Niet sneller maar beter

Onder de vorige regering startte de discussie over de lange duur van maatschappelijk belangrijke projecten. Verschillende stappen zijn toen reeds gezet om bijvoorbeeld de regelgeving inzake ruimtelijke ordening én milieubeleid te vereenvoudigen.

Om de versnelling effectief te maken zijn er twee commissies opgericht: een expertencommissie van de Vlaamse regering en de Commissie Versnelling Maatschappelijk belangrijke projecten van het Vlaamse parlement. In deze nota worden de rapporten van deze twee commissies becommentarieerd op basis van de lijst van geformuleerde bekommernissen die werden overgemaakt aan deze comissies.

1. Aanleiding

De vorige regering startte de discussie over de lange duur van maatschappelijk belangrijke projecten. In de regelgeving ruimtelijke ordening is bijvoorbeeld voorzien dat grootschalige strategische projecten verschillende planprocedures kunnen versnellen door deze gelijktijdig te voeren, en is bijvoorbeeld voorzien dat plenaire vergaderingen met alle betrokken ad-ministraties komen tot een integrale beoordeling.

In het huidige regeerakkoord zijn er eveneens diverse bepalingen opgenomen over het versnellen van procedures voor infrastructuurprojecten. De beleidsnota's ruimtelijke ordening, openbare werken en leefmilieu werken dit verder uit (MER-regelgeving, infrastructuurdecreet, nieuwe procedures inzake ruimtelijke ordening met nadruk op draagvlak).

Om de versnelling effectief te maken zijn er twee commissies opgericht.
  • Een expertencommissie van de Vlaamse regering, met o.a. Filip De Rynck, Cathy Berx, De Batselier en Marc Dillen (Vlaamse Confederatie Bouw).
  • Het Vlaams parlement heeft eveneens een commissie opgericht: de Commissie Versnelling Maatschappelijk belangrijke projecten, voorgezeten door Johan Sauwens. Deze Commissie organiseert hoorzittingen onder andere met de Vlaamse Havencommissie, de Mobiliteitsraad Vlaanderen, diverse administraties, een Nederlandse onderzoeker, VOKA, de aannemerswereld en op het laatst het middenveld.
Het ACW heeft samen met het ACV een eerste lijst van bekommernissen ten aanzien van de vraagstelling opgesteld. Dit zijn enkel bekommernissen in de vorm van vragen, met andere woorden geen standpunt. Deze bekommernissen zijn overgemaakt aan de commissies.

Het ACW heeft daarenboven samen met drie andere organisaties, Wakkere Burger, Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning en BBL, een studieochtend georganiseerd over de noodzaak van een dergelijke versnelling. Het ACW heeft daar zijn bekommernissen uitgesproken. Beide commissies hebben hun document begin maart afgeleverd. Het is nu aan de Vlaamse regering om daar verder iets mee te doen.

In deze nota becommentariëren we de twee rapporten op basis van onze bekommernissen.

2. Bespreking van de twee rapporten

We kunnen twee soorten commentaar onderscheiden: enerzijds op basis van onze vragen en anderzijds op basis van de rapporten zelf.
  • 2.A. Commentaar op basis van onze bekommernissen

1. Algemeen

Het ACW waardeert het werk dat de beide commissies hebben ontwikkeld. Op een brede en gedegen manier is er geluisterd, gediscussieerd en nagedacht. De beide commissies hebben gestreefd naar een brede inbreng. Het ACW waardeert in het bijzonder dat de discussie niet herleid is geworden tot een discussie over versnelling alleen. De beide rapporten gaan dieper in op hoe het beter kan (met als gevolg een versnelling). De titel van het voorstel tot resolutie spreekt in deze zin boekdelen.

2. Het voortraject

Het ACW vindt dat de huidige procedures vertrekken van een eerste beslissing die echter niet gedragen is. Daarom is een voortraject noodzakelijk.

Beide commissies leggen een terechte nadruk op het voortraject. Dit wil zeggen vooraleer een beslissing wordt genomen over het project. Beide doen een aantal voorstellen.
Maar onduidelijk is of het voortraject informeel of meer geformaliseerd moet worden. De commissie Berx geeft in een voorafgaande aanbeveling deze twee scenario's aan, maar kiest niet. De commissie Sauwens spreekt er zich niet over uit.

Voor het ACW is het noodzakelijk dat het voortraject minimaal geformaliseerd wordt. De formalisering hoeft en moet niet leiden tot een sta-in-de-weg, integendeel de beperkte formalisering die we voorstaan is noodzakelijk om minimale kwaliteitsnormen en een minimale garantie te kunnen bieden hoe een project georganiseerd moet worden.

3. Participatie

Participatie is voor het ACW de sleutel om te komen tot betere en meer gedragen projecten. De commissie Berx legt een bijzondere nadruk op participatie: niet enkel tijdens het voortraject maar gedurende het ganse verhaal. Deze commissie gaat ook dieper in op wat participatie is en op welke manier burger, middenveld en stakeholders voortdurend kunnen betrokken worden.

De commissie Sauwens gaat ook dieper in op participatie maar legt veel meer nadruk op het stakeholdersmanagement, het managen van de inspraakmogelijkheden van de stakeholders. Hierbij wordt veel minder aandacht besteed aan een voortdurende betrokkenheid, de wijze van betrok-kenheid, de impact van betrokkenheid. In deze zin toont de commissie indirect het wantrouwen van de politieke wereld ten opzichte van de mondige burger en mondig middenveld.

Voor het ACW moet de regering op de door de commissie Berx ingeslagen weg verder gaan. De aanbevelingen van de commissie Berx gaan veel meer uit van een ander bestuurlijk model waarbij het middenveld, organisaties en de burgers de dragers zijn van maatschappelijke verandering.

4. Vereenvoudigen in functie van het democratisch proces

 Voor het ACW is vereenvoudiging van de regelgeving noodzakelijk niet alleen omwille van snellere procedures, maar vooral omdat een vereenvoudiging ook veel meer mogelijkheden biedt voor een grotere betrokkenheid en participatie. We denken dat efficiëntere regelgeving ook meer transpa-rantie biedt. Het biedt dus een win-winsituatie. Een vereenvoudiging kan immers leiden tot minder participatiemogelijkheden.

Beide commissies gaan dieper in op een vereenvoudigen van de regelgeving. Beide bekijken dit echter vanuit het oogpunt van de tijdswinst, niet vanuit een democratisch en transparant proces.
De vereenvoudiging zit voor beiden in het beperken van participatie en vooral van het openbaar onderzoek in de trajecten na het voortraject.

De commissie Sauwens raakt dit probleem even aan door te vragen naar het activeren van de zwijgende meerderheid, maar vult dit niet in. Integendeel, in een andere aanbeveling raadt de commissie om processen complexer te maken door meer domeinen, meer gebieden te betrekken waardoor er voor iedereen iets in zit.

Het ACW denkt dat het interessant is dat de regering de processen opnieuw bekijkt maar nu vanuit de mogelijkheid om grotere betrokkenheid te organiseren.

5. Het openbaar onderzoek

Het ACW vindt dat de openbare onderzoeksprocedures geen vormen zijn van participatie. Dit zijn meestal individuele bezwaren of groepsbezwaren indien er geen voldoende participatie is geweest. Toch zijn deze openbare onderzoeken belangrijk in het ganse traject.

Beide commissies hebben geen goed oog in de openbare onderzoeken en de bezwaarschriften. Maar beide commissies willen het openbaar onderzoek een andere plaats geven zonder duidelijk te maken welke plaats deze moet krijgen. De bedoeling van beide commissies is blijkbaar om het openbaar onderzoek in belang te doen verminderen.

Voor het ACW is het duidelijk dat er duidelijke alternatieven moeten geformuleerd worden voor het openbaar onderzoek zonder daarom het openbaar onderzoek weg te schrijven. Goede participatie zal steeds een antwoord bieden op de vele individuele vragen.

6. Maatschappelijk belang

Het ACW benadrukt het belang van een draagvlak. Maar draagvlak is een vage, algemene term die verder moet ingevuld worden. Onderdelen van deze term zijn, enerzijds, representativiteit van argumenten en een representativiteit van groepen en, anderzijds, het algemeen belang dat gedra-gen worden door groepen die het algemeen belang nastreven.

Beide commissies spreken niet echt over het maatschappelijk belang en wie dit vertegenwoordigt. De commissie Sauwens spreekt over de zwijgende meerderheid, maar niet over groepen die het maatschappelijk belang kunnen vertegenwoordigen. De beide commissies spreken eveneens niet over de representativiteit van groepen (wat, wie en hoe).

Het ACW vindt het jammer dat de beide commissies deze belangrijke elementen niet hebben op-genomen in hun zoektocht. We denken dat de regering over de invulling van participatie deze ter-men verder moet uitklaren.

7. Good governance

Het ACW denkt dat processen belang hebben bij een bestuursomslag waarbij maatschappelijke consensus die bereikt wordt na een breed én gedegen én ondersteund én onderbouwd maat-schappelijk debat de basis is. We denken dat een bestuursomslag de grond moet zijn voor de ontwikkeling van nieuwe besluitvormingsprocessen.

De commissie Berx gaat het verst in de discussie over een bestuurlijke omslag omdat ze dieper ingaat op participatie. Maar beide commissies gaan niet echt in op deze bestuurlijke omslag.

Het ACW vindt het jammer dat de beide commissies niet vertrekken van een bredere visie op het bestuursbestel om deze grote projecten te situeren. Hierbij wil het ACW zeker de rol van de administratie benadrukken. De administratie zou de betrokkenheid en de participatie moeten stimuleren en ondersteunen.

8. Kosten-batenanalyses

Vandaag worden kosten-batenanalyses gebruikt om een debat over een keuze te vermijden. Het ACW denkt dat kosten-batenanalyses een bijdrage kunnen leveren voor het maatschappelijk debat, maar tegelijkertijd nooit in de plaats kunnen treden van een maatschappelijk debat.

