kwamen 365 voorstellen naar voor. Een goede basis om een nieuw Vlaams Klimaatbeleidsplan op te maken. Het middenveld kijkt niet langer vanaf de zijlijn toe maar levert zelf de plannen en uitvoeringsvoorstellen. Deze werkwijze toont aan dat de wil om te slagen en de motivatie groot zijn evenals het besef dat een breed draagvlak een onmisbare factor tot slagen zal zijn. Milieuorganisaties, werkgeversorganisaties, vakbonden, boerenbond,… allen schaarden zich achter de te halen doelstellingen. Al bleken niet alle klokken gelijkgestemd. Voor sommigen was het 1 voor 12, voor anderen 5 over 12.
De 365 voorstellen zijn verdeeld over acht beleidsdomeinen, gaande van ‘gebouwen’ over ‘mobiliteit’ tot ‘goed bestuur’. Maar het gros van de maatregelen hebben betrekking op gebouwen en energie (124) en mobiliteit (68).
De klimaatconferentie formuleert de grote doelstellingen als volgt: “We moeten evolueren naar klimaatvriendelijker wonen dat verder ‘bouwt’ op de energieprestatieregelgeving. Ook het bestaande woningpark dient aangepakt en daarbij moet men stapsgewijs ambitieuzer worden.”
Interessant is het voorstel om op elke energiefactuur aan te geven hoe het gesteld is met je energieverbruik. Wie het slecht doet, kan een gratis nummer bellen voor advies.’ Inzake mobiliteit moet er een ommezwaai komen naar transport over water, openbaar vervoer en fiets, aangevuld met nieuwe innovatieve generaties van motoren en brandstoffen. Onze productie- en consumptiepatronen moeten evolueren naar grotere duurzaamheid en de lokale overheden moeten een grotere rol spelen omdat zij dicht bij de mensen staan.
"Dat de burger nog een grote inspanning moet doen, is één van de delicate opdrachten van het nieuwe Vlaams klimaatbeleidsplan voor de komende zes jaar’’ onderschrijft Peeters. “We zullen die boodschap met de nodige voorzichtigheid moeten brengen."
Dat het aan het burger is om zijn duit in het zakje te doen, lag in de lijn van de verwachtingen. Zowel het wegverkeer als de huishoudens zijn elk verantwoordelijk voor ongeveer een kwart van de CO2- uitstoot. Iedereen weet ondertussen dat de Vlaamse woningen niet bijster goed geïsoleerd zijn en dat we beter het openbaar vervoer gebruiken dan de wagen. Eerst moet de burger gewezen worden op zijn verantwoordelijkheden vooraleer nog eens aan te kloppen bij de Vlaamse bedrijven, die al grote inspanningen geleverd hebben.
Belangrijk is dat alle spelers de noodzaak tot verandering beseffen, onderschrijven én er actief aan meewerken. Nu zorgen voor een gedegen uitvoering, een responsabilisering van de bevolking en misschien kan dan de eindmeet van de marathon nog gehaald worden.