De commissie Sauwens doet een aantal aanbevelingen rond deze kosten-batenanalyses. De com-missie pleit voor een bredere analyse die ook een maatschappelijke analyse bevat.
We willen hierbij nogmaals pleiten voor het belang van een duidelijke maatschappelijk debat dat gesteund kan zijn op basis van dergelijke analyses, maar waarbij deze analyses maar één element zijn.

9. MER en planning

Het ACW vindt dat planning die een duidelijk kader geeft voor projecten en procedures die zwakke belangen (zoals natuur en milieu) beschermen noodzakelijk zijn. We vinden dat deze zelfs versterkt moeten worden. Dit houdt uiteraard nog steeds een vereenvoudiging van regelgeving in.

De beide commissies hebben een duidelijk standpunt over de plan-MER en de project-MER. De plan-MERwordt overgenomen door het voortraject. De project-MERbehoudt zijn plaats wanneer er een duidelijk alternatief is gekozen.

Het voortraject kan in de plaats treden van een plan-MER, maar dan moet duidelijk zijn dat het voortraject minstens dezelfde inhoud heeft en minstens dezelfde garanties biedt. Het niet inschrijven van de elementen van een plan-mer kan leiden tot een vervaging. Daarom pleiten we voor een minimale formalisering van het voortraject.

De beide commissies hebben het nooit over het ruimtelijk kader waarbinnen projecten plaatsvinden. Wij denken echter dat een sterk ruimtelijk kader antwoorden kan geven op vele maatschappelijke vragen. Maar hiertoe is een versterking van de ruimtelijke planning noodzakelijk.

10. Rechtsbescherming

Het ACW pleit voor een dejuridisering van de samenleving. Daarom kiezen we ook voor meer participatie. Maar tegelijkertijd willen we rechtsbescherming centraal stellen tegen willekeur en het recht van de sterkste.

De beide commissies zoeken nieuwe vormen van rechtsbemiddeling die tegelijkertijd een vereenvoudiging inhouden en de verzoeker een beter en concreter antwoord geeft.
Het ACW kan deze vormen ondersteunen.
  • 2.B Bijkomende opmerkingen op basis van de twee rapporten

Het is onduidelijk wat er nu verder moet gebeuren. De commissie Berx suggereert drie lijsten in functie van moeilijkheidsgraad, de commissie Sauwens heeft geen duidelijke aanbevelingen hieromtrent. Dit moet verder verduidelijkt worden zodat iedereen mee het debat kan voeden/volgen.

De commissie Berx heeft sterk geïnvesteerd in het uiteenrafelen van het voortraject en het uitvoeringstraject. De voorstellen zijn interessant en bieden mogelijkheden voor een breder maatschappelijk debat als voor een compacter proces.

Maar de voorstellen zijn nog niet voldoende uitgewerkt. Verschillende vragen rijzen nog:

  • Wie bepaalt dat er een breed maatschappelijk draagvlak is voor een bepaalde probleemstelling of opportuniteit? Hoe wordt dit gemeten? Hoe wordt dit maatschappelijk draagvlak gecreëerd? En door wie? Wat met alternatieve probleemstellingen of op-portuniteiten? Kan elke privé-ontwikkelaar een probleemstelling of opportuniteit vooropstellen? Is het niet zinvol dat de startbeslissing reeds de voor en tegens opsomt?
  • Waarom is de startbeslissing niet aanvechtbaar? De startbeslissing legt immers de probleemstelling vast en met andere woorden dus ook de mogelijke alternatieven die on-derzocht kunnen worden. Dit houdt in dat de startbeslissing al een beperking kan inhouden;
  • Wie bepaalt wat van strategisch belang is? Is de bepaling onderworpen aan een breed maatschappelijk debat? Wat doe je met minderheidstandpunten? Is dit aanvechtbaar?
  • om betrokkenheid te creëren is er een hoge mate van concreetheid nodig. Dit is feitelijk niet mogelijk tijdens de verkenningsfase, met als gevolg dat de betrokkenheid de facto beperkt zal zijn. Dit moet verder onderzocht worden;
  • participatie is enkel mogelijk als groepen empowerd worden. De tekst geeft een beperkt beeld van wat participatie zou kunnen zijn, maar de voorstellen en de teksten blijven teveel op een metaniveau. Participatie moet concreter vastgelegd worden. Het openbaar onderzoek op verschillende momenten zou ook duidelijker vastgelegd moeten worden.

De commissie Sauwens heeft meer geïnvesteerd in praktischer aanbevelingen. Zij verruimen de discussie van maatschappelijke projecten tot infrastructuurprojecten en dit tot op het niveau van de gemeente. Dit is een te grote verruiming. Voor kleinschaliger projecten moeten andere procedures kunnen gelden.

Ook hier hebben we nog een aantal bijkomende vragen:
  • de commissie is onduidelijk over het kader waarbinnen dergelijke projecten een plaats kunnen krijgen. Het ACW betreurt dat de commissie het ruimtelijk structuurplan en het structuurplanningsproces niet waardeert;
  • de commissie is onduidelijk over de mate van deregulering die de commissie voorstaat. Dit maakt een transparant debat minder gemakkelijk;
  • in welke mate heeft een procesmanager de bevoegdheid, de middelen en de ruimte om een maatschappelijk draagvlak te creëren?



 

Gemeenten zijn nog niet ontvoogd

In 2000 ging het decreet omtrent de organisatie van de ruimtelijke ordening van kracht. Dit decreet geeft de gemeenten een belangrijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het concrete stedenbouwkundig beleid in de gemeente.

Gemeenten beslissen zelf over stedenbouwkundige en verkavelingsaanvragen. Vroeger had de gewestelijke ambtenaar (ook de gemachtigde ambtenaar genoemd) de beslissende stem.
Sinds 2000 is dit nu anders. Maar voor wat hoort wat. Gemeenten die zelf willen beslissen moeten wel de mogelijkheden hebben om een ruimtelijk beleid te kunnen voeren. Daartoe werden vijf voorwaarden opgelegd: de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, de aanwerving van een stedenbouwkundige ambtenaar, een conform verklaard plannenregister, een vastgesteld vergunningenregister en een register van de onbebouwde percelen.
Gemeenten moesten de vijf voorwaarden vervuld hebben tegen 2005. Maar dit bleek te hoog gegrepen. Gemeenten kregen nog 2 jaar erbij. 1 mei 2007 moesten de gemeenten klaar zijn.

Wat is de stand van zaken?

16 gemeenten zijn vandaag volledig ontvoogd. Dit zijn:

Avelgem
Bornem
Denderleeuw
Evergem
Genk
Hoogstraten
Kruibeke
Lommel
Maaseik
Sint-Laureins
Stabroek
Vilvoorde
Wellen
Wetteren
Wevelgem
Zwevegem

1 gemeente heeft de aanvraag ingediend om ontvoogd te worden.

Waar liggen de problemen?

  • 157 gemeenten hebben reeds een goedgekeurd structuurplan. Dat is ongeveer de helft van de Vlaamse gemeenten.
  • 242 gemeenten hebben een stedenbouwkundige ambtenaar.
  • 95 gemeenten hebben een plannenregister.
  • 154 gemeenten hebben een inventaris onbebouwde percelen
  • 24 gemeenten hebben een vergunningenregister.
De niet ontvoogde gemeenten worden niet onmiddellijk gesanctioneerd en er verandert nog niets aan de vergunningenprocedure. De gewestelijke ambtenaar blijft de spil in het vergunningenverhaal.
Maar wanneer gemeenten op 1 mei 2008 geen structuurplan hebben, dan mogen deze gemeenten geen afwijkende bpa’s meer maken. En dat is voor een aantal gemeenten een streep door de rekening.

Er is dus nog heel wat werk aan de winkel. De eerste taak van een gecoro is dan ook om de gemeente aan te porren werk te maken van de vijf voorwaarden. 
Meer te vinden op: www.ruimtelijkeordening.be (bij 'professionelen') en op www.vvsg.be


Van BPA naar RUP: een snelcursus

Een ABC-cursus over BPA's en RUP's, aangevuld met gegevens uit het decreet Ruimtelijke Ordening 18 mei 1999. Zie onderaan dit artikel voor een lijst met afkortingen. 

Wat met BPA’s?

BPA’s geven alleen bestemmingen. Zij kunnen verder worden uitgewerkt behalve wanneer zij het gewestplan veranderen. Deze laatste mogelijkheid vervalt definitief op 1 mei 2008. Vanaf 1 november 2006 zijn er bijkomende voorwaarden opgelegd. Het gewestplan veranderen wordt dus bijzonder moeilijk voor gemeenten die nog niet ver staan met hun structuurplan.

Wat zijn RUP’s?

Kunnen alleen wanneer het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan (GRSp) goedgekeurd is omdat dit essentieel bedoeld is om de richtlijnen van het GRSp om te zetten in concreet ruimtelijk beleid.
RUP’s geven:
- bestemmingen
- inrichting
- beheer en uitvoeringsmodaliteiten naar gelang van het specifiek probleem dus veel ruimer dan BPA’s. Wel moeten de bestemmingen, inrichting, beheer en uitvoeringsmodaliteiten samen in de voorschriften geformuleerd worden.

RUP's moeten niet volledig gebiedsdekkend zijn zoals de BPA’s. Zij kunnen algemene voorschriften bevatten voor het geheel van de omschrijving en specifieke voorschriften voor bepaalde zones.
RUP’s zijn geen structuurplannen: dus géén onderscheid informatief/ richtinggevend/ bindend. Alles is verordenend.
Ze vertrekken van een grotere betrokkenheid van deelnemende partners: gemeente, huisvestingsmaatschappijen, privé eigenaars... Om het “maatschappelijk draagvlak” zo groot mogelijk te maken is een strategie van voorlichting en overleg naar de maatschappelijke geledingen en bevolkingsgroepen nodig.
De mate van detaillering hangt af van het beleidsdoel van de RUP: verdichting, bescherming merkwaardige gebouwen of stadsgezichten, doorgroening, pleinvorming, bundeling van winkels...
Omwille van rechtszekerheid is een degelijke motivering voor de voorstellen in de RUP’s noodzakelijk.

Procedures

GRSp is de verplichte toetsingsbasis voor de RUP’s; vandaar het groot belang van het GRSp, dat moet aangeven waar en waarom RUP’s nodig zijn. Bij de inhoudsopgave van het RUP moet uitdrukkelijk “de relatie met het ruimtelijk structuurplan” worden opgegeven (DRO art 38 § 1).

De formele procedure gaat als volgt (DRO art.48-54):
  • het initiatief gaat uit van het College (niet van gemeenteraad) RUP is in uitvoering van het GRSp;
  • voorontwerp(VOW) gaat naar Bestendige Deputatie (BD), Gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar, andere betrokken administraties;
  • plenaire vergadering (binnen 21 dagen na versturen van het VOW) met BD, Gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar; eventueel Milieubeleid (“veiligheidsrapport);
  • ontwerp RUP vastgesteld door de gemeenteraad;
  • naar BD, betrokken Agentschap, Vlaamse regering;
  • openbaar onderzoek van het Ontwerp (60 dagen);
  • opmerkingen uit openbaar onderzoek, BD (alleen over overeenstemming met hogere plannen), Agentschap (idem), College Burgemeester en Schepenen van eigen en omliggende gemeenten naar Gecoro. Opmerkingen moeten rechtstreeks naar de Gecoro gestuurd (dus geen “censuur” van gemeentebestuur!). Die adviseert rechtstreeks de originele bezwaren (niet op een samenvatting ervan!);
  • gecoro-advies aan gemeenteraad (binnen 60 dagen);
  • gemeenteraad definitieve vaststelling (180 dagen na openbaar onderzoek);
  • verzending naar BD, Gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar: alleen toetst van conformiteit;
  • het Gewest heeft beroepsmogelijkheid over het advies van de Bestendige Deputatie alleen over dezelfde (formele) toetsingen.
  • voor onteigeningen of recht op voorkoop is de (Vlaamse) minister van Binnenlandse Zaken bevoegd. In deze gevallen moet een extra motivering voor onteigening of recht op voorkoop worden ingelast in de voorschriften.

Subsidiariteit

De hiërarchie van gewest, provincie en gemeente moet worden gerespecteerd. In geval van tegenstrijdigheid primeert het hoger niveau: structuurplannen (RSV, Provinciale, gemeentelijke), stedenbouwkundige verordeningen en RUP’s. Sommige materies behoren reglementair tot het gewestelijke niveau: “afbakening van stedelijke gebieden, strategisch stedelijke projecten en strategische projecten in het buitengebied, afbakening van natuurlijke en agrarische structuur en karakteristieke kenmerken van het landschap, ruimtelijke visie op specifieke economische knooppunten, opmaak RUP’s voor luchthaven, tracering lijninfrastructuren” e.a. (bron: RSV). Ook bepaalt het Gewest de principes voor de aanpak van lokale bedrijventerreinen, natuurverbindingsgebieden, e.a.

Het subsidiariteitsbeginsel lijkt in principe logisch. In praktijk geeft het echter aanleiding tot veel onduidelijkheid. Daarom is een open overleg in een zo vroeg mogelijk stadium met Provincie en Gewest noodzakelijk. Sommige RUP’s kunnen aldus zelfs materies van verschillende niveau’s samen behandelen: b.v. regionale en lokale bedrijventerreinen.
Wel kunnen lagere niveaus RUP’s van hogere niveaus wel“strenger” maken, niet afzwakken. Elk voorstel tot gemeentelijke RUP moet getoetst worden aan de structuurplannen RSV, Provinciaal, gemeentelijk), stedenbouwkundige voorschriften (ook 3 niveau’s) en andere RUP’s.

Sectorale integratie

De RUP’s kunnen inspelen op een ruimere strategie en gebruik maken van de wooncode, monumentenzorg, natuur - en milieureglementering... Het kan aldus een drager vormen van grondbeleid. (samenvatting een aanvulling door EL)

Afkortingen

BPA: Bijzonder Plan van Aanleg (ingesteld in de stedenbouwwet van 1962)
BD: Bestendige Deputatie
DRO: Decreet Ruimtelijke Ordening 1999
GRSp: Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan
RUP: Ruimtelijk Uitvoeringsplan
RSV: Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen
VOW: Voorontwerp

Luc Lehouck
Gewestelijk Stedenbouwkundig Ambtenaar

Beknopte handleiding voor de installatie van grondgebonden adviesraden

1 Aanleiding

De gemeenteraad heeft de opdracht om adviesraden en overlegcomités te installeren. Dit betekent enerzijds het vastleggen van het soort adviesraden en overlegcomités dat de gemeente nodig heeft en anderzijds de samenstelling, opdracht, bevoegdheden, werkingsmiddelen te bepalen. (zie ook gemeentedecreet, afdeling inspraak)

Deze inspraakorganen worden 1 maal per legislatuur vastgesteld. Het moment van vaststellen is afhankelijk van soort adviesraad en van de agenda van de gemeenteraad.

• De milieuraad wordt normaliter vastgesteld 6 maanden na ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst. Deze vaststelling wordt bij een nieuwe legislatuur opnieuw bevestigt. Dit betekent uiteraard dat de gemeenteraad de statuten en het huishoudelijk reglement van de milieuraad kan wijzigen.
• De GECORO wordt per legislatuur vastgesteld. Het decreet ruimtelijke ordening legt relatief veel vast.
• De woonraad is een overlegcomité of een adviesraad. De Vlaamse wooncode bepaalt weinig. Enkel als de gemeente een woonbeleid voert dan moet er overleg zijn. De gemeente bepaalt hoe ze een overleg invult. Dit wil zeggen dat de woonraad geen decretale of reglementaire grondslag heeft zoals de twee andere.

Meer info vind je op:
• www.milieuraad.be
• Mbt de gecoro: www.ruimtelijkeordening.be
• Mbt de woonraad: www.bouwenenwonen.be/bouwenenwonenwegwijs_in_bouwen_en_wonen_voor-overheid-lokaal_woonbeleid.html en www.bouwenenwonen.be/uploads/b1709_brochurewoonplan93328.pdf

2 De samenstelling van de adviesraden

De samenstelling is telkens een heikel punt. Wie aanwezig mag/kan zijn is afhankelijk van de beslissing van de gemeenteraad. Het is dan ook belangrijk dat voor elke adviesraad onderzocht wordt of de samenstelling beantwoordt aan onze voorwaarden.

2.1 De milieuraad

De milieuraad heeft een minder strikte samenstelling dan de gecoro. De stemgerechtigde leden zijn: milieu- en natuurverenigingen, onderwijs- en vormingsinstellingen, beroepsgroepen en beroepsorganisaties. De gemeenteraad bepaalt het aantal leden. Minstens 1/3 van de leden moeten lid zijn van een milieu- of natuurvereniging. De milieuraad kan bewoners coöpteren op basis van criteria als deskundigheid en inzet.

Belangrijk bij de samenstelling van de milieuraad is dat naast beroepsgroepen en beroepsorganisaties ook het maatschappelijk middelveld aanwezig is. Voorstel is dan
ook dat de gemeenteraad vijf groepen erkent:
• Milieu- en natuurverenigingen
• Onderwijs- en vormingsinstellingen
• Beroepsgroepen en beroepsorganisaties
• Maatschappelijk middenveld
• Deskundige en actieve bewoners (mensen uit buurt en wijkcomités bv)
• Deze groepen moeten evenwichtig aanwezig kunnen zijn mits uiteraard dat milieu- en natuurverenigingen 1/3 van het aantal leden innemen

2.2 De gecoro

De gecoro wordt strikter samengesteld. Het decreet bepaalt het aantal leden, bepaalt dat ¼ van de leden deskundigen moeten zijn, dat de voornaamste maatschappelijke geledingen aanwezig moeten zijn.

De meeste gemeenten zullen een gecoro kennen tussen de 9 en 13 leden (gemeenten tot 30.000 inwoners). Hoe lager het aantal leden, hoe moeilijker de verdeling over de verschillende maatschappelijke geledingen zijn.
Belangrijk is vooral dat deskundigen op een niet beroepsmatige manier wordt ingevuld. Een notaris heeft geen ruimtelijk inzicht omdat hij/zij toevallig met verkoop van gronden bezig is. Deskundig zijn betekent dat het mensen zijn die de gemeente en de wijken of dorpen van een gemeente kennen en de problemen op een ruimtelijke wijze kunnen vertalen. Dus de kennis van de maatschappelijke problemen en kansen in de gemeente is een belangrijk criterium. Deze invulling biedt kansen voor het actieve maatschappelijk middenveld.

Daarnaast is het belangrijk dat ruimtelijke of grondgebonden actoren zoals sociale huisvestingsmaatschappijen, milieuvereniging een plaats krijgen als deskundige. De verdeling over de maatschappelijke geledingen is een evenwichtsoefening. Hierbij is het belangrijk dat over de ganse gecoro bekeken een evenwicht is tussen werknemers-, werkgevers- , ruimtelijke en bewonersbelangen.

2.3 De woonraad

De samenstelling van de woonraad is afhankelijk van de doelstellingen van het woonbeleid. Een formule hiervoor hebben we niet. De Gecoro en de milieuraad zijn inspirerende voorbeelden.

AROHM beschrijft de samenstelling van de woonraad als volgt:
“Bij de samenstelling van de gemeentelijke woonraad moet er enerzijds voor gezorgd worden dat een afvaardiging van alle belangrijke huisvestingsactoren die in de betrokken gemeente actief zijn bij de werking van deze woonraad betrokken worden.
De woonraad moet anderzijds een dynamisch en werkbaar orgaan zijn. Dit impliceert een eerder beperkte samenstelling waarbij deskundigheid het eerste criterium dient te zijn. Te ruim samengestelde raden of commissies hebben immers vaak als nadeel dat ze in de praktijk al snel uitgroeien tot besluiteloze praatbarakken.
Tussen beide aandachtspunten (evenwichtige samenstelling versus slagkracht en deskundigheid) zal naar een zeker evenwicht moeten worden gezocht.
Een mandaat in de gemeente- of OCMW-raad lijkt ons onverenigbaar met het lidmaatschap van de woonraad. Beleidsvoerders hoeven zichzelf niet te adviseren.
Weliswaar zal het in bepaalde gevallen noodzakelijk zijn dat de bevoegde schepen deel uitmaakt van één van de werkgroepen indien specifieke plaatselijke situaties dit vereisen. Dit kan bvb. het geval zijn als de gemeente een eigen woningpatrimonium beheert of een grond- en pandenbeleid voert. In dit geval kan de schepen samen met de zaakvoerders van de erkende vennootschappen bvb. in een werkgroep 'Bouwactiviteiten openbare sector' zetelen.
In gemeenten met enige overlegtraditie op het vlak van de huisvesting zal de oprichting van een gemeentelijke woonraad in de praktijk het verruimen en officialiseren van een bestaande werkgroep huisvesting (bvb. gecreëerd in het kader van het Sociaal Impulsfonds) inhouden. Het secretariaat van deze woonraad wordt best waargenomen door de woonambtenaar of de coördinator van de Woonwinkel.”

3 Welke bevoegdheden?

De bevoegdheden zijn reglementair of decretaal bepaald. In onze ACW-nota rond de gecoro’s worden een aantal suggesties gedaan. Deze kunnen zo overgenomen worden en ook toegepast worden op de verschillende grondgebonden adviesraden.

3.1 Bevoegdheden van de gecoro (ACW-nota)

Een overzicht van de belangrijkste bepalingen.

In het huishoudelijk reglement wordt een duidelijke omschrijving gegeven van de inhoudelijke taakstelling en van wie een adviesvraag kan uitgaan. Het ACW pleit voor een brede inhoudelijke invulling en voor een ruime mogelijkheid tot het stellen van een adviesvraag.
Concreet:
“Naast de wettelijke bepaalde taken kan de GECORO advies verlenen over alle dossiers met een ruimtelijke weerslag: beleidsbrieven, begroting, alle ruimtelijke plannen, alle stedenbouwkundige verordeningen, alle projecten met een grote ruimtelijke impact op de omgeving...
De GECORO kan op vraag van het College, van de Gemeenteraad of een Gemeenteraadscommissie, op eigen initiatief en op verzoek van bewoners van de gemeente een advies verstrekken aan het College en de Gemeenteraad. De GECORO kan op eigen initiatief een debat organiseren over een (toekomstig) ruimtelijk probleem of knelpunt en kan hiervoor deskundigen en belanghebbenden betrekken.
De voorzitter en de bevoegde schepen en stedenbouwkundige ambtenaar bepalen de agenda. Elk lid van de GECORO heeft het recht om een punt toe te voegen aan de agenda. Hij/zij doet dit ten laatste vijf dagen voor de vergadering van de GECORO. Op de GECORO kan bij eenvoudige meerderheid van stemmen een agendapunt toegevoegd worden.
Leden van de GECORO kunnen een uitstel van advisering vragen om hun organisatie te informeren en te raadplegen. De GECORO komt dan na een week terug samen.”

In het huishoudelijk reglement wordt de mogelijkheid van het afsluiten van een jaarlijks af te spreken convenant voorzien. Concreet: Het gemeentebestuur kan jaarlijks een convenant afsluiten met de GECORO waarin ze de bijzondere ruimtelijke projecten en de betrokkenheid van de GECORO in vastlegt.

In het huishoudelijk reglement wordt de proactieve werking van de GECORO gewaarborgd. Concreet: “De GECORO wordt betrokken bij elk ruimtelijk project dat een grote ruimtelijke impact heeft op de omgeving vanaf het begin van het project. Deze betrokkenheid wordt vastgelegd per project.”

In het huishoudelijk reglement wordt de motivatieplicht beter omschreven. Concreet: “Het gemeentebestuur motiveert haar beslissingen. Bij een van het advies afwijkende beslissing licht het gemeentebestuur de beslissing op de volgende GECORO-vergadering toe.”

3.2 Bevoegheden van de milieuraad

De samenwerkingsovereenkomst heeft een voorbeeld van afsprakennota waarin een aantal mogelijke bevoegdheden staan:
“Artikel 1 Deze afsprakennota omvat de verbintenissen die de milieuraad van de gemeente x en het gemeentebestuur aangaan opdat de milieuraad zijn bevoegdheden kan uitoefenen conform zijn statuten. Deze afsprakennota is enkel rechtsgeldig indien ze wordt goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de milieuraad en door de gemeenteraad. Dit geldt ook voor alle eventuele latere wijzigingen.
Artikel 2 De gemeenteraad en het College van Burgemeester en Schepenen zullen de milieuraad betrekken bij de voorbereiding en de uitvoering van het gemeentelijk milieu- en natuurbeleid. Dit houdt in dat de gemeenteraad en het College van Burgemeester en Schepenen voor de definitieve besluitvorming de milieuraad om advies zullen vragen over alle natuur- en milieudossiers.

De milieuraad wordt in ieder geval om advies gevraagd met betrekking tot:
- het ontwerp van het Milieubeleidsplan en Milieujaarprogramma;
- de uitvoering die de gemeente geeft aan de Samenwerkingsovereenkomst;
- de begroting en de begrotingswijzigingen voor leefmilieu;
- het Gemeentelijk Natuurontwikkelingsplan.

Artikel 3 De milieuraad heeft het recht om over alle beleidsdossiers waarvan zij vindt dat er milieubelangen in het geding zijn op eigen initiatief een advies uit te brengen aan de gemeenteraad of aan het College van Burgemeester en Schepenen.”

Meer vind je op de website van het departement Natuur, Leefmilieu en Energie

3.3 Bevoegdheden van de woonraad

Arohm heeft een beperkt voorstel: “Om op het lokaal vlak te komen tot gedegen overleg en een zekere planningstraditie is het aangewezen om een gemeentelijke woonraad op te richten. Dit naar analogie met de Vlaamse Wooncode die voorziet in de oprichting van een Vlaamse woonraad.
Een gemeentelijke woonraad dient ofwel op eigen initiatief of op verzoek van de gemeenteraad of het College van Burgemeester en Schepenen adviezen uit te werken met betrekking tot het te voeren van een geïntegreerd gemeentelijk woonbeleid. Jaarlijks evalueert de woonraad de uitvoering van het gemeentelijk woonplan en eventuele buurtontwikkelingsplannen. De woonraad kan eveneens voorstellen tot bijsturing formuleren.
Om grijze zones en mogelijke bevoegdheidsconflicten te vermijden dienen zowel de bevoegdheden als de werkingsprocedures van een gemeentelijke woonraad van bij de start helder en eenduidig omschreven te worden. Het ware aangewezen dat de gemeenteraad zich engageert om de adviezen te volgen behoudens een uitdrukkelijke en gemotiveerde afwijking.”

4 Een breed maatschappelijk draagvlak voor de adviesraden

Een adviesraad kan niet werken vanuit een ivoren toren. Zij heeft ook een maatschappelijk draagvlak nodig. Voor elke raad zal dit draagvlak anders georganiseerd worden.

4.1 De milieuraad

De milieuraad is een type adviesraad die welbewust en doelbewust een open beleid voert naar de bewoners en het middenveld. Dit hoort tot haar taakomschrijving in de samenwerkingsovereenkomst.

4.2 De gecoro

De gecoro daarentegen is eerder het voorbeeld van een gesloten adviesraad. Dit heeft ondermeer te maken met de taakstelling om over bezwaarschriften te oordelen. Maar de gecoro heeft een veel ruimere opdracht. En daarenboven heeft ze ook de opdracht om haar voelsprieten uit te steken. Daarom pleiten we voor een open adviesraad (waar wettelijk mogelijk) en voor een adviesraad die participatie organiseert.

4.3 De woonraad

Indien de woonraad een woonoverleg is met verschillende actoren is de taakstelling van de woonraad gericht op het realiseren van wooprojecten. De afspraken daaromtrent kunnen het best in een gesloten raad gebeuren. Indien de woonraad een adviesraad is dan is het zinvol dat de woonraad doelbewust een maatschappelijk draagvlak zoekt voor het woonbeleid.

4.4 Een voorbeeld

In het huishoudelijk reglement wordt de openheid vastgelegd. Concreet: “De GECORO is openbaar. Enkel genodigden hebben spreekrecht. De voorzitter maakt bij het begin duidelijk wat in openbare zitting en wat in besloten zitting wordt besproken. De commissie kan bij eenvoudige meerderheid een besloten zitting openbaar maken.”
In het huishoudelijk reglement moet de mogelijkheid voorzien worden om participatie te organiseren. Hiertoe moet de GECORO ondersteuning kunnen krijgen. Concreet: “De GECORO heeft de opdracht om bij de formulering van haar advies alle maatschappelijke en lokale groepen te horen. Hiertoe kan ze participatiemomenten organiseren. De gemeente ondersteunt de GECORO hiervoor.”


Evaluatie van de gemeentelijke commissies ruimtelijke ordening (GECORO) en voorstellen ter verbetering van de werking

Begin 2007 worden de GECORO’s opnieuw samengesteld. Dit is voor het ACW en de deeltakken een geschikt moment om deze adviesraden te evalueren en te kijken op welke wijze deze adviesraden hun taken invullen. 

De werkgroep DO heeft de verbonden gevraagd een evaluatie te maken. Daarnaast is er nog een gesprek gevoerd met het ACV. Deze evaluaties bieden voldoende stof om een grondige hervorming van de GECORO’s te vragen.

Om strategische redenen willen we niet onmiddellijk decretale aanpassingen voorstellen. De kans bestaat immers dat we hiermee een poort openen voor een mogelijke afschaffing of inperking van deze adviesraad. We willen in eerste instantie werken aan het ondersteunen van de adviesraadsleden en de mandatarissen die verantwoordelijk zijn voor de goede werking van deze adviesraad.

Uit de evaluatie van de werking van de GECORO’s blijkt dat deze adviesraden als een goed instrument beschouwd worden. De gemeente kan een beter ruimtelijk beleid voeren indien er een goedwerkende GECORO is. Er is niet enkel meer draagvlak voor het ruimtelijk beleid, wat een van de essentiële doelstellingen is van een dergelijke adviesraad, er is ook een inhoudelijk beter beleid.

Uit de evaluatie blijkt ook dat niet elke adviesraad goed werkt. Verschillende knelpunten drijven naar boven:
  • samenstelling van de adviesraad: gebrek aan deskundigheid, een te eenzijdige samenstelling, een te politieke samenstelling, onder- of niet vertegenwoordiging van bepaalde groepen …;
  • bevoegdheden van de adviesraad: te beperkte invulling van de wettelijke bevoegdheden, geen of beperkt initiatiefrecht …;
  • relatie met het college en de gemeenteraad: geen samenwerking, geen of te beperkte motivatie bij niet volgen van advies, geen of te beperkte informatie…
  • ondersteuning van de adviesraad;
  • relatie met de brede gemeente: gesloten adviesraad, geen bekendmaking verslaggeving, geen relatie met bevolkingsgroepen en buurt- of dorpsgroepen.
In deze nota willen we een aantal richtingen van antwoorden geven op de knelpunten. Heel wat knelpunten zijn immers een gevolg van een mentaliteit, gebrek aan engagement en politieke wil van de verschillende actoren. Deze ‘persoonlijke’ enmerken kun je niet met regelgeving veranderen. We kunnen wél via regelgeving een aantal randvoorwaarden veranderen.

In de nota wordt aangeduid welke de maatregelen zijn voor een huishoudelijk reglement en welke de maatregelen zijn voor een decreetwijziging. Op deze manier zijn we voorbereid indien een discussie in het Vlaams parlement zou gevoerd worden.
In de nota behandelen we alleen de GECORO. De PROCORO (Provinciale Commissie) is een andersoortige commissie en meer te vergelijken met de VLACORO (Vlaamse Commissie). Uit de (beperkte) evaluatie van de PROCORO’s blijkt dat deze degelijk werken.

Voorstellen ter verbetering van de werking van de GECORO

Uit de evaluatie blijkt dat elke gemeente een eigen manier van werken heeft. Belangrijk is dat er een duidelijk kader is voor de werking van de GECORO (d.w.z. de rechten en plichten zijn voor elke GECORO hetzelfde). Naast het algemene kader zal een gemeente telkens maatwerk moeten leveren. In deze nota geven we richtingen van een algemeen kader dat ruimte biedt voor lokaal maatwerk.

1. Het ACW ijvert voor een actieve GECORO

Het decreet geeft op een duidelijke manier aan welke adviesmogelijkheden een GECORO heeft. In eerste instantie gaat het over het ruimtelijk structuurplan van de gemeente en de daaruit voortvloeiende plannen. Daarnaast en in tweede instantie kan
een GECORO adviseren over alle aangelegenheden die het ruimtelijk beleid van de gemeente aanbelangt.
Uit de evaluatie blijkt dat de invulling van de adviestaken sterk afhankelijk is van de goodwill van de gemeente, de deskundigheid van de leden van de adviesraad, de ondersteuning van de adviesraad.

Naast de breedte van de inhoudelijke invulling kunnen GECORO’s hun adviestaak ook ruim invullen: op eigen initiatief en op vraag van college en gemeenteraad en op vraag van de bevolking. In veel gemeenten werkt een GECORO enkel op vraag van het college. De andere mogelijkheden (eigen initiatief of op vraag van gemeenteraad) worden in mindere of veel mindere mate toegepast.
Ook deze invulling is sterk afhankelijk van de goodwill van de gemeente, de deskundigheid van de leden van de adviesraad en de ondersteuning van de adviesraad.

Ten aanzien van de goodwill van de gemeente is het belangrijk dat de decreetgever het belang van de adviesraad benadrukt en een ruime omschrijving van de inhoudelijke taken in een omzendbrief geeft.

Voorstel naar de decreetgever:
In een omzendbrief wordt het belang van de adviesraad, de rol en de taken benadrukt. Een ruime omschrijving is noodzakelijk.

Naast deze omzendbrief is het belangrijk dat de adviesraad bij de start een brede discussie voert over haar opdracht. De conclusies van deze discussie moeten vertaald worden in een huishoudelijk reglement.

Voorstel naar de gemeente:
In het huishoudelijk reglement wordt een duidelijke omschrijving gegeven van de inhoudelijke taakstelling en van wie een adviesvraag kan uitgaan. Het ACW pleit voor een brede inhoudelijke invulling en voor een ruime mogelijkheid tot het stellen van een adviesvraag.
Concreet:
“Naast de wettelijke bepaalde taken kan de GECORO advies verlenen over alle dossiers met een ruimtelijke weerslag: beleidsbrieven, begroting, alle ruimtelijke plannen, alle stedenbouwkundige verordeningen, alle projecten met een grote ruimtelijke impact op de omgeving, …
De GECORO kan op vraag van het college, van de gemeenteraad of een gemeenteraadscommissie, op eigen initiatief en op verzoek van bewoners van de gemeente een advies verstrekken aan het College en de Gemeenteraad.
De GECORO kan op eigen initiatief een debat organiseren over een (toekomstig) ruimtelijk probleem of knelpunt en kan hiervoor deskundigen en belanghebbenden betrekken.
De voorzitter en de bevoegde schepen en stedenbouwkundige ambtenaar bepalen de agenda. Elk lid van de GECORO heeft het recht om een punt toe te voegen aan de agenda. Hij/zij doet dit ten laatste vijf dagen voor de vergadering van de GECORO. Op de GECORO kan, bij eenvoudige meerderheid van stemmen, een agendapunt toegevoegd worden.
Leden van de GECORO kunnen een uitstel van advisering vragen om hun organisatie te informeren en te raadplegen. De GECORO komt dan na een week terug samen.”

Verschillende GECORO’s werken met een convenant naast een huishoudelijk reglement. In het convenant staan dan concrete uitwerkingen van het huishoudelijk reglement: welke beleidsnota’s worden geadviseerd door de GECORO; bij welke grote projecten wordt de GECORO betrokken; op welke wijze wordt de GECORO betrokken … Het convenant toont de bereidheid van het gemeentebestuur om de GECORO ten volle te betrekken bij de ontwikkeling van het ruimtelijk beleid.

Het convenant is op deze wijze de concrete vertaling van het huishoudelijk reglement en is tegelijkertijd een engagement van zowel het gemeentebestuur als de GECORO.

Voorstel naar de gemeente:
In het huishoudelijk reglement wordt de mogelijkheid van het afsluiten van een jaarlijks af te spreken convenant voorzien.
Concreet:
Het gemeentebestuur kan jaarlijks een convenant afsluiten met de GECORO waarin ze de bijzondere ruimtelijke projecten en de betrokkenheid van de GECORO in vastlegt.

2. Het ACW pleit voor een pro-actieve GECORO

De adviesprocedure houdt meestal in dat de GECORO betrokken wordt bij een bepaald project (structuurplan, rup, verordening …) wanneer het project bijna klaar is. Het advies is dan ook meestal naderhand een corrigerend advies. De GECORO heeft nochtans ook de bedoeling om een draagvlak voor een ruimtelijk beleid te creëren. Dan is het ook de bedoeling dat de GECORO vroeg genoeg bij het project wordt betrokken. Zo kan een advies meer opbouwend dan corrigerend zijn.

Voorstel naar de decreetgever:
In de omzendbrief moet duidelijk gemaakt worden dat de GECORO, zo vlug als mogelijk, moet betrokken worden bij ruimtelijke projecten. D.w.z. vanaf het begin van de procedure van een project. De omzendbrief kan hierbij zich beroepen op het Aarhusverdrag, waarin gesteld wordt om inspraak te voorzien in een fase waarin alle opties nog mogelijk zijn.

Noot: In 1998 werd in Denemarken het Verdrag van Aarhus afgesloten. Het is een belangrijk verdrag dat de burger het recht geeft op informatie en inspraak en toegang verleent tot de rechter; telkens in milieuaangelegenheden. Het wordt omgezet in allerlei regelgeving en maatregelen en dat zowel op het niveau van de Europese Unie als op Belgisch en Vlaams niveau.

Voorstel naar de gemeente:
In het huishoudelijk reglement wordt de pro-actieve werking van de GECORO gewaarborgd.
Concreet:
“De GECORO wordt betrokken bij elk ruimtelijk project dat een grote ruimtelijke impact heeft op de omgeving vanaf het begin van het project. Deze betrokkenheid wordt vastgelegd per project.”

3. Het ACW pleit voor een GECORO die een draagvlak heeft

Het decreet geeft een dubbel doel aan de GECORO’s: enerzijds deskundige adviezen geven, anderzijds een maatschappelijk draagvlak nastreven. Deze twee doelen worden vastgelegd in de samenstelling van de GECORO. Tegelijkertijd laat het decreet de gemeente heel wat vrijheid om deze groep concreet in te vullen.

In de dagelijkse praktijk zien we dan ook dat rond de samenstelling nogal wat problemen rijzen: bepaalde sectorale groepen zijn overtallig aanwezig, er is een sterke focus op vastgoeddeskundigen, bepaalde bevolkingsgroepen zijn niet of nauwelijks aanwezig,…

Voorstel naar de decreetgever:
In de omzendbrief moet het accent komen te liggen op een evenwichtig maatschappelijk draagvlak dat de gemeente moet kunnen aantonen. Maatschappelijk draagvlak is meer dan het organiseren van een adviesraad. Uit evaluaties van adviesraden blijkt dat adviesraden voor een draagvlak voor het beleid moeten zorgen, maar te weinig banden hebben met de bevolking en buurten.
Door de samenstelling (de aanwezigheid van 1/3 vrouwen is voor sommige raden reeds een groot probleem) komen bovendien sommige groepen amper aan het woord. Met andere woorden, sommige groepen (jongeren, gekleurde mensen, …) hebben geen stem in de adviesraad.

Voor het ACW moet de GECORO ook zorgen voor een maatschappelijk draagvlak. Dit betekent:
  • de samenstelling moet zo evenwichtig mogelijk zijn: de lokale maatschappij moet gerepresenteerd kunnen worden;
  • de GECORO (of leden ervan) moet groepen en buurten een stem kunnen geven, indien zij niet vertegenwoordigd zijn in de GECORO. Dit kan gebeuren door deze groepen eenmalig) uit te nodigen of door als GECORO aanwezig te zijn in die buurten debatmomenten organiseren in een buurt, bv.);
  • de leden van de GECORO moeten de mogelijkheid hebben om hun organisatie te raadplegen. Dit veronderstelt dat beslissingen uitgesteld kunnen worden.
In de discussie rond draagvlak speelt steeds de discussie tussen particulier of lokaal en algemeen belang mee. Deze discussie is ons inziens een valse discussie. Ruimtelijke ordening van een gemeente is immers het gevolg van een samenspel van verschillende maatschappelijke belangen, waarvan de een beter gehoord wordt dan de andere. In dit machtsspel worden lokale belangen die leefbaarheidseisen stellen, meestal omwille van het zogenaamde algemene belang opzij geschoven.

De GECORO heeft voor het ACW de taak om de verschillende groepen een gelijkwaardige stem te geven en vanuit deze verschillende argumenten een ruimtelijk advies te brengen. Met andere woorden, het lokaal belang brengt voor ons steeds (ruimtelijke) argumenten aan die een gelijkwaardig belang vertegenwoordigen met andere. Daarom is het ook belangrijk dat de GECORO een dialoog ontwikkelt met de buurten en bevolkingsgroepen. 

Voorstel naar de gemeente:
In het huishoudelijk reglement moet de mogelijkheid voorzien worden om participatie te organiseren. Hiertoe moet de GECORO ondersteuning kunnen krijgen.
Concreet:
“De GECORO heeft de opdracht om bij de formulering van haar advies alle maatschappelijke en lokale groepen te horen. Hiertoe kan ze participatiemomenten organiseren. De gemeente ondersteunt de GECORO hiervoor.”

Het draagvlak vergroten betekent ook het gezag van de GECORO vergroten. Dit veronderstelt een goede communicatie met de gemeenteraad. De rol van een gemeenteraadslid is immers om ook en vooral het volk te vertegenwoordigen. Daarom is het nodig dat de GECORO voor iedere vergadering een vertegenwoordiger uitnodigt van elke politieke fractie in de gemeenteraad. De uitnodiging gaat naar de politieke fractie die zelf bepaalt wie zij afvaardigen om de vergadering bij te wonen.

Voorstel naar de gemeente:
In het huishoudelijk reglement staat dat de gemeenteraad uitgenodigd wordt naar de GECORO en dat elk advies ook gezonden wordt naar de gemeenteraad.
Concreet:
“Elke fractie in de gemeenteraad krijgt een vertegenwoordiger in de GECORO die spreekgerechtigd is. De gemeenteraadsleden krijgen een afschrift van de adviezen van de GECORO.”

4. Het ACW pleit voor een deskundige GECORO

Aan de GECORO wordt hoge eisen gesteld. Het decreet vraagt dat de GECORO een advies geeft gebaseerd op ruimtelijke argumenten en op een draagvlak. Dit eerste veronderstelt dat de leden van de GECORO een bepaalde ruimtelijke kennis en inzicht hebben verworven.

Uit de evaluatie blijkt dat er heel wat vragen zijn naar de invulling van de term deskundige”. Voor het ACW gaat dit over “het hebben van een ruimtelijk en maatschappelijk inzicht”.
Voor ons is dit niet gebonden aan een diploma, en zeker niet gebonden aan een zekere kennis van vastgoed (architecten, notarissen, landmeters, immobiliënsector…). Maar gaat wel om de bereidheid te argumenteren vanuit een ruimtelijk inzicht, met ruimtelijke argumenten.

Voor het ACW is iedereen die vanuit ruimte argumenteert een deskundige. Bijkomend: iedereen die vanuit maatschappelijk inzicht op een ruimtelijke manier kan vertalen is een deskundige. Een buurtbewoner kan vanuit zijn maatschappelijk inzicht in het functioneren van buurten een belangrijke bijdrage leveren aan het debat. Hetzelfde geldt voor middenveldorganisaties.

Pas op deze manier, het debat op basis van ruimtelijke argumenten, kunnen egoïstische sectorale en lokale belangen overstegen worden.

Voorstel naar de decreetgever:
In de omzendbrief moet deskundigheid beter en breder omschreven worden: een deskundige is iemand die een ruimtelijk en maatschappelijk inzicht heeft.

Voorstel naar de gemeente:

We vragen aan de gemeente om deskundigheid niet alleen te definiëren vanuit een diploma, maar eerder vanuit de bereidheid om vanuit een ruimtelijk en maatschappelijk inzicht te discussiëren of een ruimtelijk inzicht te verwerven.

Deskundigheid is dus voor ons ook verbonden met de nood aan vorming en inzichten. Uit de evaluatie blijkt tevens dat gemeenten en GECORO’s zich bewust zijn van de nood aan ruimtelijke kennis en inzichten. Veel gemeenten ondersteunen de leden van de GECORO’s door het aanbieden van vorming, informatie, studiemomenten enzovoort. Toch blijkt dat niet elke gemeente een voldoende ondersteuning geeft.

Voorstel naar de decreetgever:
In de omzendbrief moet duidelijk gemaakt worden dat de leden van de GECORO de mogelijkheid moeten hebben om zich bij te scholen. Hiervoor moet de gemeente een reëel budget vrijmaken. De administratie moet, in samenwerking met middenveldorganisaties, vormingen en bijscholingen aanbieden. Dit moet niet enkel via de VVSG lopen.

Voorstel naar de gemeente:
In het huishoudelijk reglement worden de initiatieven om deskundiger te worden vastgelegd.
Concreet: “De GECORO krijgt een budget voor de deskundigheidsbevordering van de leden van de GECORO.”

De motivatieplicht van het gemeentebestuur kan deskundigheidsbevorderend werken. Het gemeentebestuur kan afwijken van een advies maar moet dit motiveren. Deze motivatie moet dan ook gecommuniceerd worden aan de GECORO. Nog beter is dat de afwijkende beslissing toegelicht wordt aan de GECORO. Dit betekent dat het gemeentebestuur goed (ruimtelijk) moet argumenteren.

Voorstel naar de gemeente:
In het huishoudelijk reglement wordt de motivatieplicht beter omschreven.
Concreet:
“Het gemeentebestuur motiveert haar beslissingen. Bij een van het advies afwijkende beslissing licht het gemeentebestuur de beslissing op de volgende GECORO-vergadering toe.”

5. Het ACW pleit voor een open GECORO

Uit de teksten van het decreet en het uitvoeringsbesluit kan men afleiden dat de wetgever ervan uitgaat dat de vergaderingen in principe besloten zijn en dat het openbaar houden van de vergaderingen een bijzondere beslissing van de commissie vereist.

ACW pleit voor een open vergadering die besloten is zodra de commissie discussieert over bezwaren. De openheid is noodzakelijk als de GECORO een voldoende draagvlak wil creëren en hebben. Zolang de commissie niet discussieert over de bezwaren bij een bepaald plan, is de commissie open. Dit wil zeggen: discussies over het ruimtelijk structuurplan bijvoorbeeld zijn steeds openbaar, omdat deze enkel handelen over de grote ruimtelijke krachtlijnen van de gemeente. Een openbare discussie kan namelijk het maatschappelijk debat voeden. Bij een openbare discussie wordt de argumentatie achter een advies duidelijker. Dit verhoogt het democratische gehalte van de besluitvorming.

Voorstel naar de decreetgever:
In de omzendbrief wordt het open karakter van de commissie bevestigd. De redenen voor beslotenheid worden nauwgezet omschreven.

Voorstel naar de gemeente:

In het huishoudelijk reglement wordt de openheid vastgelegd.
Concreet:
“De GECORO is openbaar. Enkel genodigden hebben spreekrecht. De voorzitter maakt bij het begin duidelijk wat in openbare zitting en wat in besloten zitting wordt besproken. De commissie kan bij eenvoudige meerderheid een besloten zitting openbaar maken.”

6. Het ACW pleit voor een ondersteunde GECORO

De werking van de GECORO is afhankelijk van de wijze waarop de voorbereiding van de dossiers plaatsvindt. Daarmee kan de werking van de GECORO niet los gezien worden van de werking van de stedelijke/gemeentelijke diensten. Hierbinnen zijn echter structurele veranderingen noodzakelijk om het ruimtelijk beleid van een gemeente/stad beter te kunnen invullen.
De meeste GECORO-secretariaten zijn verre van toegerust om in te staan voor de agendering en de grondige voorbereiding van de vergaderingen en zorg te dragen voor een goede opvolging en inbedding van de adviezen.
We pleiten voor de uitbouw binnen de gemeentelijke en stedelijke administratie van een onafhankelijke cel, die kan instaan voor de ondersteuning van de werking van de adviesraden.
Dit veronderstelt een versterking van de gemeentelijke/stedelijke diensten. Kleine gemeenten moeten intergemeentelijk een dergelijke versterking ontwikkelen. Een intergemeentelijke commissie kan een zinvol instrument zijn.

De gemeenteraad moet daarnaast de nodige werkingsmiddelen ter beschikking stellen van de commissie zodat zij haar taak naar behoren kan uitoefenen. In het huishoudelijk reglement kunnen nadere regels opgenomen worden in verband met het beheer van deze werkingsmiddelen. De werkingsmiddelen worden onder meer aangewend voor de vergoedingen (zitpenningen, reis- en verblijfsvergoedingen) en de verloning van externe deskundigen.

ACW vraagt dat een deel van de werkingsmiddelen naar vormingsinitiatieven gaan. We stellen een vorm van trekkingsrecht voor vormingsinitiatieven voor. Deze vorming zou tweeledig moeten zijn: een vorming rond het decretale en rond een visievorming inzake ruimtelijke ordening.

Voorstel naar de gemeente:
In het huishoudelijk reglement wordt de mogelijkheid van een trekkingsrecht voor vorming vastgelegd.
Concreet:
“Elk lid van de GECORO kan tot een bedrag van … vormingsinitiatieven volgen en literatuur m.b.t. ruimtelijke ordening aankopen.”

Het effectief lid van een GECORO wordt ook ondersteund indien hij/zij de dossiers met zijn/haar plaatsvervanger kan volgen. We pleiten dan ook voor de permanente betrokkenheid van de plaatsvervanger.



Een Atlas heeft een steunpunt nodig: ACW pleit voor doortastend lokaal woonbeleid

Eind vorig jaar werd de atlas van de woonuitbreidingsgebieden voorgesteld. Deze atlas maakt of zou duidelijk maken welke gebieden nog in aanmerking komen voor woningbouw. Door zekerheid te creëren gaat de Vlaamse regering er vanuit dat er meer bouwterreinen op de markt komen, met een druk op de grondprijzen als effect. Maar zonder een doortastend lokaal woonbeleid is een atlas een zoveelste kijkboek of nog erger een zoveelste instrument waarmee alleen speculatie wordt gediend.

De atlas duidt drie soorten gebieden aan:
  • woonuitbreidingsgebieden die onmiddellijk aan te snijden zijn. Dit zijn gebieden gelegen bij de kern van een leefgemeenschap en minder ecologisch waardevol.
  • woonuitbreidingsgebieden die omwille van ecologische redenen niet aangesneden mogen worden. Dit zijn o.a. waterzieke gebieden of gebieden die door een of ander natuurdecreet (duinendecreet bv) of Europese richtlijn worden “getroffen”.
  • woonuitbreidingsgebieden waar de uiteindelijke bestemming nog in onderzoek is. Over deze gebieden is nog geen uitspraak gevallen binnen een afbakeningsplan van een stedelijk gebied of een structuurplan van een gemeente.
De eerste praktijkervaringen leren ons dat de atlas niet gebruikt wordt als een instrument bij het beoordelen van mogelijk aansnijden van woonuitbreidingsgebieden. Gebieden die aangemerkt staan om onmiddellijk aan te snijden, moeten – logischerwijze – nog een grondig onderzoek doorlopen. De atlas is met name geen vrijbrief voor het aansnijden.

De atlas dreigt dus een kijkboek te worden of een speculatie-instrument. Om dit te voorkomen is een sterk lokaal woonbeleid noodzakelijk. De vraag is of de gemeenten de komende maanden hieraan nog zullen werken. We kunnen vermoeden dat een woonbeleid pas op de agenda zal komen van de komende gemeenteraad.

Lokaal woonbeleid voeren

We kunnen ons nu al voorbereiden. Elke gemeente kan een lokaal woonbeleid voeren en kan daarvoor minstens zes acties ondernemen.

1. Er moet werk gemaakt worden van een lokale woonraad waarin de verschillende woon- en welzijnsactoren en andere actieve lokale organisaties zetelen. Deze raad is een belangrijke waarborg voor een sociaal woonbeleid in iedere gemeente. Het ondersteunt het gemeentebestuur inhoudelijk, niet enkel door een visie te ontwikkelen maar ook door instrumenten aan te reiken om het gevoerde woonbeleid te evalueren en te verbeteren.
2. Het woonbeleid moet vorm krijgen in een ruimtelijk structuurplan en in uitvoeringsplannen. Zolang gemeenten talmen met een ruimtelijk beleid kan er ook geen sprake zijn van een (sterk) woonbeleid.
3. Binnen het structuurplan moeten de woonuitbreidingsgebieden omschreven worden als sociale en betaalbare woongebieden. Voor het ACW, maar ook voor minister Keulen, betekent dit dat minstens 50 % van het woonuitbreidingsgebied gereserveerd wordt voor sociale woningbouw. In het gemeentelijk structuurplan moet dit zo voorzien worden.
4. Woonuitbreidingsgebieden zijn zones voor o.m. huurwoningen. Een mix van koop- en huurwoningen is nodig, zowel privé als sociaal: niet iedereen is in staat om te kopen of te bouwen. Wie het wel doet, kan zich overschatten. Elk jaar verliezen minstens 8.000 gezinnen hun woning. Velen moeten inleveren op hun welzijn voor het aflossen van een lening. Meer huurwoningen moeten mensen meer zekerheid van een dak geven zonder dat zij zich in onmogelijke avonturen wagen. Ook de privé moet dus investeren in huurwoningen: minstens de helft van de sociale woningbouw moet uit sociale huurwoningen bestaan. Het gemeentelijk structuurplan legt het lokaal woonbeleid cijfermatig vast.
5. Er moeten maatregelen genomen worden over privé-verkavelingen. Ook hier kan de gemeente betaalbaar wonen afdwingen. Via stedenbouwkundige lasten kan minstens 25 % van de verkaveling gereserveerd worden voor sociale woningbouw. Voor kleinere verkavelingen kunnen betaalbare prijzen afgedwongen worden.
6. Gemeenten kunnen werk maken van een effectief grondbeleid: een register van onbebouwde percelen (verplicht), een register van leegstaande panden, zelf gronden en panden aankopen (eventueel via het recht op voorkoop), premies en heffingen als wortel en stok...

Een stevig lokaal woonbeleid kan een antwoord zijn op de wens naar meer sociaal en betaalbaar wonen. De gemeenten hebben de meeste instrumenten in handen. Een atlas is er één van maar het is zeker niet voldoende. Zonder een doortastend lokaal woonbeleid zal de atlas immers leiden tot speculatie en dus tot hogere prijzen. 

 

Op weg naar eenmaking van milieu- en bouwvergunning

24 februari 2006 was een heuglijke dag voor de voorvechters van de integratie van de milieu- en bouwvergunning. Op die dag heeft de Vlaamse regering een conceptnota goedgekeurd met als voorwerp: de harmonisatie van de milieu- en stedenbouwkundige vergunning. Een echte integratie van beide vergunningen is nog niet voor morgen, een afstemming van de vergunningsprocedures misschien wel.

Wat gebeurt er vandaag?

Op dit ogenblik volgen de milieu- en bouwvergunning elk hun eigen weg: afzonderlijke aanvragen, verschillende bevoegde overheden, andere termijnen, verschillende procedures, ieder een openbaar onderzoek,…
Nochtans zijn beiden onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Milieu-impact’ en ‘ruimtelijke verenigbaarheid’ hebben duidelijk raakvlakken. In beide gevallen tast de overheid af of een inrichting ‘past’ in haar omgeving. Die band is nu ook al min of meer in de wetgeving verankerd. De bevoegde afdeling ROHM van de administratie Ruimtelijke ordening, huisvesting, monumenten en landschappen moet verplicht advies verlenen voor alle milieuvergunningsaanvragen klasse 1 en voor sommige aanvragen klasse 2.
Bovendien zijn de milieu- en bouwvergunning aan elkaar gekoppeld. Moet voor een inrichting zowel een milieu- als een bouwvergunning aangevraagd worden, dan wordt de milieuvergunning geschorst zolang de bouwvergunning niet is verleend of omgekeerd. Wordt de bouwvergunning uiteindelijk geweigerd dan vervalt de milieuvergunning van rechtswege of omgekeerd.

Wat is er gepland voor morgen?

In het kader van een verdere administratieve vereenvoudiging gaan de ministers van leefmilieu en ruimtelijke ordening werk maken van een daadwerkelijke integratie van beide vergunningen. Ongetwijfeld een werk van lange adem. Daarom zullen ze op korte termijn vergunningsprocedures reeds op elkaar afstemmen.

Enkele voorbeelden:
■ De exploitant zal voor alle vergunningsaanvragen terecht kunnen bij 1 fysiek loket bij de gemeente. Hij zal er ook vragen kunnen stellen rond een milieuvergunningsaanvraag klasse 1, waarvoor de provincie bevoegd is.
■ Het gelijktijdig indienen van de milieu- en bouwvergunningsaanvraag zal gestimuleerd worden (1 loket, betere begeleiding,enz.).
■ De aanvraagdossiers zullen vereenvoudigd worden. De exploitant zal niet langer die informatie moeten bezorgen die de overheid zelf kan opsnorren: eerdere vergunningen, statuten van de vennootschap, kadastrale leggers en planners,enz.
■ Het gemeentelijke loket zal 1 enkele ontvankelijkheids- en volledige verklaring uitreiken voor alle aanvragen.
■ De gemeente zal 1 enkel geïntegreerd openbaar onderzoek organiseren voor beide vergunningsprocedures.
■ Adviesinstanties, die zowel in het kader van de milieu- als de bouwvergunning advies moeten verlenen, kunnen zich beperken tot 1 enkel advies.
■ De beslissingstermijn voor een milieuvergunningsaanvraag klasse 2 én een bouwvergunningsaanvraag worden gelijkgeschakeld: ze wordt op 105 dagen gebracht.

Wat kan een verre toekomst ons brengen?

Is de uiteindelijke eenmaking van de milieu-en de bouwvergunning een eindpunt? Wellicht niet. Misschien behoort ook de integratie van bijvoorbeeld de sociaal-economische vergunning tot de mogelijkheden? En wie droomt niet van een elektronische vergunningsaanvraag?

De Vlaamse Grondenbank: een nieuwe stap in het Vlaamse grondbeleid

In Vlaanderen wordt er op een kleine oppervlakte geleefd en gewerkt. Door de verweving van ruimtelijke functies en het meervoudig potentieel gebruik van gronden ontstaat er een grote druk op de schaarse ruimte. Dit leidt er vaak toe dat deze functies met elkaar in conflict komen. Een goed ruimtelijk structuurbeleid en grondbeleid zijn in dergelijke situaties een noodzaak. Met de oprichting van de Vlaamse Grondenbank creëert de Vlaamse overheid een nieuw instrument voor de uitvoering van haar grondbeleid.

Eén van de taken van de Vlaamse Grondenbank is administratieve vereenvoudiging door de bundeling van de bestaande decretale rechten van voorkoop en de bestaande koopplichten. Via het recht van voorkoop kan de overheid gronden verwerven die ze nodig heeft om bepaalde infrastructuurwerken of andere overheidsmaatregelen uit te voeren, zonder te moeten overgaan tot een ingrijpende maatregel als onteigening. Op die manier kan ze onroerende goederen verwerven met het oog op het voeren van een actief grondbeleid.
De aankoopplicht verplicht de overheid bepaalde onroerende goederen aan te kopen wanneer deze onderhevig zijn aan een ernstige waardevermindering of wanneer de leefbaarheid van de terreinen in gedrang komt ten gevolge van een aantal wettelijke bepalingen.

Het is opvallend dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen de voorkooprechten in het beleidsdomein Leefmilieu, Landinrichting en Natuurbehoud en de andere ‘externe’ voorkooprechten, die zich voornamelijk in het stedelijk gebied situeren. De eigen rechten van voorkoop kan de Grondenbank in eigen naam en voor eigen rekening uitoefenen. Het is niet de Grondenbank die beslist om bepaalde gronden op te kopen. Ze doet dit steeds op verzoek van en na advies van de bevoegde administratie.
De ‘externe’ voorkooprechten worden door de begunstigde administratieve overheden bv. huisvesting, havenbeheer, BAM) uitgeoefend en vervuld. Het is wel de bedoeling dat de Grondenbank, in naam en voor rekening van deze ‘externe’ begunstigden, het recht van voorkoop gaat uitoefenen volgens de voorwaarden die zij stellen. Zo kan een gemeentelijk havenbedrijf of een sociale huisvestingsmaatschappij aan de Grondenbank de opdracht geven om in haar naam het voorkooprecht uit te oefenen.

Grondreserves

De Grondenbank zal ook worden ingezet voor het aanleggen van grondreserves in functie van de realisatie van projecten inzake bosuitbreiding of natuurbehoud. De laatste jaren ontstonden er geregeld conflicten met lokale landbouwgemeenschappen omdat de doelstellingen van natuurbehoud of –herstel niet altijd verzoenbaar waren met de bedrijfssituatie van de landbouwers. Zo moesten sommige veetelers van intensieve naar extensieve veeteelt overschakelen om tegemoet te komen aan de doelstelling van natuurontwikkeling. Anderen zagen zich genoodzaakt hun landbouwactiviteiten stop te zetten omdat hun bedrijf in dergelijke omstandigheden niet langer leefbaar was.

Het aanleggen van een grondreserve buiten het natuurgebied kan de Vlaamse Grondenbank soelaas bieden voor dergelijke conflictsituaties. Via ruil van zowel grondgebruik als –eigendom kan de Grondenbank oplossingen aanreiken aan gebruikers en eigenaars die omwille van een overheidsproject geconfronteerd worden met grondverlies of met bijkomende beperkingen op hun gronden.
De Grondenbank kan ook ingaan op vragen van landbouwers om gronden, die niet in de agrarische structuur gelegen zijn, te ruilen met gronden die daar wel binnen vallen. De mogelijkheid bestaat eveneens om een landbouwbedrijf van buiten de agrarische structuur te verhuizen naar een terrein binnen de agrarische structuur. Dit vereist echter dat de Vlaamse regering sneller werk maakt van de geplande afbakening van de agrarische structuur.

Elektronisch loket

De Grondenbank zal logistiek ondersteund worden door een elektronisch loket dat de informatie met betrekking tot alle bestaande en toekomstige rechten van voorkoop en aankoopplichten ter beschikking zal stellen. Deze gratis databank zal zowel administratieve (adres, kadastraal nr.) als thematische gegevens (wettelijke bescherming, bodemgebruik) over onroerende goederen in het Vlaams Gewest bevatten.

Kansen onbenut

De Vlaamse Grondenbank is een eerste stap in de richting van een volwaardig Vlaam grond- en pandenbeleid. Toch mist de Vlaamse regering in dit decreet een aantal kansen om een slagkrachtig grondbeleid te kunnen voeren.
Zo wordt er in het decreet geen aanzet gegeven tot een harmonisering van de procedure voor rechten van voorkoop. De huidige rechten van voorkoop werden in verschillende sectorale regelingen vastgelegd, wat de herkenbaarheid van de wetgeving er niet op verbetert. Op die manier worden er ook geen criteria vastgelegd om een rangorde vast te stellen bij de samenloop van verschillende voorkooprechten.
Daarnaast zullen de verschillende voorkooprechten en aankoopplichten niet op eenzelfde wijze door de Vlaamse Grondenbank uitgeoefend worden. Nochtans zou dit toch de eerste doelstelling van een ‘uniek loket’ moeten zijn. Er wordt echter een onderscheid gemaakt tussen het beleidsdomein Leefmilieu, Landinrichting en Natuurbehoud en andere beleidsdomeinen, terwijl de Grondenbank een domeinoverschrijdende organisatie zou moeten zijn.
Ten slotte valt het te betreuren dat de wetgever uitruiloperaties en compensatieregelingen enkel mogelijk heeft gemaakt bij ruimtelijke conflicten waarbij de landbouw betrokken partij is. Grondruil zou ook een nuttig instrument kunnen zijn voor het oplossen van andere ruimtelijke problemen. Zo zou de havensector er heel wat baat bij hebben wanneer de mogelijkheid bestond om buiten het havengebied grondreserves aan te leggen. Hierdoor zouden economisch exploiteerbare habitat – en vogelrichtlijngebieden binnen het haventerritorium kunnen gecompenseerd worden. 



Nieuwe Vlaamse adviesorganen voor ruimtelijke ordening

De Vlaamse regering heeft twee decreten goedgekeurd die de advisering over thema’s van ruimtelijke ordening op een nieuwe leest schoeien. In het eerste decreet wordt een nieuwe Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening-Onroerend Erfgoed SARO) opgericht. Het tweede decreet voert een aantal aanpassingen door in het bestaande decreet op de ruimtelijke ordening van 18 mei 1999. Hierdoor wordt de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening (VLACORO) omgevormd tot een technische adviescommissie.

De herstructurering van de adviesorganen voor ruimtelijke ordening vormt een onderdeel van het “Beter Bestuurlijk Beleid”, de bestuurlijke hervormingsoperatie die de Vlaamse regering reeds een aantal jaren geleden in de steigers heeft gezet en nu in volle uitvoering is.

Eén wordt twee

De bestaande commissie voor ruimtelijke ordening VLACORO, die in 2001 van start ging, wordt omgevormd tot een technische commissie die de minister moet bijstaan bij de technische uitwerking van het beleid en de beoordeling van individuele dossiers. In de vernieuwde VLACORO zullen alleen deskundigen, stedenbouwkundige ambtenaren en twee deskundigen uit de nieuwe strategische adviesraad zetelen. De sociale partners en de milieuorganisaties, die vandaag in de VLACORO zetelen, zullen geen mandaat meer hebben in de VLACORO.

Daarnaast wordt een strategische adviesraad voor ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed opgericht. De SARO heeft als taak de minister, de regering en het parlement te adviseren over strategische beleidsvraagstukken die te maken hebben met ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed en ondersteuning te bieden bij de totstandkoming van het beleid. Het is de bedoeling dat in de SARO de visie van het maatschappelijk middenveld over het gevoerde ruimtelijke beleid aan bod komt. De SARO zal daarom samengesteld worden uit vertegenwoordigers van “organisaties die de maatschappelijke belangen behartigen in ruimtebehoevende sectoren”

Uitsluiting sociale partners afgewend?

In de nieuwe decreten wordt nergens nog gesproken over een gegarandeerde vertegenwoordiging van werknemers- en werkgeversorganisaties, milieu- en landbouworganisaties. De regering zou dit wel voorzien in het besluit dat nog moet volgen op het decreet.

Het ACW en ACV hebben zich tegen hun aanvankelijke uitsluiting hevig verzet. Het is immers de rol van de sociale partners om een maatschappelijk draagvlak te creëren voor het gevoerde ruimtelijke beleid. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, maar ook de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP’s) hebben een grote impact op de ruimtelijke invulling. In dergelijke plannen wordt o.a. de afbakening van stedelijke gebieden en de ruimte voor bedrijfsterreinen en natuurgebied vastgelegd. Het is dus van groot belang dat actoren uit het maatschappelijk middenveld zoals ACW en ACV een rol te spelen krijgen bij de ruimtelijke keuzes die uiteindelijk worden gemaakt.

Als grote maatschappelijke organisatie hebben we bovendien de nodige deskundigheid in huis om een aantal maatschappelijke knelpunten aan te kaarten die door de administratie over het hoofd worden gezien bij het opstellen van het RSV of de RUP’s. Door ook andere middenveldspelers, zoals natuurverenigingen, bij de advisering te betrekken, zullen ruimtelijke plannen ook evenwichtiger worden. Op die manier kunnen alle maatschappelijke actoren vanuit hun eigen invalshoek met elkaar in dialoog treden over de ruimtelijke keuzes die in Vlaanderen gemaakt worden.

Het is nu wachten op de bespreking die zal plaatsvinden in het Vlaams parlement en op de aanvullende besluiten die door de Vlaamse regering zullen worden opgesteld. In die besluiten zal voorzien worden dat de middenveldvertegenwoordigers ook kunnen deelnemen aan de vergaderingen van de VLACORO, telkens wanneer deze vergadert over de gewestelijke RUP’s. Door de verwijdering van maatschappelijk middenveld uit de VLACORO, kunnen de sociale partners immers hierover geen advies meer geven. En het is juist in de RUP’s dat beslissingen worden vastgelegd die een grote impact op het terrein hebben.

Daarnaast moet ook de concrete samenstelling van de vertegenwoordiging van het middenveld in de SARO nog worden geregeld. Laat ons hopen dat de regering haar belofte houdt om ook voor de sociale partners een gegarandeerde vertegenwoordiging te voorzien. 

 

Contact opnemen

  • beweging.net - algemeen secretariaat
    Postbus 20 - 1031 Brussel
    tel. 02 246 31 11
    e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • Wegbeschrijving